<?xml version="1.0"?>
<rss version="2.0" xmlns:dc="http://purl.org/dc/elements/1.1/" xmlns:atom="http://www.w3.org/2005/Atom">
	<channel>
		<title>mysite blog</title>
		<link>http://www.robwijnberg.nl/blog/</link>
		<atom:link href="http://www.robwijnberg.nl/blog/" rel="self" type="application/rss+xml" />
		<description></description>

		
		<item>
			<title>Het proces van de waarheid</title>
			<link>http://www.robwijnberg.nl/blog/het-proces-van-de-waarheid/</link>
			<description>&lt;p&gt;PVV-leider Geert Wilders staat, zoals bekend, terecht voor haatzaaien, groepsbelediging van moslims en discriminatie.  Onlangs heeft het OM al besloten vrijspraak te eisen voor groepsbelediging.  Dat is terecht.  Want voor deze en de andere aanklachten lijkt een veroordeling niet erg kansrijk. Al was het alleen al omdat ieder filosofisch fundament voor vervolging ontbreekt. Wat rest is een politiek proces.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;strong&gt;Het proces van de waarheid&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;em&gt;Twist met Wilders voor de camera, of in de Tweede Kamer. Maar niet in de strafkamer van het gerechtshof. Want het is aan de kiezer of zijn uitspraken door de beugel kunnen&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;strong&gt;Door Rob Wijnberg&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Geflankeerd door een foto van een demonstrant die een bord omhoog hield met de tekst ‘Wilders proces – Politiek proces’, verwoordde advocaat Bram Moszkowicz onlangs in Pauw &amp;amp; Witteman precies het sentiment dat door de meeste tegenstanders van de rechtszaak tegen PVV-leider Geert Wilders wordt gevoeld: „Je moet dit soort dingen niet in de rechtszaal regelen. Je moet met hem in debat gaan […] maar ik vind niet dat het een kwestie is waarvan je in de rechtszaal zegt: wat hij heeft gezegd zou strafbaar zijn en daarom moeten we hem berechten.”&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Deze opvatting wordt niet alleen door veel PVV-aanhangers gehuldigd, maar ook door talloze rechtsgeleerden en collega-politici. ‘Laat Wilders maar aan ons over’, hebben diverse Tweede Kamerleden van zowel de VVD als D66 al eens in verschillende bewoordingen geopperd. Preciezer geformuleerd: het bestrijden van de uitspraken en opvattingen van de PVV-leider hoort thuis in het publieke discours – in het parlement, voor de camera’s van het NOS Journaal en in achterafzaaltjes in Purmerend. Maar niet in de strafkamer van het Amsterdamse Hof. Want, zo stelt men, het is uiteindelijk niet aan een rechter, maar aan het Nederlandse electoraat om te beslissen of wat Wilders zegt wel door de beugel kan.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Al sinds de aankondiging van het proces in januari 2008 behoor ik tot deze groep tegenstanders. Ook ik schaar mij achter het bezwaar dat hier sprake is van een ‘politiek proces’ – en niet alleen omdat het toevallig een politicus is die terechtstaat. De reden is fundamenteler, namelijk: omdat een deugdelijke juridische en filosofische grond voor vervolging ontbreekt. Laat ik de argumenten voor deze positie hier nog eens kort en bondig uiteenzetten aan de hand van de drie artikelen op grond waarvan de PVV-leider wordt gedaagd – haatzaaien, belediging van een bevolkingsgroep en discriminatie.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Het eerstgenoemde artikel, de strafbaarstelling van haatzaaien, is direct de meest merkwaardige, omdat ermee het ‘zaaien’ van iets strafbaar wordt gesteld wat op zichzelf niet strafbaar is. Haat koesteren jegens iets of iemand is immers niets meer dan een gemoedstoestand, die als zodanig niet bestraft of verboden kan worden. Zolang de haat niet wordt omgezet in aantoonbare strafbare feiten (de gehate wordt bedreigd, gechanteerd, gemarteld of vermoord), heeft de rechter niets te zoeken in de gedachtewereld erachter – als was het alleen al omdat ons land totale gewetensvrijheid kent. Je zou het haatzaai-artikel in zekere zin kunnen beschouwen als een vreemdsoortige variant op het softdrugsgedoogbeleid: je mag haat wel koesteren, alleen niet verkopen.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Bijkomend probleem is dat een ‘haatzaaier’ geen drugsdealer is van wie feitelijk vast te stellen is dat hij iemand in een achterafsteegje een zakje verboden middelen heeft toegestopt. Dat brengt ons op het tweede bezwaar: hoe bewijs je dat iemand haat verspreidt? Het verband tussen verspreider en ontvanger is onmiddellijk noch aantoonbaar. Mocht er al sprake zijn van toenemende ‘haat’ jegens moslims (andersom geldt evengoed: er zijn de afgelopen jaren ook steeds meer mensen publiekelijk voor moslims in de bres gesprongen), dan is het nog steeds absurd om Geert Wilders daarvoor hoofdelijk verantwoordelijk te stellen. Op zijn hoogst kun je stellen dat hij de politieke katalysator is van een sentiment dat door een ontelbaar aantal andere factoren kan zijn aangewakkerd – niet in de laatste plaats door de moord op Theo van Gogh en de aanslagen in New York, Madrid en Londen. Waarom alleen de PVV-leider voor het ‘anti-islam sentiment’ terecht moet staan, is een raadsel.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Bovendien gaan de pleitbezorgers van de rechtszaak er gemakshalve vanuit dat de PVV-leider de enige is in politiek Den Haag die haat of aversie tegen bevolkingsgroepen en hun geloof uitdraagt. De realiteit is echter dat deze tactiek tot het standaardpakket van politieke partijen behoort. De manier waarop de PVV sinds 9/11 parasiteert op de aversie jegens de islam en haar aanhangers kent in bijna alle politieke stromingen een vergelijkbaar tegenvoorbeeld.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Neem de kredietcrisis en een bankier die een miljoenenbonus ontvangt, en er is altijd wel een SP’er of PvdA’er te vinden die zijn weerzin etaleert jegens de vrijemarktideologie en haar liberale pleitbezorgers. Neem een homoseksuele leraar die op school de evolutieleer onderwijst, en is er altijd wel een lid van de SGP of ChristenUnie die in straffe bewoordingen waarschuwt hoe ongelovigen en homo’s de sociale samenhang ontwrichten. Neem een kunstsubsidie voor een multicultureel jongerenproject in Slotervaart, en het duurt niet lang of een VVD’er betoont zijn afkeer tegen het staatssocialisme en de links-elitaire aanhangers ervan. Ook die ‘haat’ verspreidt zich snel: kijk maar hoe er op internet over zakkenvullers, ongelovigen, homoseksuelen en de linkse elite wordt gepraat.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Natuurlijk, de PVV is in haar bewoordingen vaak veel directer en radicaler dan de meeste collega’s op het Binnenhof, maar dat ondergraaft geenszins het fundamentelere punt, namelijk: dat de politiek als geheel nu eenmaal drijft op de retorische bestrijding van een ideologische opponent. Waarom alleen moslims – die net als iedereen hun geloof publiekelijk uitdragen en belijden – dat bespaard moeten blijven, is onduidelijk. Bovendien, draai het eens om: wat let Wilders nog om advocaat Gerard Spong (die de PVV’er vergeleek met nazileider Goebbels) of GroenLinkser Tofik Dibi (die hem uitmaakte voor extremist) niet eveneens te dagen wegens haatzaaien? Zo wordt de lijst van potentieel terechtgestelden al gauw eindeloos.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Voor de aanklacht wegens belediging en discriminatie gaan soortgelijke tegenwerpingen op. Evenals haat is belediging een geestestoestand, waarvan de oorzaak net zo min feitelijk aanwijsbaar is in de persoon van een ‘belediger’ als in het geval van een ‘haatzaaier’. Bovendien gaat van de aanklacht ‘groepsbelediging’ ook nog eens precies het signaal uit dat de meest fervente tegenstanders van Geert Wilders zeggen te bestrijden, namelijk dat moslims één grote, amorfe, generaliseerbare groep zouden zijn. Dat noemt men de pot de ketel verwijten dat hij zwart ziet: wie niet wil dat Wilders ‘de moslims’ voortdurend over één kam scheert, moet ze op z’n minst zelf beschouwen als autonome individuen – niet als één groot gekwetst collectief.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;En daarin schuilt op zijn beurt weer precies de pijn met de aanklacht van discriminatie: want hoe kun je politiek bedrijven zonder te discrimineren (letterlijk: onderscheid maken tussen mensen)? Liberalen verantwoordelijk stellen voor de ‘perverse materiële ongelijkheid’ in de maatschappij; boeren betichten van ‘ondraaglijk dierenleed’ in de bio-industrie; socialisten in de schoenen schuiven dat ze burgers degraderen tot ‘onvrije subsidieslaven’ – hoe verschilt dat nu wezenlijk van het verwijt dat moslims onze ‘nationale cultuur’ bedreigen? Iedere ideologie haar eigen vijand, zogezegd.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Alle bovengenoemde argumenten berusten in hun kern dan ook op één onderliggende filosofische aanname: dat de politiek een retorische machtstrijd is, waarbij aversie jegens andersdenkenden, kwetsing van gevoelens en discriminatie op grond van opvattingen de onvermijdelijke bijproducten zijn. Preciezer gezegd: politiek berust niet op een gedeelde waarheid met consensus en sociale samenhang als hoogste doel, maar op een gebrek aan gedeelde waarheid met machtstrijd en verdeeldheid als drijvende krachten. Je kunt dan ook niet ‘aantonen’ dat de standpunten van de SP, de VVD of de Dierenpartij ‘waarder’ of ‘wenselijker’ zijn dan die van GroenLinks, D66 of de PVV: precies daarom zijn ze politiek.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;En daarin schuilt het meest fundamentele probleem met de berechting van Wilders. Breng je diens politieke ideologie en uitspraken voor de rechter onder het mom van haatzaaien, belediging en discriminatie, dan trek je de politiek een domein in waar ze niet thuishoort: dat van waarheidsvinding en bewijslast. De rechter wordt zo gedwongen een gedachtegoed te toetsen op sociale wenselijkheid, feitelijkheid en waarachtigheid – drie toetsstenen die in de politiek juist ter discussie staan. De rechter wordt, kortom, het onmogelijke en onheuse gevraagd, namelijk beoordelen of een politicus ‘gelijk heeft’ of niet – en of het ‘goed’ is voor de samenleving wat hij beweert.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Je zou het dan ook hypocriet kunnen noemen dat Bram Moszkowicz enerzijds de zaak tegen zijn cliënt hekelt als een ‘politiek proces’, terwijl hij tegelijkertijd een verdedigingsstrategie ontplooit waarbij hij juist wil aantonen dat „de uitspraken van Wilders berusten op een kern van waarheid”, zoals de raadsheer het verwoordde in Pauw &amp;amp; Witteman. Dat klinkt als een filosofische tegenspraak: wie vindt dat dit proces ‘politiek’ is, committeert zich aan de onderliggende premisse dat dergelijke kwesties niet aan waarachtigheid en wenselijkheid te toetsen zijn – behalve dan in de arena die de politiek wordt genoemd.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;De argumenten zijn dan ook op het belachelijke af: Moszkowicz wil bijvoorbeeld aantonen dat de vergelijking tussen de Koran en Mein Kampf ‘feitelijk juist’ is, omdat in beide boeken vergelijkbare passages aan te wijzen zijn. Maar daar gaat het natuurlijk niet om: Wilders vergelijkt de boeken niet op feitelijk niveau (‘er komen dezelfde woorden in voor’), maar op politiek niveau (‘de boeken staat symbool voor hetzelfde’).&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;De verdedigingstrategie lijkt dus gedoemd te mislukken, maar is om die reden ook briljant: Moszkowicz trekt met zijn verdediging het politieke opzettelijk de juridische sfeer in. Hij maakt van het politieke een ‘proces van waarheidsvinding’ en leidt de rechters zo naar een catch 22. Vrijspraak zal namelijk door de PVV-leider kunnen worden uitgelegd als een bevestiging van de waarachtigheid van zijn politieke retoriek (zoals Wilders al stelde: „Wat waar is, kan niet strafbaar zijn”) – en een veroordeling zal kunnen worden uitgelegd als een rechterlijke onderdrukking van ‘de waarheid’. Wraking van de rechter als een ‘bevooroordeelde D66’er’ past naadloos in deze strategie.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;De slotsom is dan ook deze: wat de rechter ook beslist, Geert Wilders zal er als de winnaar uitkomen. Vrijspraak zal worden verkocht als een ‘mandaat’ voor zijn ideeën, veroordeling als ‘politieke afstraffing’ ervan. De demonstrant heeft gelijk: in een gezonde democratie heb je daar kiezers voor, geen rechters.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;em&gt;Rob Wijnberg is columnist en hoofdredacteur van nrc.next.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Verschenen in nrc.next op 11 oktober 2010. &lt;/p&gt;</description>
			<pubDate>Thu, 14 Oct 2010 20:35:00 +0200</pubDate>
			
			
			<guid>http://www.robwijnberg.nl/blog/het-proces-van-de-waarheid/</guid>
		</item>
		
		<item>
			<title>Ode aan Jan Blokker</title>
			<link>http://www.robwijnberg.nl/blog/ode-aan-jan-blokker/</link>
			<description>&lt;p&gt;Vorige week woensdag overleed mijn waarde collega-columnist Jan Blokker (83), Ik heb hem maar één keer ontmoet, toen hij de redactie van nrc.next bezocht, maar las zijn columns altijd met veel plezier. Via de mail vertelde hij mij ooit dat dat wederzijds was.  De krant vroeg mij daarom een column te schrijven, ter ere aan zijn schrijven en wat hij betekende voor mij als columnist.  Daar hoefde ik niet lang over na te denken. Het stukje was zo geschreven - in de geest van de grote Blokker zelf uiteraard.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;strong&gt;Zoals alleen hij dat kon&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;De dag na Jan Blokkers overlijden is de dag dat je Jan Blokkers column het meeste mist. Zijn eigen dood: hij had zich er kapot aan geërgerd waarschijnlijk.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;“Sinds wanneer is doodgaan een legitieme reden geworden om je ziek te melden? Dat was in mijn tijd, toen de krant nog een &lt;em&gt;meneer &lt;/em&gt;was, wel anders.” Zo zou hij begonnen zijn, denk ik.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;En dan zo’n vilein tussenzinnetje.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Vervolgens had hij zijn bril opgezet, een stapel kranten erbij gepakt en zijn eigen overlijdensberichten aan een minutieuze analyse onderworpen.  De necrologie in &lt;em&gt;De Volkskrant&lt;/em&gt;, verspreid over twee volle pagina’s, telde een slordige 2.073 woorden - maar &lt;em&gt;waar, hoe laat &lt;/em&gt;en &lt;em&gt;aan wat&lt;/em&gt; de hoofdpersoon was overleden, bleef onvermeld. &lt;em&gt;NRC Handelsblad: &lt;/em&gt;2.083 woorden, 45 anekdotes en 3 foto’s - doodsoorzaak onbekend. Hoe zei Blokker dat ook alweer?&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Journalisten houden niet van journalistiek.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Dan maar even online kijken, moet hij hebben gedacht. Zijn&lt;em&gt; &lt;/em&gt;eigen&lt;em&gt; &lt;/em&gt;krant&lt;em&gt; &lt;/em&gt;meldde het heengaan van haar stercolumnist als eerste op de nextblog. Onder het digitale necrologietje prijkte de Facebook-‘Vind ik leuk’-knop. &lt;em&gt;Social media - &lt;/em&gt;Jan&lt;em&gt; &lt;/em&gt;Blokker was er zot op. Een paar uur later was de knop verwijderd, uit angst voor postume represailles. Toen stond er alleen nog: ‘Twitter dit’.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Oh, wat mis ik die man.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Wat zou hij eigenlijk van al die boterzachte loftuitingen uit de mond van zijn collega’s hebben gevonden?&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Aaf Brandt Corstius: “Blokker was - is - mijn held, een echte held. […] Zes dag geleden maakte hij met zijn column ‘DOE DIE TWEETS WEG’ nog zó’n lachsalvo bij me los dat ik blij was dat ik niet in de trein zat. Ik was thuis, en de poezen dachten waarschijnlijk: ‘Ze zit het stukje van Jan Blokker te lezen. Laat haar maar!’”&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Blokker: “Aan haar stijlfiguren af te leiden, heeft Aaf mij al die jaren overduidelijk met Frits Abrahams verward.”&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Maar dan zoals alleen hij dat kon.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Want Jan Blokker schreef geen &lt;em&gt;columns. &lt;/em&gt;Hij schreef spiegels waar je bijna niet in durfde te kijken. Waar je om grinnikte tot het besef neerdaalde dat hij het óók over jou had. Over de wereld die jij, ik, wij allemaal zo achteloos voor lief nemen - maar waar hij zich oeverloos over bleef verbazen.  Over bleef opwinden, als een man die op de dag dat hij begon met roken, besloot te stoppen met ouder worden. Daarom wilde hij ook pertinent niet op de opiniepagina staan: tussen het nieuws, waar het &lt;em&gt;gebeurde, &lt;/em&gt;daar voelde hij zich thuis - niet tussen de meningen. En liever niet drie keer per week, nee, elke dag. Toen de Volkskrant zijn frequentie wilde terugschroeven, en hem een plekje wilde toebedelen ergens achterin de krant, bedankte hij dan ook voor de eer en vertrok. Om vervolgens drie keer per week op de opiniepagina van &lt;em&gt;nrc.next &lt;/em&gt;te&lt;em&gt; &lt;/em&gt;gaan schrijven.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Een lange neus, tot hogere kunst verheven.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Ik wist wel dat het ijdele hoop was, maar toen ik las dat hij was overleden, bladerde ik stiekem toch nog even naar pagina 18 -  om te kijken of hij er stond. Tot mijn spijt zag ik dat hij, voor het eerst in zijn leven, de deadline niet had gehaald.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Ik heb me kapót geërgerd.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;em&gt;Verschenen in nrc.next op 8 juli 2010.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;                  &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;                              &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;               &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;                 &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;               &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;               &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;               &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;               &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;</description>
			<pubDate>Tue, 13 Jul 2010 23:00:00 +0200</pubDate>
			
			
			<guid>http://www.robwijnberg.nl/blog/ode-aan-jan-blokker/</guid>
		</item>
		
		<item>
			<title>Column Groene God is dood, leve Wesley Sneijder!</title>
			<link>http://www.robwijnberg.nl/blog/column-groene-god-is-dood-leve-wesley-sneijder/</link>
			<description>&lt;p&gt;Luiheid was het thema van De Groene Amsterdammer van vorige week. Ik was gevraagd een column te schrijven, met als aanleiding de kwartfinale tussen Nederland en Brazilie. Een wedstrijdverslag werd het niet (want: wat valt er in hemelsnaam nog toe te voegen aan de stortvloed aan voetbalanalyses?), dus een kleine beschouwing &lt;em&gt;over &lt;/em&gt;de voetbaljournalistiek, de commercie eromheen en de politieke spelletjes rondom het WK leken mij een geschikter thema. We weten nu: zo lui zijn journalisten, ondernemers en politici niet. Als er maar voetbal op tv is.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;strong&gt;God is dood, leve Wesley Sneijder&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;strong&gt;Door Rob Wijnberg&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Hoezo: journalisten zijn lui?&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Ze rukken met groot materieel uit om een glimp om te vangen van de Noord-Koreaanse training; ze wachten urenlang in de zengende hitte van Kaapstad voor één vraag aan de rechtsback van Griekenland; ze kamperen, als het moet, de hele week voor het huis van een fysiotherapeut om te weten hoe het met Robbens linkerhamstring staat. Ze schrijven dubbeldikke WK-bijlagen vol met allerhande wetenswaardigheden (wist u al waarom de Jubilani zo van links naar rechts zwabbert op 1700 meter hoogte?). Ze bouwen een complete studio in Johannesburg om Jack van Gelder het gevoel te geven dat hij in Hilversum zit - en leggen dan een straalverbinding met Hilversum om te peilen tot hoeveel graden de Oranjekoorts in eigen land is gestegen. Ze vliegen zelfs een keur aan deskundigen in: van een liplezer die de onvrede van Robin van Persie analyseert tot een waarzegster die alvast verklapt wie er op 11 juli de finale spelen.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Stelt u zich eens voor dat het journaille &lt;em&gt;altijd &lt;/em&gt;zo ijverig zou zijn. Dat ze met groot materieel uitrukken om een glimp op te vangen van de Noord-Koreaanse dictatuur; dat ze urenlang wachten in de zengende hitte van Athene voor één vraag aan de begrotingsminister van Griekenland; dat ze, desnoods, een hele week kamperen voor de ingang van een Rotterdams ziekenhuis om erachter te komen hoe het met de wachtlijsten staat. Dat ze dubbeldikke verkiezingsbijlagen volschrijven met allerhande wetenswaardigheden (wist u al waarom Mark Rutte zo van links naar rechts zwabbert tijdens de formatie?).  Dat ze een complete studio in Kabul bouwen om de kijker het gevoel te geven dat hij in een oorlogsgebied zit - en dan een straalverbinding met de Tweede Kamer leggen om te peilen tot hoeveel zetels de weerstand tegen een politiemissie is gestegen. Dat ze zelfs een keur aan deskundigen invliegen: van een socioloog die de onvrede onder PVV-stemmers analyseert tot een econoom die al in 1980 de kredietcrisis voorspelde.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;em&gt;Kunt &lt;/em&gt;u het zich überhaupt voorstellen?&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Ook het bedrijfsleven kent zo haar prioriteiten. Miljoenencontracten zijn er afgesloten om de Afrikanen vier weken lang exclusief van Amerikaans bier en frisdrank te voorzien. Miljarden zijn er gestoken in reclamecampagnes voor WK-tompoucen en Oranjevla. Supermarktketens, vliegmaatschappijen en banken verklaren zich op prime time televisie, a raison van 45.000 euro per minuut, solidair met onze jongens in Zuid-Afrika en geven bij iedere aankoop boven de tien euro gratis een Beessie, minivoetbaltafel of vuvuzela weg. Ondertussen is alles wat rood, wit en blauw kleurt in de aanbieding gedaan.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Hoezo crisis?&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Bedenk eens hoe het zou zijn als ’s werelds grootste multinationals zich &lt;em&gt;overal &lt;/em&gt;zo betrokken bij voelden. Dat ze miljoenencontracten afsloten om Afrikanen hun hele leven lang van schoon drinkwater te voorzien. Dat ze miljarden staken in reclamecampagnes voor bio-vlees en slaafvrije bananen. Dat supermarktketens, vliegmaatschappijen en banken zich op prime time televisie solidair verklaarden met de arbeiders die, a raison van honderd euro per maand, in Chinese sweatshops onze Beessies, minivoetbaltafels en vuvuzela’s maken. En dat ze ondertussen alles wat groen, duurzaam en milieuvriendelijk is in de bonus doen.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Nee, ’t is tóch crisis.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Ook de politiek kent inmiddels haar plaats. Mocht u zich afvragen waarom de formatie zo lang op zich laat wachten: Mark Rutte zat vrijdag bij VI Oranje om Nederland-Brazilië te kijken. Gezien de uitslag en de tegenstander in de halve finale ga ik ervan uit dat de crisisdeadline voor het nieuwe kabinet minimaal tot 11 juli is opgeschort. Het is te hopen dat Oranje dan ook eindelijk de finale wint, want dat vergroot onze kansen op een WK in eigen land natuurlijk aanzienlijk. Het enige wat Den Haag dan nog hoeft te doen is de FIFA van haar belastingplicht ontslaan en van het resterende geld zes onrendabele stadions bijbouwen. Geen nood: mochten de clubs aan onderhoudskosten failliet gaan, dan regelt de gemeente wel een &lt;em&gt;bail out - &lt;/em&gt;want zoals u weet zijn onze plaatselijke FC’s al jaren &lt;em&gt;too big to fail. &lt;/em&gt;De publieke omroep betaalt toch niet voor niets 52.000 euro per samenvatting, exclusief het salaris van Mart Smeets?&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Fantaseer nog één keer met mij mee: wat nu als het eerste kabinet-Rutte speciaal voor Sepp Blatter een zestig procentstarief invoert en van de opbrengst alle &lt;em&gt;zonnepanelen&lt;/em&gt; vrijstelt van BTW? Wat nu als de gemeenten alle kapitaalinjecties in Willem II, VVV en RKC omzet in een sociale lening en van de rente aan iedere MBO-student een OV-jaarkaart verstrekt? Wat nu als de publieke omroep de Champions League aan John de Mol verkoopt en van de overwaarde drie extra afleveringen van &lt;em&gt;Tegenlicht&lt;/em&gt; maakt? Aflevering 1: de FIFA ontmaskerd.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;In 1887 voorzag de Duitse denker Friedrich Nietzsche het tijdperk van nihilisme in Europa: “God is dood”, tekende hij op in &lt;em&gt;Die Fröhlige Wissenschaft&lt;/em&gt;. Precies een jaar later werd in Engeland de eerste officiële voetbalcompetitie geboren. Een waardig opvolger, zo bleek: ook de bal is boven de wet verheven, maar onder het volk gebleven. God mag dan dood zijn, gelukkig hebben we Wesley Sneijder nog. Hij kopte ons langs de Brazilianen. Maar dat had u vermoedelijk al vernomen.   &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;em&gt;Verschenen in De Groene Amsterdammer van 8 juli 2010.&lt;/em&gt;  &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;               &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;                   &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;        &lt;/p&gt;</description>
			<pubDate>Tue, 13 Jul 2010 20:34:00 +0200</pubDate>
			
			
			<guid>http://www.robwijnberg.nl/blog/column-groene-god-is-dood-leve-wesley-sneijder/</guid>
		</item>
		
		<item>
			<title>Essay Groene Liever scoren dan eerlijk zijn</title>
			<link>http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-groene-liever-scoren-dan-eerlijk-zijn/</link>
			<description>&lt;p&gt;Vorige week schreef ik in &lt;em&gt;nrc.next &lt;/em&gt;over het onvermogen van progressief-linkse politici om de kiezer hun ideale wereld voor te spiegelen.  Rechts, stelde ik, voelt zich meer thuis in de traditie van retoriek - een gegeven dat te herleiden is op een lange filosofische geschiedenis.  Je ziet het met name aan Job Cohen: hij vertrouwt erop dat de kiezer &quot;de redelijkheid&quot; van het PvdA-programma inziet, en hoopt op grond daarvan op consensus over het te voeren beleid.  In de Groene Amsterdammer schreef ik een uitgebreide versie van dit essay.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;strong&gt;&lt;span&gt;Liever scoren dan eerlijk zijn&lt;/span&gt; &lt;span&gt;- De politiek als wedstrijd&lt;/span&gt;&lt;/strong&gt; &lt;span/&gt;&lt;span&gt;Rob Wijnberg&lt;/span&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Alles draait om beeldvorming in de politiek, en het belang van retoriek is navenant toegenomen. Het gaat niet om wat je presteert, maar om wat je beweert. Mark Rutte begrijpt dat beter dan Job Cohen.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Het klassieke links-rechts paradigma is in het hedendaagse politieke landschap al net zo achterhaald als de peilingen onvoorspelbaar zijn geworden, maar laten we voor het gemak beide toch even voor waar aannemen. Onmiddellijk wordt dan een winnaar in de tweedeling zichtbaar: links (PvdA, SP, GroenLinks, D66 en Partij voor de Dieren) schommelt momenteel rond de zestig zetels, terwijl rechts (CDA, VVD, PVV, CU, SGP) liefst negentig zetels voor haar rekening neemt. Op deze nogal simplistische indeling van het politieke spectrum valt allicht veel af te dingen (de SP is geenszins progressief; de ChristenUnie en de PVV zijn in economisch opzicht ronduit links), maar niettemin: conservatieve krachten zijn onmiskenbaar aan de winnende hand. Vijftien jaar geleden hadden alleen al de PvdA en D66 meer zetels dan het hele linkse blok anno 2010.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Vergelijk die score vervolgens eens met de problemen waarvoor Nederland en de wereld zich nu zien gesteld. Het klimaat verandert, de olie raakt op, het milieu vervuilt, de kloof tussen arm en rijk groeit, het gat tussen burger en bestuur groeit mee, de publieke sector verschraalt - en de overheid kijkt vaak machteloos toe. Allemaal thema’s waar met name links van oudsher op tamboereert, zij het op bescheiden toon. Hoelang waarschuwt de SP al niet voor de gestage aftakeling van de sociale zekerheid en de zorg? Hoelang hamert GroenLinks al niet op de noodzaak van duurzame energie? Was het de PvdA niet die als eerste de bonussen in de financiële sector ter discussie stelde? En voorzag D66 niet al bij haar oprichting de gevaren van het democratisch tekort?&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Tel de huidige klimaatcrisis, energiecrisis, kredietcrisis en bestuurscrisis bij elkaar op en je vraagt je af waarom deze partijen niet op een verkiezingsoverwinning afstevenen. In werkelijkheid is het tegendeel waar: de neoliberalen, die in ideologische zin toch voor een groot deel verantwoordelijkheid  dragen voor de genoemde problemen, gaan fier aan kop in de peilingen. Sterker nog, de VVD is in jaren niet zo groot geweest. Samen met het CDA en de PVV zijn ze inmiddels goed voor een meerderheid. Welke logische verklaringen daar ook voor zijn aan te voeren, één conclusie is hoe dan ook onvermijdelijk: links doet iets niet goed.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Daarin staat Nederland niet alleen. In veel Europese landen is een verrechtsing waarneembaar. In Groot-Brittannië wonnen de Conservatieven van David Cameron de verkiezingen ten koste van de inmiddels afgetreden sociaaldemocraat Gordon Brown; in Italië boekte &lt;em&gt;Il Popolo della Liberta &lt;/em&gt;van Silvio Berlusconi onlangs nog een onverwachte overwinning in de regionale verkiezingen; in Oostenrijk verloren de socialisten en christendemocraten in 2008 zelfs meer dan 14 procent van de stemmen aan de Oostenrijkse Vrijheidspartij en de Lijst Jörg Haider, die samen goed bleken voor een kwart van de zetels. En ook in Zwitserland en Denemarken zijn de respectievelijke Volkspartijen, die zich op Wilderiaanse wijze afzetten tegen de gevestigde orde, nooit eerder zo invloedrijk geweest.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;De verklaringen voor deze trend zijn talrijk, maar kennen wel een rode draad: diepe onvrede over de gevolgen van globalisering. Massa-immigratie vanuit niet-westerse landen, verlies van nationale autonomie aan het technocratische Brussel en twijfel over de houdbaarheid van de eigen sociale voorzieningen voeden een gevoel van onveiligheid en onzekerheid, waar conservatieven een monopoly op lijken te hebben gelegd. Daar zit een zekere logica in, want toenemende onzekerheid voedt op haar beurt behoudzucht - en dat heeft progressief links vanzelfsprekend minder in de aanbieding. Liever nu de zekerheid van het bestaande dan de ongewisse hoop op het betere, lijkt bij velen de redenering. Kijk één avondje naar het journaal, waar de ene na de andere crisis de revue passeert, en je begrijpt dat sentiment volkomen.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Toch is een dergelijke ideologische verklaring niet afdoende. De SP is de afgelopen jaren van wereldbeeld noch van partijprogramma veranderd, maar zag sinds het vertrek van partijleider Jan Marijnissen haar historische verkiezingsoverwinning uit 2006 wel als sneeuw voor de zon verdwijnen. Opvolger Agnes Kant hield het al na een jaartje aanvoerderschap weer voor gezien - zeventien virtuele zetels armer. Alexander Pechtold kent dat gevoel ook: toen de D66-leider zich nog kon profileren als dé verbale tegenhanger van Geert Wilders, steeg zijn populariteit tot meer dan twintig zetels, maar sinds de PVV-voorman minder in de spotlights staat, zag D66 haar virtuele winst alweer halveren.  &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;En ook Job Cohen weet inmiddels wat het betekent om in de Haagse achtbaan te zitten. Nog maar een maand geleden werd de oud-burgemeester van Amsterdam tot nieuwe partijleider benoemd en als burgervader van Nederland aan het volk gepresenteerd. Journalisten spraken van een “meesterzet” en de peilingen beweerden niet anders: leek de PvdA eind 2009 nog ten dode opgeschreven, nu mocht ze plotseling weer ruiken aan het premierschap. Op Facebook werd alvast de fanclub ‘Yes We Cohen’ gelanceerd.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Drie moeizame interviews en drie teleurstellende debatten later lijkt die slogan alweer net zo achterhaald als de linkse lente die ze had moeten inluiden. Job is “door het ijs gezakt”, luidt nu de analyse - hetgeen doet vermoeden dat het op links plotsklaps weer winter is. Op het web doen inmiddels hele andere bijnamen de ronde. Cohen heet nu ‘de Hakkelaar’ en de PvdA de Partij van de Aanpassingen. De partijleider zelf blijft er ogenschijnlijk stoïcijns onder, maar enige verbazing zal hem toch niet vreemd zijn. ‘In wat voor circus ben ik in godsnaam beland?’, zal hij zich heimelijk afvragen. Een dag na het RTL Lijsttrekkersdebat zag zijn partij in één klap drie zetels verdampen - omgerekend zo’n tien procent van het totaal.  Cijfers die Cohen ongetwijfeld paraat heeft.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Deze voorbeelden tonen aan dat, boven alles, &lt;em&gt;beeldvorming &lt;/em&gt;een doorslaggevende factor is geworden in de hedendaagse politiek.  Rita Verdonk is daar misschien wel het symbool van. Toen zij twee jaar geleden campagne voerde op haar imago als IJzeren Rita - de strenge vreemdelingenminister die in werkelijkheid een stuk minder consequent was dan haar slogan ‘regels zijn regels’ deed vermoeden -, schatte Maurice de Hond haar nog in op dertig zetels. In haar eentje. Zonder partijprogramma. Nadat ze haar standpunten eenmaal goed en wel op papier had gezet en een partij had gevormd, stond ze alweer op nul.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Agnes Kant is in deze een goede tweede. Weinig politici zullen door hun collega’s zo zijn geroemd om hun dossierkennis en werklust, maar het mocht niet baten: haar ‘boze’, ‘kille’ imago deed haar de das om. En herinnert iemand zich Ella Vogelaar nog? Wie de buurtwerkers en bewoners van de naar haar vernoemde wijken om een oordeel vroeg, kreeg doorgaans vooral loftuitingen te horen. Twee ijzingwekkend zwijgzame minuten voor de camera van GeenStijl en ze kon inpakken. Uit onderzoek van de Vlaamse socioloog Mark Elchardus is niet voor niets gebleken dat “beeldvorming in de media” de beste indicator vormt van ons stemgedrag.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Door het primaat van de beeldvorming in de politiek is ook het belang van de retoriek sterk toegenomen.  Stemde men vroeger nog automatisch op de partij die paste bij de geloofsovertuiging of zuil, nu moet het zwevende electoraat overtuigd worden. &lt;em&gt;Hoe&lt;/em&gt; een politicus iets zegt is daarbij belangrijker geworden dan &lt;em&gt;wat&lt;/em&gt; hij zegt; hoe hij zich &lt;em&gt;presenteert&lt;/em&gt; relevanter dan wie hij &lt;em&gt;is&lt;/em&gt;. In een medialandschap vol spectaculaire berichten en nieuwsflitsen van zestig seconden, is een snedige oneliner minstens zo effectief, zo niet effectiever, als een doorwrocht beleidsplan. En juist op dit punt legt links het steevast af tegen rechts.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Job Cohen faalt, naar de maatstaven van de moderne mediacratie, zelfs opzichtig. Hij geeft eerlijk toe dat hij een antwoord niet weet in plaats van met halve waarheden erom heen te praten. Het resultaat toont zich de volgende dag in de krantenkoppen. Hij laat anderen minutenlang interrumperen en begint pas aan zijn repliek als zijn opponent uit beeld verdwenen is. De camera zoemt uit en het geregisseerde applaus wordt dwars door zijn antwoord heen ingezet. Hij haalt soms moedeloos zijn schouders op als een interviewer hem weer eens met bijzaken bestookt en zegt dan: “Aan dat soort spelletjes doe ik niet mee.” Ondertussen gaat ‘het spelletje’ om hem heen vrolijk verder. De commentaren zijn onverbiddelijk en eensluidend: Cohen is een bestuurder die geen tegenspraak gewend is. En: hij is door zijn spindoctors duidelijk niet goed voorbereid.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Daar schuilt een zekere kern van waarheid in, maar het probleem is fundamenteler dan dat. Job Cohen is namelijk exemplarisch voor de tekortkoming waar bijna alle progressieve, linkse politici mee worstelen - en waar hun conservatievere, rechtse collega’s minder last van lijken te hebben. Natuurlijk is het niet zo dat de kunst van het overtuigen, zoals de retoriek al in het Oude Griekenland werd genoemd, alleen door rechtse politici wordt beheerst. Jan Marijnissen kon het en ook Alexander Pechtold toont zich vaak genoeg bedreven in het woordenspel. Toch geldt voor de D66-leider dat de aanval op anderen hem beduidend beter afgaat dan het verkopen van zichzelf. Wilders of het kabinet met een paar rake typeringen in de hoek zetten lukt hem vaak genoeg, maar zodra het over de plannen van D66 gaat, verdwijnt de meeslepende beeldspraak al gauw uit zijn woorden. Vergelijk dat dan eens met Wilders of Rutte: de één heeft virtueel al ruim een miljoen kiezers overtuigd van het idee dat Nederland ‘islamiseert’, terwijl de ander met de slogan ‘De economie kan wel wat VVD gebruiken’ op kop gaat in de peilingen - in een tijd dat het neoliberalisme zwaarder onder vuur ligt dan ooit.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;De retorische tekortkoming van met name progressief-links wortelt in een lange filosofische geschiedenis. Progressief-links is in denken en doen vooral schatplichtig aan wat je de Platoonse traditie zou kunnen noemen. Kenmerkend voor deze traditie is dat alle vertegenwoordigers ervan - variërend van René Descartes tot Immanuel Kant - uitgaan van een filosofische tegenstelling die ooit door Plato werd geïntroduceerd, namelijk: die tussen ‘schijn’ en ‘werkelijkheid’. Uitgangspunt hiervan is, kort samengevat, dat er twee soorten ‘realiteit’ kunnen worden onderscheiden. Aan de ene kant is er de realiteit zoals die ons schijnt te zijn - zoals ze wordt ervaren, bemiddeld door onze emoties, taal, cultuur en belangen. &lt;em&gt;Daarachter&lt;/em&gt;, stellen deze denkers, schuilt de objectieve&lt;em&gt; &lt;/em&gt;werkelijkheid: de realiteit ‘zoals ze is’; de ‘feiten’ die wij allen delen.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Deze traditie, die haar hoogtepunt in de Verlichting kende, heeft altijd de ambitie gekoesterd om de ‘schijn’ te ontmaskeren ten faveure van de ‘zuivere werkelijkheid’. Zij bezag de mens namelijk bovenal als een rationeel wezen dat, wanneer hij de ‘feiten’ eenmaal in zou zien, tot een door de objectiviteit gedicteerde consensus zou komen over hoe de maatschappij diende te worden ingericht. Veel linkse politici koesteren die ambitie nog steeds. Zij geloven dat de werkelijkheid ‘zoals ze is’ uiteindelijk doorslaggevend zal zijn voor de politieke keuzes van mensen; en dat rationeel verworven inzichten (‘de feiten wijzen uit’) voldoende voedingsbodem vormen voor gezamenlijke overeenstemming over het te voeren beleid. Of anders gezegd: ze geloven dat morele waarden niet gebonden zijn aan particuliere belangen en omstandigheden, maar ‘universeel’ zijn en theoretisch gefundeerd.  Niet voor niets is de slogan van de PvdA: ‘Iedereen telt mee’. Zoals hun filosofische geestesvaders de ‘schijn’ probeerden tot ontstijgen om tot Waarheid te komen, zo proberen linkse politici het retorische machtsspel te ontstijgen om tot Consensus te komen: ze willen, met andere woorden, liever niet meedoen met ‘het spelletje’ dat politiek wordt genoemd.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Lijnrecht daartegenover staat de traditie die, grof gezegd, loopt van Thomas Hobbes tot Friedrich Nietzsche en Richard Rorty. Hun filosofieën lopen sterk uiteen (Rorty was alles behalve rechts), maar wat ze deelden was hun kritiek op dat aloude Platoonse onderscheid tussen ‘schijn’ en ‘werkelijkheid’.  De werkelijkheid, stelden zij, &lt;em&gt;is &lt;/em&gt;zoals ze schijnt te zijn - bemiddeld door emoties, taal, cultuur en vooral: onze tegenstrijdige belangen. Van een ‘objectieve’ realiteit daarachter is geen sprake; een mens kan zijn plaats-, tijd- en omstandigheden gebonden ‘perspectief’ op de wereld niet ontstijgen. Rechtse politici voelen zich over het algemeen veel meer in deze traditie thuis.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Zij zien, analoog aan Hobbes, de mens niet als een rationeel wezen dat geneigd is tot samenwerking, maar eerder als een door particuliere belangen en behoeftes gedreven wezen, dat primair uit is op het veiligstellen van zijn eigen overlevingskansen en maatschappelijke positie. Dat wil niet zeggen dat mensen geen belangen kunnen delen, maar wel dat een ‘universeel’ belang &lt;em&gt;geen &lt;/em&gt;belang is. Belangen zijn &lt;em&gt;per definitie &lt;/em&gt;tegenstrijdig. Daardoor beschouwen zij het politieke bedrijf ook veeleer als een belangenstrijd (of: machtsspel) en schromen zij niet zich te bedienen van retorische machtsmiddelen: het gaat erom welk &lt;em&gt;beeld &lt;/em&gt;je van de werkelijkheid wenst te schetsen, niet om de vraag of dé realiteit er ook echt mee ‘correspondeert’.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Politici als Job Cohen, maar ook Femke Halsema (die zichzelf onlangs nog “een kind van de Verlichting” noemde) hebben daar zichtbaar moeite mee. Ze koesteren een filosofische weerzin tegen retoriek, die volgens hen slechts bedoeld is om de ‘feiten’ geweld aan te doen.  Zij willen liever ‘eerlijk’&lt;em&gt; &lt;/em&gt;zijn en schamen zich ervoor de complexe, meerduidige wereld anders voor te spiegelen ‘dan ze is’. Wilders noemde Cohen laatst de “politieke reïncarnatie van Ella Vogelaar” en daar had hij volstrekt gelijk in, maar op een andere manier dan de PVV-leider bedoelde: wat Cohen en Vogelaar gemeen hebben is dat ze erop vertrouwen dat de kiezer hen beoordeelt op wat ze &lt;em&gt;presteren&lt;/em&gt; in plaats van op wat ze &lt;em&gt;beweren. &lt;/em&gt;Dat succesvol beleid het op den duur altijd wint van succesvol spinnen.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Hun conservatieve collega’s denken daar van nature anders over. Zij weten dat politiek eerder een kwestie is van gelijk krijgen dan van gelijk hebben - en deinzen er dus veel minder voor terug om de wereld op zo’n manier te schetsen dat het in hun voordeel werkt. Dat is geen kwestie van onoprechtheid: zij geloven echt dat de waarheid eerder ‘gemaakt’ dan ‘ontdekt’ wordt. Daarom maken ze bombastische internetfilmpjes en verzinnen ze pakkende oneliners die aan hun opponenten blijven kleven. Progressief links stelt daar vooral &lt;em&gt;nuanceringen&lt;/em&gt; en &lt;em&gt;bezweringen&lt;/em&gt; tegenover, maar waagt zich liever niet aan groteske beeldspraak als repliek. Anders gezegd: rechts politiseert, links analyseert. Ter illustratie hoef je alleen maar te kijken naar wat de lijsttrekkers als eerste deden toen de campagne na de vliegramp in Tripoli werd hervat: Femke Halsema gaf een college over coalitievorming aan studenten van de Bestuursacademie in Tilburg; Mark Rutte ging flyeren voor de hypotheekrenteaftrek op de markt in Den Bosch. Beter kun je het verschil niet samenvatten.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Nu kun je als kiezer natuurlijk sympathie koesteren voor de manier waarop links politiek bedrijft, maar het probleem is: de mediacratie koestert die niet. De manier waarop nieuws tegenwoordig tot stand komt, is de analytici onder de politici niet gunstig gezind.  Nieuws is niet wat ‘waar’ is, zoals in idealistischere tijden nog wel eens werd gezegd, maar wat ‘scoort’. Kranten, omroepen en websites worden, meer dan de journalisten zélf vaak willen, gedreven door commerciële belangen. Om advertenties te kunnen verkopen, zal er zoveel mogelijk aandacht moeten worden gegenereerd. Dus wordt van politiek een ‘wedstrijd’ gemaakt, met de knapste koppen en de rapste tongen in de hoofdrol. In zo’n omgeving gedijt de ‘retoriek’ veel beter dan de ‘werkelijkheid’. Gedijt Geert Wilders beter dan Femke Halsema en Mark Rutte beter dan Job Cohen.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Daar zal links een antwoord op moeten vinden. De Amerikaanse president Barack Obama kan wat dat betreft als voorbeeld dienen. Hij was zich meer dan wie ook bewust van het feit dat mensen niet alleen werkbare oplossingen van een politicus verlangen, maar ook inspirerende vergezichten. Daarom spiegelt hij zijn gehoor doorlopend idealen voor, in de wetenschap dat die idealen in praktijk nooit zullen worden bereikt. “Don’t tell me words don’t matter”, antwoordde hij zijn rivale Hillary Clinton, toen ze hem betichtte van te mooie praatjes. Dat zouden de PvdA, D66 en GroenLinks ter harte kunnen nemen. Anders gezegd: maak ook eens een &lt;em&gt;Fitna&lt;/em&gt;,  maar dan over hoe ons land in 2050 verduurzaamd is in plaats van geïslamiseerd.    &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;em&gt;Verschenen in de Groene Amsterdammer op 3 juni 2010.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;</description>
			<pubDate>Mon, 07 Jun 2010 13:01:00 +0200</pubDate>
			
			
			<guid>http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-groene-liever-scoren-dan-eerlijk-zijn/</guid>
		</item>
		
		<item>
			<title>Essay Zin 111 Het gradatieprobleem van de Partij voor de Dieren</title>
			<link>http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-zin-111-het-gradatieprobleem-van-de-partij-voor-de-dieren/</link>
			<description>&lt;p&gt;Over de Partij voor de Dieren wordt vaak een beetje lacherig gedaan in de pers.  Wilt u nou een verbod op vissenkommen, mevrouw Thieme?  Mogen we nog wel vlees eten, mevrouw Thieme? Helaas komt daardoor niet zo goed uit de verf waar de partij nu precies filosofisch voor staat.  Wie het gedachtegoed van de partij, beter bekend als het ecologisme, nader bestudeerd, ontdekt dat het een unieke ideologie in het huidige politieke spectrum betreft.  De holistische benadering van problemen is haar grootste kracht. Maar ook haar zwakte. &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;strong&gt;Gradatieprobleem knaagt aan Partij voor de Dieren&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;em&gt;De unieke kracht, maar ook de grootste zwakte van het ecologisme is de holistische en ‘planeetbrede’ visie&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;strong&gt;Door Rob Wijnberg&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Vandaag: het gedachtegoed van Marianne Thieme (PvdD).&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Dat de politiek een vuil spel kan zijn, was al langer bekend. Maar de hoon die de Partij voor de Dieren soms ten deel valt in de pers, is soms op het genante af. Journalisten, columnisten en politieke opponenten tonen zich vaak meer dan bereid de standpunten van de partij te ridiculiseren, maar coherente, onderbouwde argumenten worden er zelden tegenover gesteld.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Zo trok een zekere Willem Mulder, zelf nota bene een wetenschapper, in de Volkskrant de ‘feitenkennis’ van partijleider Marianne Thieme in twijfel met het argument dat ze lid is van de Zevendedagadventisten – in de logica ook wel een ‘non sequitur’ genoemd. Dat Thieme gelooft in de zondeval, hoeft immers nog niet te betekenen dat de door haar geciteerde onderzoeken onbetrouwbaar zijn. En in Pauw &amp;amp; Witteman werd onlangs door alle aanwezige gasten, inclusief gespreksleider Jeroen Pauw, smakelijk gelachen om Thiemes bewering dat de zeeën binnen veertig jaar leeg zullen zijn gevist als de visserij op het huidige peil blijft, maar het tegendeel werd nooit aannemelijk gemaakt. Veel verder dan een grap over pandaberen aan een vislijn kwam men niet.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;De lacherige en af en toe zelfs ronduit bevooroordeelde houding van sommige journalisten is jammer, omdat Marianne Thieme daardoor weinig ruimte krijgt haar ideeën écht uiteen te zetten. De aandacht richt zich al gauw op de meeste ongewone voorstellen van de partij (en die zijn soms extreem), maar de filosofie erachter blijft grotendeels onbesproken. Dat is waarschijnlijk te wijten aan het feit dat het gedachtegoed van de Dierenpartij verreweg het meeste afwijkt van de mainstream in de politiek, hetgeen als vanzelf weerstand oproept. Volgens de Amerikaanse filosoof Noam Chomsky (1928) is dat zelfs een structureel fenomeen in de moderne media: de neiging om iemand die breekt met de ideologische consensus automatisch af te schilderen als ‘gek’ of ‘radicaal’.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Dat de Dierenpartij inderdaad sterk afwijkt van die consensus, blijkt wel uit haar onlangs gepresenteerde verkiezingsprogramma. Daarin pleit de partij, anders dan alle andere partijen, voor een „planeetbrede visie” op de politiek, die mensen ertoe moet bewegen „verder te kijken dan alleen de belangen van de eigen soort”. Daartoe doet zij enkele verstrekkende voorstellen, zoals een verbod op de intensieve veehouderij, een verbod op de visserij op meer dan de helft van alle zeeën en het opnemen van universele dierenrechten in de grondwet.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;De filosofie hierachter, beter bekend als het ecologisme, verschilt volgens de filosoof Michael Freeden, auteur van het boek &lt;em&gt;Ideologies and political theory &lt;/em&gt;(1996), dan ook op een aantal fundamentele punten van traditionele westerse ideologieën. Het belangrijkste onderscheidende kenmerk is de plaats die de mens erin krijgt toebedeeld. Het ecologisme is geen &lt;em&gt;antropocentrische&lt;/em&gt;, maar &lt;em&gt;biocentrische&lt;/em&gt; ideologie. Dat wil zeggen dat niet de mens centraal wordt gesteld, zoals in het liberalisme, socialisme en conservatisme, maar de natuurlijke orde waarvan hij onderdeel uitmaakt. Daarbij wordt een holistische benadering gehanteerd: de natuur wordt beschouwd als één groot samenhangend geheel, waarin de mens een positie heeft die niet wezenlijk verschilt van die van andere organismen.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Deze visie op de natuur als een ‘organisch geheel’ is geenszins nieuw. Sporen ervan zijn al terug te vinden bij de Oud-Griekse Stoïcijnen, de Nederlandse filosoof Baruch Spinoza (1632-1677) en in het boeddhisme en hindoeïsme. Toch heeft het idee nooit echt voet aan de grond gekregen in de westerse politieke filosofie. De Griek Aristoteles (384-322 v. Chr) ging al uit van een ‘natuurlijke rangorde’, waarin de mens ver boven de dieren- en plantenwereld verheven was en ook het Christendom propageerde, ondanks het feit dat alles in de natuur onderdeel was van Gods schepping, een wereldbeeld met de mens bovenaan de aardse pikorde.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Deze menselijke superioriteit werd nog verder bekrachtigd door de opkomst van de moderne wetenschap in de 16de en 17de eeuw. Denkers als René Descartes (1596-1650) en Isaac Newton (1643-1727) begonnen de natuur te omschrijven als een ‘machine’ bestaande uit losse bouwstenen, die door de mens kon worden beheerst en aangewend voor zijn eigen (economische) doeleinden. De mens werd voortaan helemaal niet meer als onderdeel van de natuur gezien, maar als de „meester en bezitter” ervan, zoals de Britse filosoof John Locke (1632-1704) het destijds omschreef. De mechanisering van het wereldbeeld maakte van de natuur als het ware een ‘werktuig’ en van de mens de ‘bestuurder’.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Dat veranderde pas weer door het werk van Albert Einstein (1879-1955). Niet voor niets voert de Partij voor de Dieren deze Duitse natuurwetenschapper op als een van de grote inspirators van haar gedachtegoed. Einstein toonde namelijk niet alleen sympathie voor het vegetarisme, maar zijn natuurwetenschappelijke inzichten deden ook het beeld van de natuur kantelen: de natuur werd niet langer opgevat als een ‘werktuig’, maar als een samenhangend netwerk van afhankelijkheidsrelaties, waarvan de menselijke soort een onderdeel was. Daarmee werd ook het morele primaat van het ‘natuurlijke’ sterk opgewaardeerd: hoe de natuur ‘werkt’, zou leidend moeten zijn voor het menselijke handelen.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Dat laatste is een integraal onderdeel geworden van het ecologisme. De mens zou zich moeten aanpassen aan de wensen van de natuur in plaats van andersom. Verstoring van het ‘natuurlijke evenwicht’, dat zich organiseert volgens Einsteiniaanse wetmatigheden, leidt volgens ecologisten namelijk tot onherstelbare schade aan het geheel. Deze holistische benadering maakt van het ecologisme een unieke ideologie in het hedendaagse politieke spectrum en vormt haar grote aantrekkingskracht. Maar het is ook haar grootste filosofische zwakte.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;De vraag is namelijk hoever de Dierenpartij dit holisme kan doorvoeren. Dat de natuur niet uitsluitend behandeld mag worden als een ‘gebruiksvoorwerp’ in dienst van menselijke behoeftes, valt goed te verdedigen – maar hoe absoluut moet dat uitgangspunt worden begrepen? Mag een mens door medisch ingrijpen bacteriën doden om niet ziek te worden of moet hij het lichaam zijn ‘natuurlijke gang’ laten gaan? Mag een mens een mug doodslaan als hij geprikt wordt of is dat ‘dierenmishandeling’? Dat lijken flauwe vragen, maar ze tonen de grootste lacune in het denksysteem van de ecologist: door de gelijkschakeling van mens en natuur wordt onduidelijk op grond waarvan aan menselijke belangen überhaupt nog voorrang kan worden gegeven.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Het ecologisme heeft, met andere woorden, een gradatieprobleem. Gelden dierenrechten ook voor insecten? Zo nee, &lt;em&gt;waarom&lt;/em&gt; dan niet? Mogen dieren elkaar wel roekeloos afslachten? Zo ja, waarom mensen – die immers ook onderdeel van de natuur zijn – dan niet? Daar heeft de ecologist geen goed filosofisch antwoord op. De commotie die ontstond over het voorstel van de Dierenpartij om vissenkommen te verbieden (maar grote aquaria niet) was dan ook geen toeval, maar een logisch gevolg van deze ideologische tekortkoming: hoe trekt de partij de grens? Waarom mag een balletje gooien met je hond in het park wel, maar mensen vermaken met circusdieren niet?&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;De filosoof Andrew Heywood maakt op dit punt overigens een handig onderscheid tussen ‘diep’ en ‘oppervlakkig’ ecologisme. Waar de diepe variant uitgaat van een radicaal holisme, de intrinsieke waarde van de natuur en gelijke rechten voor mens en dier, combineert de oppervlakkige versie een licht antropocentrisme met een instrumentele opvatting van de natuur, gericht op dierenwelzijn. Dat wil zeggen, in het oppervlakkige ecologisme staat de mens nog wel centraal en wordt alleen zijn ‘morele plicht’ jegens de natuur benadrukt, in plaats van het ‘morele recht’ van die natuur zelf. De positie van de Partij voor de Dieren is hierin niet geheel duidelijk: ze pleit bijvoorbeeld wel voor dierenrechten in de grondwet (wat diep ecologisch is), maar is daarentegen niet tegen het op duurzame wijze houden van productiedieren (wat een instrumentele opvatting is).&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;In het verlengde hiervan ligt ook de tweede grote tekortkoming van het ecologisme, namelijk: de economische rechtvaardigheid ervan. Feit blijft namelijk dat de enorme welvaart in het Westen is voortgekomen uit de massale aanwending van fossiele brandstoffen en andere natuurlijke hulpbronnen. Dat heeft een enorme kaalslag op het milieu opgeleverd, maar heeft ons ook zo rijk gemaakt. Overschakeling naar een duurzamere economie hoeft daardoor voor ons geen probleem te zijn, maar de vraag is hoe opkomende industrieën zoals China en Derde Wereldlanden zoals Nigeria een soortgelijke levenstandaard kunnen bereiken zonder eveneens een beroep te doen op diezelfde hulpbronnen.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Hier schiet de „planeetbrede visie” van de Dierenpartij dan ook tekort: zonder reëel alternatief economisch model voor onderontwikkelde landen, veroordeelt haar ambitie om de hele wereld de ‘verduurzamen’ deze landen als het ware tot een lager welvaartsniveau.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Kan een journalist dát dilemma eens voorleggen aan Marianne Thieme?&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;em&gt;Verschenen in nrc.next op 28 april 2010.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;strong&gt;Dit was mijn laatste essay voor de zomer. Eind augustus hervatten de essays weer - in de tussentijd leg ik de laatste hand aan mijn nieuwe boek.  De columns op de opiniepagina en in het NRC Weekblad gaan overigens wel gewoon door.&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;</description>
			<pubDate>Wed, 28 Apr 2010 16:10:00 +0200</pubDate>
			
			
			<guid>http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-zin-111-het-gradatieprobleem-van-de-partij-voor-de-dieren/</guid>
		</item>
		
		<item>
			<title>Essay Zin 110 De SGP en het probleem met universele principes</title>
			<link>http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-zin-110-de-sgp-en-het-probleem-met-universele-principes/</link>
			<description>&lt;p&gt;De SGP mag niet langer vrouwen weren van haar kieslijsten, stelde de Hoge Raad afgelopen week.  Want: in Nederland geldt het gelijkheidsbeginsel.  Maar hoe ziet het dan met de vrijheid van vereniging?  Het lijkt een haast onoplosbaar dilemma. En dat is het ook, zegt de Amerikaanse filosoof Stanley Fish. Tenminste, als je het probleem principieel blijft benaderen. Want dan, zegt Fish, eindig je altijd in een paradox. De SGP rest dus niet veel meer dan een pragmatische oplossing: opgaan in een politieke beweging zonder leden.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;strong&gt;Waarom universele principes eigenlijk niet bestaan&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;em&gt;Volgens Stanley Fish kun je niet boven een principieel conflict uitstijgen zonder te eindigen in een paradox&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;strong&gt;Door Rob Wijnberg&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Vandaag: de SGP en het probleem met principes.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;De Hoge Raad heeft besloten dat de SGP vrouwen niet langer hun passief kiesrecht mag ontzeggen door ze uit te sluiten van haar kieslijsten. Daarbij verwijst het hoogste rechtsorgaan naar het discriminatieverbod zoals vastgelegd in artikel 1 van de Grondwet en naar het Europese Vrouwenverdrag waarin expliciet staat geschreven dat vrouwen het recht hebben ‘verkiesbaar te zijn in alle openbaar gekozen lichamen’. Het verweer van de partij dat haar ‘vrouwenstandpunt’ en de daaruit voortvloeiende praktijk, gebaseerd is op een Bijbelse grondslag en dus valt onder de vrijheid van godsdienst, werd door de Hoge Raad verworpen. De godsdienstvrijheid mag geen vrijbrief zijn om anderen hun grondrechten te ontzeggen, oordeelde zij.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Met deze uitspraak heeft de Hoge Raad niet veel meer gedaan dan wat van haar gevraagd wordt: de wet toepassen. Dat de SGP vrouwen niet alleen in woord maar ook in daad discrimineert door ze principieel uit te sluiten van bestuursfuncties, is evident – en dat is nu eenmaal bij wet verboden. Gezien de formulering van het Vrouwenverdrag konden de rechters moeilijk tot een ander oordeel komen.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Toch kwam het vonnis de Hoge Raad op veel kritiek te staan. Rechtsfilosoof Matthijs de Blois betichtte de rechters in het Reformatorisch Dagblad van een „omkering van waarden” door het gelijkheidsbeginsel boven de godsdienstvrijheid te stellen. NRC Handelsblad constateerde in een commentaar dat het discriminatieverbod kennelijk „zwaarder weegt dan de vrijheden van godsdienst, van vereniging en van meningsuiting” en vroeg zich vervolgens af of het wel zo nodig was om de SGP „geforceerd” tot inkeer te brengen.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Deze kritieken verdienen weerwoord. Dat er sprake zou zijn van een onheuse ‘omkering van waarden’ is natuurlijk een retorische truc: alsof hiervóór de godsdienstvrijheid &lt;em&gt;boven&lt;/em&gt; het gelijkheidsbeginsel stond. Dat staat nergens in de wet geschreven en ligt in een seculiere rechtsstaat – met rechtsgelijkheid als een van de meest fundamentele beginselen – ook allerminst voor de hand. Bovendien wordt dat beginsel in het vonnis ook niet ondergeschikt gemaakt aan de vrijheid van meningsuiting, zoals het commentaar in de NRC wel suggereerde.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Het staat de SGP immers nog steeds volledig vrij om haar standpunt uit te dragen dat vrouwen ondergeschikt zijn aan mannen en daarom niet tot bestuursfuncties zouden moeten worden toegelaten. Het wordt de partij ook niet verboden om – net als de PVV – te pleiten voor afschaffing van het gelijkheidsbeginsel. Ze mag die opvatting alleen niet &lt;em&gt;in praktijk &lt;/em&gt;brengen, zolang dat beginsel in de wet verankerd ligt – een subtiel maar cruciaal verschil.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Volgens de filosoof Ger Groot wringt daar echter juist de schoen. In een opiniestuk getiteld ‘Bescherm de SGP of verkwansel de rechtsstaat’ stelt hij dat het vonnis „de fundamenten van de parlementaire democratie aantast” door de SGP te dwingen zich anders te organiseren dan haar eigen gedachtegoed voorschrijft. Daarmee veroordeelt de Hoge Raad de partij tot een „performatieve tegenspraak”, aldus Groot: „In haar handelen en gestalte moet de partij iets anders doen uitschijnen dan wat zij aan diepste overtuiging omhelst. Daarmee wordt zij gedwongen tot een ongeloofwaardigheid die de verdediging van haar ideeën feitelijk onmogelijk maakt en haar politieke vrijheid beknot.” Volgens Groot kan de SGP door het arrest haar vrouwenstandpunt nu niet meer „op coherente wijze” tot uitdrukking brengen.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Deze redenatie is buitengewoon merkwaardig en problematisch. Volgens Groot kan een partij haar ideeën kennelijk alleen op een coherente en geloofwaardige manier uitdragen als zij ook de vrijheid heeft ernaar te handelen. Sterker nog, wanneer die handelingsvrijheid ontbreekt, maakt dat de verdediging van een opvatting zelfs „feitelijk onmogelijk”, stelt hij. Dat lijkt mij een volstrekt onhoudbare positie.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Had de onlangs opgeheven Partij voor Naastenliefde, Vrijheid en Diversiteit, beter bekend als de ‘pedopartij’, dan ook het recht om – op laste van coherentie en geloofwaardigheid – binnen de muren van haar vereniging seks met minderjarigen te hebben, zoals zij in haar beginselenverklaring voorstond? En moet het een partij die pleit voor vrij wapenbezit dan ook automatisch worden toegestaan om pistolen naar hun vergaderingen mee te nemen, omdat de staat hen anders dwingt tot een „performatieve tegenspraak”? Nee, want juist dát zou de rechtsstaat buitenspel zetten: het koesteren van een opvatting zou dan al voldoende grond zijn om iedere wet die ermee in strijd is te overtreden.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Niettemin stipt Groot wel een ingewikkeld dilemma aan. Feit blijft namelijk dat de SGP zich wil &lt;em&gt;verenigen&lt;/em&gt; op een manier die haaks staat op het principe van gelijkheid tussen man en vrouw – en de vraag is of het principe van vrijheid van vereniging, dat ook in de grondwet verankerd ligt, daarvoor de ruimte biedt of niet. Het probleem is dat dit conflict niet principieel op te lossen is. De enige rationele uitweg is om het ene principe boven het andere te stellen, maar daarmee raakt het ondergeschikte principe automatisch zijn principiële status kwijt – een principe waar op af te dingen valt is immers geen principe meer. Het verliest dan zijn ‘algemene geldigheid’.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Dit probleem is ooit haarscherp beschreven door de Amerikaanse filosoof Stanley Fish in zijn boek &lt;em&gt;The Trouble with Principle &lt;/em&gt;(1999). Volgens Fish wekken principes – van welke soort dan ook – de suggestie dat ze „objectief”, „onpartijdig” en „boven de politiek verheven” zijn (omdat ze voor iedereen evenzeer opgaan), terwijl ze dat in werkelijkheid niet kunnen zijn. Principes krijgen volgens Fish namelijk pas betekenis „in relatie tot de politieke [en dus partijdige] agenda waarvoor ze worden aangewend”. Dat betekent dat ze in de praktijk nooit de ‘algemene geldigheid’ kunnen waarmaken die ze in theorie beloven.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Een algemeen geldend principe is volgens Fish zelfs „inherent tegenstrijdig”. Je kunt je niet verenigen zonder anderen uit te sluiten (want waartoe verenig je je dan?), zoals je ook niet iedereen gelijk kunt behandelen (want wat doe je dan met mensen die discrimineren?). Anders gezegd, principes moeten ‘absoluut’ begrepen worden (anders zijn het geen principes meer), maar kunnen nooit ‘absoluut’ worden toegepast (want dan raken ze in conflict met zichzelf). Fish stelt daarom ook, enigszins retorisch, dat principes „eigenlijk niet bestaan”, omdat ze óf voor iedereen evenzeer opgaan (en daardoor ontdaan zijn van hun inhoud), óf het belang van de ene partij boven die van een andere stellen (en daardoor niet meer principieel zijn).&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Dat een beroep op universele principes leidt tot deze paradox, kwam ook duidelijk naar voren in een conflict tussen vrijwilligersorganisatie Humanitas en haar districtbestuurder René Eekhuis, die tevens PVV-raadslid in Almere is. Humanitas eiste het vertrek van Eekhuis, omdat de vereniging grote bezwaren had tegen het discriminerende gedachtegoed van zijn partij – met name het verbod op hoofddoekjes. „Wij bieden hulp aan iedereen, met of zonder hoofddoekje”, stelde de organisatie. Eekhuis weigerde echter te vertrekken, omdat zijn politieke voorkeur volgens hem geen legitieme grondslag was om hem van de vereniging uit te sluiten: je moet iemand „niet beoordelen op wat hij politiek vindt, maar op wat hij doet”, stelde hij.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Het verweer van Eekhuis is natuurlijk uiterst hypocriet, gezien het feit dat zijn partij niets anders doet dan mensen uitsluiten op grond van hun „politieke ideologie” in plaats van ze te beoordelen op ‘wat ze doen’. Dat is zelfs de reden waarom de PVV af wil van het gelijkheidsbeginsel. Maar tegelijkertijd verkeert Humanitas in diezelfde filosofische spagaat: ze hekelt de PVV vanwege haar uitsluiting van mensen op grond van hun opvattingen, maar weigert om dezelfde reden samen te werken met een PVV’er. Beide partijen beroepen zich dus op de ‘universaliteit’ van het gelijkheidsbeginsel en komen zo in conflict met hun eigen principe: de PVV eist een hoofddoekverbod uit naam van gelijkheid tussen man en vrouw en sluit daarom zelf categorisch moslims uit – en Humanitas eist gelijkheid van moslim en niet-moslim en sluit daarom zelf categorisch PVV’ers uit.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Volgens Fish is er geen filosofische oplossing die deze paradox ‘overstijgt’. Je kunt slechts „ad hoc partij kiezen”, zegt hij. Dat heeft de Hoge Raad ook gedaan: zij koos partij voor de vrouwenorganisatie Clara Wichman ten koste van de SGP. Laatstgenoemde rest nu slechts een pragmatische uitweg. De partij kan bijvoorbeeld een vrouw op een onverkiesbare plek op de kieslijst zetten. Of ze kan zich omdopen tot ‘politieke beweging’ zonder leden. Dan kunnen er geen vrouwen lid worden, maar kan het niet worden aangemerkt als discriminatie omdat &lt;em&gt;niemand&lt;/em&gt; lid kan worden. Zo houdt de PVV ook ‘legaal’ moslims buiten de deur. Ik ben benieuwd wat die partij van zo’n constructie zou vinden als het vrouwen treft.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;em&gt;Verschenen in nrc.next op 21 april 2010.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;</description>
			<pubDate>Wed, 21 Apr 2010 15:59:00 +0200</pubDate>
			
			
			<guid>http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-zin-110-de-sgp-en-het-probleem-met-universele-principes/</guid>
		</item>
		
		<item>
			<title>Essay Zin 109 Is de vrije wil een illusie?</title>
			<link>http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-zin-109-is-de-vrije-wil-een-illusie/</link>
			<description>&lt;p&gt;De vrije wil bestaat niet en het 'ik' is een illusie.  Dat zijn de twee meest ovpallende stelling uit het recente verschenen boek &lt;em&gt;De vrije wil bestaat niet &lt;/em&gt;(2010) van neurowetenschapper Victor Lamme.  Met zijn deterministische benadering van het vrijewilprobleem (wat zijn nu werkelijk de oorzaken van onze beslissingen) voegt Lamme zich in een lange filosofische traditie, waartoe onder andere Thomas Hobbes behoort. Maar de vraag blijft: wie besloot dan dit boek te schrijven?&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;strong&gt;De vrije wil bestaat niet, zegt de neurowetenschap&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Maar geen enkele wetenschapper kan ooit een andere conclusie trekken&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;strong&gt;Door Rob Wijnberg&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Vandaag: is de ‘ik’ die wij ervaren een illusie?&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Op de zin van het leven en de definitie van waarheid na is er geen enkel ander onderwerp dat filosofen de afgelopen tweeduizend jaar zo heeft beziggehouden als de vrije wil. De laatste decennia mengen ook steeds meer wetenschappers zich in het debat over deze hardnekkige filosofische kwestie: is de mens vrij om te doen en te laten wat hij zelf wil of is hij toch eerder het stuurloze product van onbeheersbare invloeden van buitenaf? In de filosofie is over die vraag nooit enige overeenstemming bereikt, maar in andere academische velden – variërend van de psychologie tot de neurowetenschap – neigt men steeds meer naar dat laatste.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Dat is voor een groot deel te danken aan de fysioloog Benjamin Libet (1916-2007), die in de jaren 70 en 80 onderzocht hoe beslissingen in de hersenen tot stand komen. Hij ontdekte dat de hersenimpuls die leidt tot een handeling circa 200 milliseconden eerder plaatsvindt dan dat de mens zich ervan bewust wordt. Zijn conclusie was dan ook dat er geen bewust wilsbesluit voorafgaat aan het menselijke handelen, maar dat, omgekeerd, de handeling voorafgaat aan het denken. Van een ‘vrije wil’ is dus geen sprake, aldus Libet: de mens kan hoogstens ‘ja’ of ‘nee’ zeggen tegen de neurologische impulsen die spontaan in zijn hersenen ontstaan.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Diezelfde stelling wordt nu ook verdedigd door de cognitiewetenschapper Victor Lamme in zijn onlangs verschenen boek &lt;em&gt;De vrije wil bestaat niet&lt;/em&gt; (2010). Aan de hand van een aantal voorbeelden, zoals slaapwandelende moordenaars, laat Lamme zien dat onze beslissingen helemaal niet zo bewust en rationeel tot stand komen als veel filosofen lange tijd hebben verondersteld. De rede is niets meer dan een „kwebbeldoos”, zegt Lamme: hij stuurt onze besluiten niet, maar ‘becommentarieert’ ze slechts achteraf. Het idee dat mensen een ‘ik’ hebben die bepaalt wat we doen is volgens Lamme dan ook een „regelrechte vergissing”: „Het ‘ik’ is een illusie, een vreemd samenstel van functies die in eerste instantie dienen voor het functioneren in een sociale omgeving.”&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Hoewel de wetenschappelijke experimenten waarop Lamme zich baseert van recente datum zijn, is de conclusie die hij eruit trekt alles behalve nieuw. Drie eeuwen voor Christus kwamen de Stoïcijnen al tot een soortgelijke conclusie. Deze Oud-Griekse filosofen hingen een zogenoemd &lt;em&gt;causaal deterministisch &lt;/em&gt;wereldbeeld aan: zij geloofden dat de wereld en de kosmos één groot samenhangend geheel vormden waarin iedere gebeurtenis werd voorafgegaan door een oorzaak.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Daaronder vielen dus ook onze handelingen: het menselijke bestaan werd volledig bepaald door oorzakelijke wetmatigheden. Deze visie bracht de Stoïcijnen in filosofisch conflict met hun eigen ethische theorie, waarin ze de mens wél autonomie toedichtten en hem opriepen een deugdzaam leven te leiden – hetgeen onmogelijk lijkt in een gedetermineerd universum.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Deze vorm van determinisme lijkt sterk op het biologische determinisme van Libet en Lamme. Ook zij gaan ervan uit dat de mens bepaald wordt door oorzaken buiten zijn controle om. In het Stoïcijnse wereldbeeld ontbrak echter de neurologische component – het was de alomvattende kosmos waarin de loop van de geschiedenis reeds lag voorbestemd. Wat dat betreft toont de huidige wetenschappelijke kijk op het menselijke handelen veel meer gelijkenis met de visie van de Britse denker Thomas Hobbes (1588-1679).&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Hij stelde als eerste denker in de westerse traditie dat ons handelen volledig werd bepaald door fysieke driften (begeerte en aversie), die geen ruimte lieten voor vrije wilsbesluiten. Beslissingen waren voor hem niets meer dan het noodzakelijke gevolg van de verlangens die hen hadden veroorzaakt. Toch liet hij wel enige ruimte voor het begrip vrijheid: de mens was ‘vrij’ voor zover zijn handelingen &lt;em&gt;in overeenstemming &lt;/em&gt;waren met zijn verlangens. Vrijheid was voor Hobbes dus een vorm van vrijwilligheid: zolang iemand niet gedwongen werd te doen wat hij niet verlangde, was er sprake van ‘vrije wil’. Maar over de verlangens zelf hij had geen zeggenschap – analoog aan de spontane hersenimpulsen van Libet en Lamme.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Juist dát uitgangspunt staat haaks op de theorie van Verlichtingsdenker Immanuel Kant (1724-1804), die – samen met de rationalist René Descartes (1596-1650) – als een van de meest invloedrijke verdedigers van de vrije wil kan worden beschouwd. Volgens Kant was de mens namelijk wel in staat om zijn driften en verlangens te beteugelen, omdat hij beschikte over een rationele faculteit.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Een roker kan bijvoorbeeld – onder andere door het effect dat nicotine heeft op de hersenen – een enorme aandrang voelen om een sigaret op te steken, maar tóch besluiten om dat niet te doen. In de Kantiaanse theorie wordt de vrije wil dan ook opgevat als een causa sui – oftewel: een oorzaak van zichzelf. Zoals Kant het formuleerde: „De wil is vrij voor zover hij zichzelf de wet kan opleggen.” Niet de aandrang, maar de wil bepaalt dus uiteindelijk wat hij ‘wil’.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Dit plaatje lijkt nu door de neurowetenschap definitief achterhaald verklaard. Onderzoek laat immers zien dat de wil helemaal geen causa sui is, maar wordt aangestuurd door voorafgaande en oncontroleerbare neurologische processen. Toch is er, in filosofische zin, wel een bezwaar tegen deze conclusie aan te voeren. Dat de vrije wil niet bestaat, is namelijk een conclusie die al in de wetenschappelijke benadering van het probleem &lt;em&gt;besloten&lt;/em&gt; zit. Ten grondslag aan de empirische wetenschap – de quantummechanica uitgezonderd – liggen immers drie fundamentele denkcategorieën: tijd, ruimte en causaliteit.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Dat betekent dat een wetenschapper ieder object van onderzoek per definitie plaatst in een tijdspanne, een locatie en een oorzakelijk verband. Op die manier verklaart hij de ‘oorsprong’ van een bepaald fenomeen of een bepaalde gebeurtenis. Met andere woorden: de empirische wetenschap is gebaseerd op het causale determinisme dat de vrije wil ontkracht. De premisse is immers dat ieder fenomeen Y op tijdstip T2 een oorzaak X op tijdstip T1 heeft. De conclusie dat iets ‘oorzaak van zichzelf’ is, is dus bij voorbaat uitgesloten: zoiets valt empirisch niet aan te tonen.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Zodra neurowetenschappers zoals Libet en Lamme de menselijke wil dus tot object van onderzoek maken – en daarmee automatisch plaatsen in een tijd (de neurologische impuls vindt 200 milliseconden eerder plaats dan de handeling), een ruimte (de hersenen) en een causaal verband (de impuls gaat vooraf aan de beslissing) – kunnen zij niet anders dan concluderen dat de wil van buitenaf gedetermineerd en dus niet ‘vrij’ is. Zou een verband tussen de externe oorzaak X (de hersenimpuls) en de gebeurtenis Y (het wilsbesluit) zijn uitgebleven, dan zou hun conclusie ook niet zijn dat de wil vrij is, maar eerder dat het onderzoek niks heeft uitgewezen.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Het voorgaande wil overigens niet zeggen dat de wetenschappelijke benadering ‘foutief’ of ‘onwaar’ is, maar wel dat ze bij voorbaat de stelling uitsluit die men zegt te onderzoeken. Daarom stelt Lamme ook dat „onverwacht gedrag” van mensen niet wijst op het bestaan van een vrije wil, maar eerder op een „falen van de voorspelmodule”: zouden we in staat zijn om „de volledige geschiedenis van een brein” in kaart te brengen, dan zouden we volgens Lamme daarmee alle eruit voortvloeiende gedragingen kunnen voorspellen. Ergo: wilsvrijheid kent geen plaats in het causale determinisme waarop het wetenschappelijke model van de wereld is gebaseerd.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Deze zienswijze is allerminst onzinnig, maar het problematische blijft dat onze alledaagse ervaring anders leert: ieder mens &lt;em&gt;ervaart&lt;/em&gt; wel degelijk een autonome ‘ik’ die meester is over de beslissingen die hij neemt. De grote vraag is dan ook op grond waarvan de neurowetenschapper tot de conclusie komt dat die ‘ik’ niet &lt;em&gt;samenvalt&lt;/em&gt; met het brein. Dat is immers de impliciete aanname die zowel Libet als Lamme hanteert wanneer zij stellen dat de neurologische impulsen in onze hersenen ‘buiten onszelf om’ plaatsvinden. Hoe bepalen ze dat?&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Je kunt immers evengoed stellen dat die processen in onze hersenen, op het moment dat ze ons bewustzijn binnendringen, onderdeel worden van de ‘ik’ die we ervaren – en dat we er daarom controle over kunnen uitoefenen. Zou die ‘ik’ inderdaad niets meer zijn dan een „illusie”, zoals Victor Lamme schrijft, dan rest hem slechts deze vervolgvraag: wie besloot dan om dat op te schrijven? Victor Lamme of ‘zijn brein’?&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;em&gt;Verschenen in nrc.next op 14 april 2010.&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;</description>
			<pubDate>Wed, 21 Apr 2010 00:17:00 +0200</pubDate>
			
			
			<guid>http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-zin-109-is-de-vrije-wil-een-illusie/</guid>
		</item>
		
		<item>
			<title>Essay Zin 108 Is elkaar uitsluiten ondemocratisch of niet?</title>
			<link>http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-zin-108-is-elkaar-uitsluiten-ondemocratisch-of-niet/</link>
			<description>&lt;p&gt;In Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Almere zijn onderhandelingen tussen de grootste partijen in de gemeenteraad inmiddels stukgelopen. De PvdA sluit de PVV en de Leefbaren uit, D66 wil niet langer in zee met de PvdA.  Daarbij valt steeds hetzelfde verwijt te beluisteren: partijen uitsluiten zou ondemocratisch zijn. Is dat zo?  Het antwoord hangt af van je visie op de aard en functie van het politieke proces.  Is politiek een voortdurende strijd om macht of een rationele zoektocht  naar samenwerking?&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;strong&gt;Is elkaar uitsluiten ondemocratisch of juist niet?&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;em&gt;Brede coalities lopen stuk op ideologische conflicten. Volgens filosofe Bonnie Honig niet per se een slecht teken&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;strong&gt;Door Rob Wijnberg&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Vandaag: is elkaar uitsluiten ondemocratisch of niet?&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Nederland mag dan een coalitieland zijn, met de collegevorming in de grote steden wil het na de gemeenteraadsverkiezingen van 3 maart nog niet echt vlotten. De kloof tussen de partijen blijkt vaak zo groot dat het een vruchtbare samenwerking onmogelijk maakt. Zo weigerde D66 in Amsterdam nog langer te onderhandelen met de PvdA, nadat deze partij – geheel tegen het principe van D66 in – eigenhandig een tijdelijk opvolger voor de naar Den Haag vertrokken burgemeester Job Cohen benoemde.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;De PvdA in Rotterdam sloot op haar beurt een samenwerking met Leefbaar Rotterdam uit vanwege onoverbrugbare verschillen in politieke stijl en opvattingen. En ook in Den Haag en Almere kwamen de grootste partijen er niet uit: de PvdA wil niet regeren met de PVV zolang die partij vasthoudt aan een hoofddoekjesverbod voor ambtenaren en het sluiten van alle islamitische scholen.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Daarbij keert steeds dezelfde vraag terug, namelijk: is het niet ondemocratisch om andere partijen op grond van programmatische verschillen uit te sluiten? Zoals wel vaker in de politiek luidt het antwoord: dat hangt er maar vanaf hoe je het bekijkt. Aan de ene kant kun je stellen dat het democratische proces erop gericht moet zijn om zo veel mogelijk recht te doen aan de wensen van zo veel mogelijk kiezers. Partijen die elkaar uitsluiten, maken dat proces onmogelijk. Aan de andere kant kun je ook stellen dat het juist bij uitstek democratisch is om niet te regeren met partijen wier politieke agenda haaks staat op de eigen opvattingen en principes. Zou een partij dat wel doen, dan verloochent die immers de eigen achterban.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Welke houding democratischer is – uitsluiten of water bij de wijn doen – hangt sterk af van je visie op de aard en functie van het politieke bedrijf. Zijn ideologische tegenstellingen en belangenconflicten inherent aan de politiek en is het dus aan politici om net zo lang te blijven vechten voor de eigen standpunten en belangen totdat er een ‘winnaar’ is? Of is de politiek er juist voor uitgevonden om ideologische tegenstellingen en belangenconflicten te beslechten door het sluiten van compromissen en het zoeken naar een onderliggende consensus?&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;De politiek in Nederland is na de ontzuiling in de jaren 60 voornamelijk gericht geweest op dat laatste. Daarmee staat ons land in een lange traditie van filosofen, waartoe onder anderen de Duitser Immanuel Kant (1724-1804) en de Amerikaan John Rawls (1921-2002) behoren. Deze denkers hielden er uiteenlopende politieke theorieën op na, maar wat ze deelden was hun geloof in een rationele basis voor de politiek.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Zij stelden dat het mogelijk was om met behulp van de rede een aantal ‘principes van rechtvaardigheid’ vast te stellen die door alle leden van een samenleving, ongeacht hun maatschappelijke positie of culturele achtergrond, zouden worden onderschreven – door Rawls ook wel de &lt;em&gt;„overlapping consensus”&lt;/em&gt; genoemd. Op grond van die consensus konden vervolgens alle andere politieke conflicten en tegenstellingen worden beslecht.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Rawls was dan ook een van de bekendste pleitbezorgers van de zogenoemde &lt;em&gt;deliberatieve democratie&lt;/em&gt;. Dat is een politieke organisatievorm waarin politiek niet zozeer wordt gezien als een machtsstrijd gedreven door belangenconflicten en tegengestelde visies op de werkelijkheid, maar eerder als een juridisch en administratief proces waarin verschillende partijen via discussie en overleg tot een gezamenlijk beleidsplan komen – vergelijkbaar met het polderen van Paars uit de jaren 90. Vanuit Rawlsiaans perspectief staat het programmatisch uitsluiten van andere partijen en het hanteren van ‘breekpunten’ in coalitieonderhandelingen dus inderdaad haaks op de functie van de democratie, namelijk het formuleren en bewaken van gemeenschappelijke waarden.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Van belang om hier op te merken is dat aan deze visie een positief mensbeeld ten grondslag ligt. Zowel Kant als Rawls zag de mens primair als een rationeel wezen dat – door zijn vermogen tot zelfreflectie – in staat was om in te zien dat samenwerking met anderen uiteindelijk in ieders voordeel zou zijn. Juist op dat punt verschillen deze denkers met tegenpolen als de Brit Thomas Hobbes (1588-1679) en de Duitser Friedrich Nietzsche (1844-1900).&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Zij bezagen de mens veeleer als een door emoties en behoeften bepaald wezen dat van nature uit was op het domineren van anderen. In hun ogen was de maatschappij om die reden &lt;em&gt;noodzakelijkerwijs&lt;/em&gt; conflictueus en hiërarchisch. Het idee dat de politiek zou kunnen uitmonden in een ‘overlapping consensus’ achtten zij daarom niet alleen hopeloos onrealistisch maar zelfs een contradictio in terminis: politiek bestond volgens hen &lt;em&gt;bij gratie van &lt;/em&gt;belangentegenstellingen en de bijbehorende machtsstrijd.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Hobbes en Nietzsche geloofden dan ook niet in de democratie als politiek systeem, maar uit de filosofische traditie waartoe zij behoren is in de 20ste eeuw wel een alternatieve visie op de democratie voortgevloeid – ook wel het &lt;em&gt;agonistisch pluralisme &lt;/em&gt;genoemd. Deze visie houdt in dat democratie niet bedoeld is om conflicten te beslechten, zoals Rawls stelde, maar juist om deze zo veel mogelijk ruimte te bieden in het publieke domein.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Agonisten, zoals de Belgische politicologe Chantal Mouffe (1943) en de Amerikaanse filosofe Bonnie Honig (1960), zijn namelijk sceptisch over het vermogen van de politiek om ideologische en economische tegenstellingen in de samenleving op te heffen. De politiek, stellen zij, moet vooral een platform zijn waar mensen hun onoverbrugbare verschillen tot uitdrukking kunnen brengen. Zij zien het politieke debat niet als een ‘rationeel proces’ dat uitmondt in gemeenschappelijke oplossingen, maar als een „permanent voortdurende strijd” tussen verschillende denkwijzen. De term ‘agonisme’ is dan ook afgeleid van het oud-Griekse woord &lt;em&gt;agon&lt;/em&gt;, dat ‘strijd’ of ‘tegenstand’ betekende.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Vanuit agonistisch perspectief zijn partijen die elkaar principieel uitsluiten en ‘breekpunten’ opwerpen in onderhandelingen dus niet ondemocratisch. Integendeel, in een goed functionerende democratie is dat juist hun taak: om uit naam van de belangengroepen die zij vertegenwoordigen de strijd aan te gaan met de ‘antagonisten’ – de leden van de tegenpartij. Dat wil niet zeggen dat agonisten politieke samenwerking onwenselijk of zelfs onmogelijk achten, maar eerder dat zij de strijd die daarmee gepaard gaat als onvermijdelijk en intrinsiek waardevol zien. Of zoals Bonnie Honig het formuleerde: „Het bevestigen van de oneindigheid van politieke strijd is niet hetzelfde als het bejubelen van een wereld zonder stabiliteit; het betekent slechts de erkenning van die strijd als legitiem binnen de orde van een democratisch proces.”&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Zo bekeken duiden de moeizame coalitieonderhandelingen in de grote steden dus niet op een ‘crisis’ van het democratische bestel, zoals oud-voorzitter van het CDA Marnix van Rij onlangs in deze krant suggereerde, maar eerder op de vitaliteit ervan. Meer dan in de jaren 90 valt er weer echt iets te kiezen in de Nederlandse politiek. Wie op de PVV of Leefbaar Rotterdam stemt, stemt indirect ook tegen de PvdA of D66 – en vice versa. Dat zij niet tot overeenstemming kunnen komen in de collegeonderhandelingen, bewijst slechts de waarde van die stem, zou een agonist hebben gezegd.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Er is nu bovendien een podium ontstaan voor politieke opvattingen die twintig jaar geleden nog zouden zijn doodgezwegen door de gevestigde orde. Anders dan bijvoorbeeld de Centrum Democraten van Hans Janmaat krijgen Leefbaar Rotterdam en de PVV nu wél alle ruimte om hun opvattingen wereldkundig te maken en zo de strijd aan te gaan met de zittende machten. Het bewaken van die ruimte is waar het democratische gehalte van een samenleving volgens Bonnie Honig door wordt bepaald – niet door de vraag of partijen ook daadwerkelijk tot een compromis kunnen komen. In die zin is de rechtszaak die tegen Geert Wilders is aangespannen een veel grotere bedreiging van de democratie dan de stukgelopen onderhandelingen in Almere en Den Haag. Laat de PvdA en D66 zich daar eens tegen uitspreken.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;em&gt;Verschenen in nrc.next op 7 april 2010.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;</description>
			<pubDate>Wed, 07 Apr 2010 12:10:00 +0200</pubDate>
			
			
			<guid>http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-zin-108-is-elkaar-uitsluiten-ondemocratisch-of-niet/</guid>
		</item>
		
		<item>
			<title>Essay Zin 107 Wat hebben Republikeinen toch tegen het socialisme?</title>
			<link>http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-zin-107-wat-hebben-republikeinen-toch-tegen-het-socialisme/</link>
			<description>&lt;p&gt;Het was een historische overwinning van de Democraten: na honderd jaar proberen is het ze gelukt om van het hebben van een zorgverzekering een recht te maken, in plaats van een voorrecht.  Maar zonder slag of stoot is dat niet gegaan: de oppositie van de Republikeinen was ongekend heftig.  Ze deden het plan van president Obama af als 'socialisme' en noemden de verzekeringsplicht 'ongrondwettelijk'.  Zelfs nu nog proberen ze de zorgwet terug te draaien.  Voor een Europeaan onbegrijpelijk, maar wie de Republikeinse definitie van vrijheid kent, ziet er de logica opeens van in.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;strong&gt;Zorg als de tirannie van de zwakken&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;em&gt;Waarom Republikeinen in Amerika zo’n weerzin koesteren tegen het socialisme&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;strong&gt;Door Rob Wijnberg&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Vandaag: collectieve zorg als inbreuk op de autonomie.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Amerikanen hebben er sinds vorige week een recht bij gekregen: het recht op een zorgverzekering. De nieuwe zorgwet, die met een nipte meerderheid door het Amerikaanse Congres werd aangenomen, verbiedt het zorgverzekeraars voortaan klanten te weigeren – op straffe van een boete van honderd dollar per dag. Daarmee is president Obama gelukt wat zeven Democratische voorgangers de afgelopen honderd jaar niet voor elkaar kregen: de ziekenzorg voor alle Amerikanen toegankelijk maken. The New York Times betitelde de overwinning van de Democraten dan ook als „een prestatie van historische omvang”.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Door een internationale bril bekeken ziet de zorgwet er echter veel minder baanbrekend uit. De Verenigde Staten zijn het laatste geïndustrialiseerde land in de wereld dat het recht op een ziektekostenverzekering wettelijk vastlegt. In alle andere rijke westerse landen bestaat dat recht al jaren. Bovendien krijgt Amerika nog steeds geen publieke zorgverzekering, zoals in veel Europese landen.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Zorgverzekeraars blijven dus commerciële ondernemingen, gedreven door de logica van de markt: ze mogen weliswaar geen klanten weigeren, maar zullen er alles aan blijven doen zo min mogelijk vergoedingen uit te keren. Critici voorspellen dan ook dat ze de boete voor het ontzeggen van een verzekering gewoon voor lief zullen nemen als iemands medische zorg duurder uitvalt dan honderd dollar per dag. Voor veel chronisch of ernstig zieke patiënten is dat zeker het geval.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Dat de zorg volledig aan marktwerking onderhevig blijft, is te danken aan de Republikeinen, die alles uit de kast hebben gehaald om een fundamentele hervorming van het Amerikaanse zorgstelsel te blokkeren. Ondanks de nieuwe wet zijn ze daar voor een belangrijk deel in geslaagd. Oorspronkelijk pleitte president Obama ervoor om een door de overheid gefinancierd ziekenfonds op te richten waarmee commerciële verzekeraars konden worden beconcurreert, maar van dat voornemen is door hevige oppositie niets overgebleven.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;De Republikeinen bestempelden het plan als een ongrondwettelijke inbreuk op de persoonlijke vrijheid van burgers en waarschuwden voor een socialistische heilstaat waarin de overheid zou bepalen wie recht had op zorg en wie niet. Er werden zelfs geruchten verspreid dat de overheid ouderen zou dwingen tot euthanasie.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Voor een Europeaan die het vanzelfsprekend vindt dat de overheid aan zijn doktersrekeningen meebetaalt, is het hysterische verzet van de Republikeinse partij onbegrijpelijk. Waarom zou een collectieve zorgverzekering – of zoals nu het geval is: een verzekeringsplicht – een inbreuk zijn op de autonomie van burgers? En waarom heeft het socialisme, dat in Europa toch een gangbare politieke stroming is, in Republikeinse kringen een dusdanig negatieve connotatie dat het zonder pardon ‘fascistisch’ wordt genoemd? Weinig Europese kranten hebben zich de moeite getroost die vragen überhaupt te stellen en dat is ergens wel begrijpelijk: de kritiek van de Republikeinen leek soms eerder geveinsd dan gemeend, uitsluitend bedoeld om de Democraten te saboteren.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Maar voor zover de bezwaren oprecht waren, zijn ze wel terug te voeren op de Republikeinse filosofie. Het republicanisme is er namelijk van oudsher altijd op gericht geweest om de invloed van de staat zoveel mogelijk te beperken ten gunste van de individuele burger. Denkers in deze traditie, zoals de Fransman Charles de Montesquieu (1689-1755) en de Brit John Milton (1608-1674), benadrukten daarom altijd het belang van een grondwet waarmee de invloed van overheden kon worden begrensd; van periodieke verkiezingen waarmee machthebbers op hun daden konden worden afgerekend en van een strikte scheiding der machten.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Ten grondslag aan deze ideeën ligt een specifieke opvatting van vrijheid, die het beste begrepen kan worden middels het beroemde onderscheid dat de Britse denker Isaiah Berlin (1909-1997) ooit maakte tussen positieve vrijheid (vrij zijn om) en negatieve vrijheid (vrij zijn van). Het republicanisme behelst voornamelijk een negatieve conceptie van vrijheid, namelijk: de vrijheid van overheersing en inmenging door derden.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;In de republikeinse zin van het woord hoeft een mens dus niks te doen, te worden of te kunnen om vrij te zijn; als iemand gevrijwaard is van bemoeienis of afhankelijkheid van anderen is dat voldoende. Voor Republikeinen betekent vrijheid dus niet zozeer de aanwezigheid van mogelijkheden, maar eerder de afwezigheid van dwang.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Om die reden beschouwen ze een verzekeringsplicht als een grove inbreuk op de autonomie; de staat dwingt alle burgers immers tot een keuze. Dat 32 miljoen Amerikanen die keuze überhaupt niet hadden, omdat ze zich geen verzekering konden veroorloven of omdat de verzekeraar hen weigerde als klant, is voor een Republikein van ondergeschikt belang: het gaat niet om de aanwezigheid van mogelijkheden, maar om de afwezigheid van dwang. Daarin verschillen de Democraten fundamenteel van denkwijze. Zij hebben een positieve opvatting van vrijheid en vinden daarom dat de autonomie van burgers juist toeneemt als de overheid ze aan een verzekering helpt.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Het cruciale verschil is hier dat aan positieve vrijheid een idee ten grondslag ligt van wat het betekent om een ‘goed leven’ te leiden en aan negatieve vrijheid niet. Dat wil zeggen, voor een Democraat is een mens vrij voor zover hij een bepaald soort leven kan leiden; voor een Republikein is een mens vrij voor zover hij een zelfgekozen leven leidt. Of, om het in politieke termen samen te vatten: een Democraat vindt dat de overheid de mens niet aan zijn lot mag overlaten, terwijl een Republikein vindt dat de overheid zich niet met dat lot te bemoeien heeft.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Beide wereldbeelden hebben, in hun uiterste consequentie doorgevoerd, een keerzijde. Het probleem van het republicanisme is dat zwakkere individuen niet opgewassen zijn tegen grotere maatschappelijke krachten, zoals rijke verzekeringsmaatschappijen. Zonder hulp van de overheid kunnen zij dus niet werkelijk vrij zijn in hun keuzes. Democraten betichten hun tegenstrevers daarom van ‘anarchisme voor de rijken’: in een republikeinse wereld is alleen de bovenklasse autonoom.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Daartegenover stellen de Republikeinen dat een interveniërende overheid zélf ook een krachtenveld is waar juist het sterkere individu machteloos tegenover staat. Om 32 miljoen onverzekerde burgers te ‘helpen’, verplicht de staat nu alle Amerikanen een polis te kopen. De Republikeinen beschuldigen hun opponenten om die reden van ‘tirannie van de zwakken’: in een democratische wereld is het lot van de onderklasse de norm.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Hieruit vloeit ook hun diepgewortelde weerzin tegen het socialisme voort. Republikeinen beschouwen het socialisme als een systeem waarin de overheid rijkdom en prestaties bestraft en armoede en hulpeloosheid beloont, uit naam van een pervers gelijkheidsideaal. Daarmee wordt de samenleving als geheel verzwakt, stellen zij. Niet voor niets is het kapitalistische Amerika een supermacht en het socialistische Europa niet.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Deze kritiek delen ze met de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche (1844-1900), die het socialisme zag als een rampzalige ‘filosofie van de kudde’ waarmee mensen tot hulpeloze slachtoffers werden gebombardeerd door ze voor te houden dat ze alleen tot iets in staat waren als ze zich organiseerden in een collectief (‘Yes we can’) in plaats van door persoonlijke verantwoordelijkheid te nemen over hun eigen leven.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;De ironie is echter dat Nietzsche de oorsprong van deze denkwijze herleidt tot de religie die de meeste Republikeinen aanhangen, namelijk: het christendom. Het christendom introduceerde immers het gelijkheidsdenken in het Westen door te stellen dat ieder mens ‘gelijk is in het aanzien van Gods’ en combineerde dat met het idee dat medelijden met de zwakken een deugd is. Juist uit die combinatie kwam het socialisme voort, aldus Nietzsche. In zijn ogen zou een ‘christelijke Republikein’ dus een contradictio in terminis zijn: iemand die óf zijn eigen religie niet begrijpt, óf bij de verkeerde partij zit.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Diezelfde paradoxale houding hebben de Republikeinen volgens critici ook ten aanzien van de overheid. Want, aan de ene kant spreken ze van te veel overheidsbemoeienis als het gaat om publieke gezondheidszorg (‘no government run healthcare’), maar tegelijkertijd zijn ze wél voor het hebben van een groot leger. En terwijl ze een verzekeringsplicht afschilderen als een inbreuk op de vrijheid, zien ze de dienstplicht juist als een teken van vrijheidlievend patriottisme.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;In de ogen van de Democraten is dat hypocriet, maar voor Republikeinen is het volstrekt logisch: het leger beschermt namelijk het soort vrijheid waar zij voor staan (vrijheid van buitenlandse overheersing) en de gezondheidszorg niet. Toch kun je je afvragen hoe steekhoudend die denkwijze is. Want, wie ziek is en zijn medicijnen niet kan betalen, is ook niet in staat om in het leger te dienen. Daarom hebben militairen volgens de Republikeinen wél recht op toegankelijke gezondheidszorg. Beter kun je de ironie niet samenvatten.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;em&gt;Verschenen in nrc.next op 31 maart 2010.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;</description>
			<pubDate>Wed, 31 Mar 2010 12:21:00 +0200</pubDate>
			
			
			<guid>http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-zin-107-wat-hebben-republikeinen-toch-tegen-het-socialisme/</guid>
		</item>
		
		<item>
			<title>Essay Zin 106 Is Job Cohen echt een multicultiknuffelaar?</title>
			<link>http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-zin-106-is-job-cohen-echt-een-multicultiknuffelaar/</link>
			<description>&lt;p&gt;Multicultiknuffelaar. Zo wordt Job Cohen steeds genoemd sinds PVV-leider Wilders hem die stempel gaf. Slim, want daarmee wordt de aanstaande PvdA-leider vereenzelvigd met het multiculturalisme uit de jaren 90 - een politieke ideologie die inmiddels door velen wordt verfoeid. Maar is Job Cohen eigenlijk wel een multiculturalist? Om die vraag te kunnen beantwoorden, moeten we eerst weten wat het multiculturalisme eigenlijk precies inhoudt.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;strong&gt;Wie is er eigenlijk nog multicultiknuffelaar?&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Job Cohen wordt vereenzelvigd met het multiculturalisme uit de jaren 90. Maar wie hangt die filosofie nog aan&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;strong&gt;Door Rob Wijnberg&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Vandaag: de betekenis van multiculturalisme.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Theedrinkende multicultiknuffelaar. Overal waar de naam Job Cohen nu wordt genoemd, valt ook wel ergens de geuzennaam die Geert Wilders hem heeft gegeven. Soms als grap, maar even vaak zoals het bedoeld is: als ondubbelzinnige diskwalificatie van de oud-burgemeester en zijn partij. Aan de effectiviteit van dergelijke politieke brandmerken hoeft niet te worden getwijfeld. In een door oneliners gedomineerd debat beklijft het negatieve stempel van een tegenstander al gauw: iedereen kent Maxime Verhagen inmiddels als ‘rat’, Harry van Bommel als ‘womanizer’ of Wouter Bos als ‘draaier’. Agnes Kant ging uiteindelijk zelfs ten onder aan haar imago als ‘boze tante’.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Met de term ‘multicultiknuffelaar’ wordt nu ook Job Cohen op behendige wijze gereduceerd tot soundbite en vereenzelvigd met het multiculturalisme uit de jaren 90 – een politiek die door velen geassocieerd wordt met slap gedoogbeleid, tolerantie van verwerpelijke opvattingen en ontkenning van de superioriteit van westerse waarden. Nu is Cohen, in vergelijking met Wilders, onmiskenbaar een zachtmoedig politicus – zeker als het gaat om de integratieproblematiek. Zo benadrukte hij vlak na de aanslagen van 11 september dat integratie van immigranten van twee kanten moet komen: niet alleen aanpassing aan ons, maar ook acceptatie van hen is vereist, zei Cohen. Bovendien ziet de oud-burgemeester – ook al is hij zelf seculier – daarin een belangrijke rol weggelegd voor religie, waar volgens hem een „bindende kracht” van uitgaat.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Maar de grote vraag blijft: is Cohen, zoals Wilders beweert, een multiculturalist? Om die vraag te kunnen beantwoorden, moet eerst duidelijk zijn wat het multiculturalisme precies inhoudt. Zoals voor ieder ‘isme’ geldt ook voor het multiculturalisme dat een eenduidige definitie moeilijk te geven is. Daarvoor bestaan er simpelweg te veel verschillende varianten en interpretaties van, ook al is het nog een betrekkelijk jonge politieke ideologie. Niettemin zijn er wel twee basisbeginselen te onderscheiden die aan alle vormen van multiculturalisme ten grondslag liggen, schrijft de Canadese filosoof Wil Kymlicka in Multicultural Odyssee (2007), een standaardwerk op dit gebied.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Het eerste en belangrijkste uitgangspunt is de afwijzing van het idee dat er een homogene natie bestaat die toebehoort aan een dominante etnische of culturele bevolkingsgroep, aldus Kymlicka. Geen enkele natiestaat in de wereld is ooit daadwerkelijk monocultureel geweest – op IJsland, Portugal en Noord- en Zuid-Korea als bekendste uitzonderingen na. Toch was het tot de jaren vijftig vrijwel overal gemeengoed om ter bevordering van de sociale cohesie het land als etnische en culturele eenheid voor te spiegelen en de nationale taal, identiteit, geschiedenis, cultuur en religie als norm voor alle inwoners te stellen.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Vanaf de jaren vijftig kwam daar echter langzaam maar zeker verandering in. De Tweede Wereldoorlog had het nationalisme ernstig in diskrediet gebracht: denken in termen van een homogene natie bleek niet bevorderlijk maar juist een groot gevaar voor de sociale cohesie. Uit oogpunt van veiligheid werd daarom een begin gemaakt met de Europese integratie, waardoor de relevantie van landsgrenzen afnam en de immigratie juist sterk groeide. Bovendien eisten culturele en etnische minderheden officiële erkenning van hun afwijkende groepsidentiteit om marginalisering te voorkomen.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Hierdoor ontstond, naast de afwijzing van een homogene natie, het tweede essentiële uitgangspunt van het multiculturalisme: de toekenning van specifieke groepsrechten aan minderheden. De visie op hoe sociale cohesie tot stand moest worden gebracht, was namelijk omgedraaid: aanpassing aan een dominante meerderheid werd vervangen door het bevorderen van gemeenschapszin onder minderheden onderling.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Zo ontstond het idee van het tegenwoordig als paradoxaal beschouwde ‘integratie met behoud van eigen cultuur’: het in stand houden van diversiteit werd niet langer als bedreiging maar juist als voorwaarde voor sociale samenhang beschouwd en dus actief door de overheid aangemoedigd. Zo kwamen er uitzonderingsregels voor minderheden op het gebied van omgangsvormen, kledingsvoorschriften en feestdagen en werden er subsidies ingesteld ter ondersteuning van het behoud van de eigen etnische of religieuze identiteit.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Het multiculturalisme kan, kortom, worden samengevat als een politieke ideologie die een actieve bevordering van culturele diversiteit voorstaat door middel van de toekenning van verschillende rechten aan verschillende minderheden zonder daarbij een dominante nationale cultuur als leidend te beschouwen. Uitgaande van deze definitie moet de conclusie wel luiden dat Job Cohen geen multiculturalist is. Sterker nog, in deze zin is nagenoeg geen enkele politicus of partij in Nederland tegenwoordig nog aanhanger van het multiculturalisme – op misschien een enkeling in de fracties van GroenLinks en D66 na.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;De meeste partijen zijn sinds 2001 namelijk grotendeels of volledig afgestapt van het principe van integratie met behoud van eigen cultuur. Geen enkele partij is nog officieel pleitbezorger van verschillende groepsrechten voor verschillende minderheden en nagenoeg allemaal zijn ze nu in meer of mindere mate voorstander van aanpassing aan een aantal nationale kernwaarden met bijbehorende omgangsvormen. Verschil in opvatting bestaat eigenlijk alleen over de manier waarop dat het beste kan worden bewerkstelligd, maar culturele diversiteit als voorwaarde voor sociale cohesie – zoals het multiculturalisme van oudsher predikte – wordt door niemand meer als uitgangspunt gehanteerd. Integendeel, te veel culturele diversiteit wordt van links tot rechts erkend als een voorname bron van sociale spanningen en wantrouwen.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Job Cohen is hierop geen uitzondering. Ook hij beschouwt de westerse waarden, zoals autonomie van het individu, gelijkwaardigheid van man en vrouw en de democratische rechtsstaat als normatief: die waarden moeten via een dialoog aan allochtonen worden overgebracht, stelde hij in zijn Abel Herzberg-lezing eind 2001. In diezelfde lezing – en vele toespraken daarna – sprak Cohen zich ook expliciet uit tegen de gedoogcultuur die had geleid tot een ‘alles-moet-kunnen-mentaliteit’. Goedkeuring van intolerante tradities „omdat het in hun cultuur gebruikelijk is”, was wat Cohen betreft dan ook niet aan de orde. De PvdA, waarvan Cohen straks partijleider is, heeft bovendien verplichte taal- en inburgeringscursussen opgenomen in het partijprogramma.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Al deze standpunten – westerse waarden als norm, geen gedoogbeleid en verplichte inburgering – zijn stuk voor stuk niet te rijmen met het multiculturalisme uit de vorige eeuw.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Waarom spreekt Geert Wilders dan toch van een ‘multicultiknuffelaar’? De reden daarvoor is waarschijnlijk dat de PVV, anders dan de PvdA, streeft naar het tot stand brengen van een monocultuur door het sluiten van de grenzen, het aanmoedigen van vrijwillige remigratie en het verplichten van volledige assimilatie. Daarin staat de PVV helemaal alleen. Alle andere partijen beschouwen culturele diversiteit op zichzelf namelijk als onvermijdelijk: Nederland kent nu eenmaal vele nationaliteiten, religies en wereldbeelden en dat zal altijd zo blijven. Hoewel deze verschillen niet langer actief worden aangemoedigd, zoals vroeger, wordt ook niet geprobeerd ze volledig op te heffen.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;In die zin hangen de meeste partijen, van de SP tot de VVD, dus wel een bepaald soort multiculturalisme aan – ook wel het ‘universalistische multiculturalisme’ genoemd. Anders dan het pluralistische multiculturalisme uit de vorige eeuw, waarin specifieke groepsrechten gebaseerd op culturele verschillen centraal stonden, beroept de universalistische variant zich juist op algemeen geldende mensenrechten. Deze rechten – waaronder vrijheid, gelijkwaardigheid en autonomie – staan in theoretische zin boven culturele rechten en tolereren in die zin dus geen onderscheid tussen verschillende groepen. Maar vertaald naar de praktijk laten ze wel ruimte voor culturele verschillen.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Dat is logisch, want als die verschillen er niet zouden zijn, waarom zou men dan überhaupt vrijheid, gelijkwaardigheid en autonomie als kernwaarden huldigen? Zonder culturele diversiteit worden die waarden een lege huls: de mens is dan vrij te denken en te doen zoals ieder ander. Van vrijheid en autonomie is dan in feite geen sprake. Of, zoals Cohen het ooit formuleerde: „Juist voor onze samenleving is het moeilijk om andere normen en waarden niet te tolereren. Want door die niet te tolereren, loop je het risico je eigen normen en waarden onderuit te halen.” Als die conclusie hem een ‘multicultiknuffelaar’ maakt, lijkt me dat alles behalve een diskwalificatie.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;em&gt;Verschenen in nrc.next op 24 maart 2010.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;</description>
			<pubDate>Wed, 24 Mar 2010 10:22:00 +0100</pubDate>
			
			
			<guid>http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-zin-106-is-job-cohen-echt-een-multicultiknuffelaar/</guid>
		</item>
		
		<item>
			<title>Essay Zin 105 Hoe Papadag belangrijker werd dan Prinsjesdag</title>
			<link>http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-zin-105-hoe-papadag-belangrijker-werd-dan-prinsjesdag/</link>
			<description>&lt;p&gt;Camiel Eurlings en Wouter Bos verkozen vorige week hun privéleven boven het publieke ambt van politicus.  Zestig jaar geleden zou dat nog ondenkbaar zijn geweest: een man die zijn rol als vader of echtgenoot voorrang geeft op zijn werk. Maar de stap zegt ook iets over de verhouding tussen de publieke en private sfeer. &lt;strong&gt;Tweeduizend jaar geleden werd het gezinsleven nog als volstrekt inferieur beschouwd aan het publieke domein.&lt;/strong&gt; &lt;strong&gt;Nu is het eerder andersom.&lt;/strong&gt; Het privébestaan is minstens gelijkwaardig of zelfs belangrijker dan het publieke ambt.  Daar is een lange (filosofische) geschiedenis aan voorafgegaan.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;strong&gt;Zo werd Papadag belangrijker dan Prinsjesdag&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;em&gt;Het Oude Griekenland zag het gezinsleven als inferieur aan het publieke leven. Nu is het andersom&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;strong&gt;Door Rob Wijnberg&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis. Vandaag: het publieke leven versus het gezinsleven.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Ondanks de sprong in de peilingen van de PvdA kan ook het CDA een beetje tevreden terugkijken op vorige week: het gezin blijkt inderdaad de hoeksteen van de samenleving. Een dag nadat Camiel Eurlings – vaak genoemd als potentiële opvolger van CDA-leider Jan Peter Balkenende – zijn politieke carrière inruilde voor familie en vriendin, kondigde ook PvdA-voorman Wouter Bos zijn vertrek uit Den Haag aan om meer tijd te kunnen doorbrengen met zijn vrouw en kinderen.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;In de manier waarop Bos dat deed, schuilde wel enige ironie. Zijn afscheidsspeech begon met een opsomming van de enorme problemen waarvoor de samenleving zich op dit moment ziet gesteld: de economische crisis, de werkloosheid, de vergrijzing, het tekort aan duurzame energie en de verdeeldheid langs culturele, etnische en religieuze scheidslijnen.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Die problemen, zei Bos, betekenen dat er „vooral nu behoefte is aan een politiek die de kracht van samenwerking, eenheid en solidariteit centraal stelt” – om direct daarna zijn vertrek uit diezelfde politiek juist met privébelangen te motiveren. „Als ik door zou gaan, zie ik mijn eigen kinderen niet opgroeien. Dat is het mij niet waard”, verklaarde hij. Een cynische luisteraar hoorde Bos daarmee niet alleen afscheid nemen van de politiek, maar ook van de boodschap die hij zojuist had uitgesproken.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Toch kreeg de PvdA-leider vooral begrip en zelfs lof toegezwaaid. Premier Balkenende zei de beslissing goed te begrijpen: „Het vak van politicus kan buitengewoon zwaar en intensief zijn. (…) Daardoor vraagt het veel opofferingen van je gezin.” Het vertrek van Bos en Eurlings werd door sommigen zelfs geduid als het begin van een vierde emancipatiegolf, waarin steeds meer mannen hun werk ondergeschikt maken aan hun rol als vader of partner. Op de vraag of Bos nu niet op een belangrijk moment wegloopt, antwoordde PvdA-voorzitter Mariëtte Hamer dan ook gedecideerd: „Wij zijn altijd de partij van de emancipatie geweest – van vaders die de zorg voor hun kinderen op zich nemen. Dus dat zou het laatste zijn waar wij commentaar op moeten hebben.”&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;De reacties geven aan hoezeer de rol van de man in de samenleving is veranderd. Zestig jaar geleden zou het nog praktisch ondenkbaar zijn geweest dat een man het gezinsleven boven zijn werk had gesteld – laat staan dat een politicus het vaderschap zou verkiezen boven het ministerschap. Ook dat laatste is veelzeggend. Het vertrek van Eurlings en Bos is niet alleen van emancipatoire betekenis, maar laat bovendien zien dat het privéleven niet meer als vanzelfsprekend ondergeschikt is aan het publieke belang. De rollen die iemand als privépersoon vervult – ouder, echtgenoot, vriend – worden op z’n minst als gelijkwaardig beschouwd aan het publieke ambt, of zelfs belangrijker gevonden.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Wie bekend is met het werk van de Duits-Amerikaanse filosoof Hannah Arendt (1906-1975) weet dat aan die opvatting een lange filosofische geschiedenis vooraf is gegaan. In het essay &lt;em&gt;The Public and Private Realm&lt;/em&gt; uit haar boek &lt;em&gt;The Human Condition&lt;/em&gt; (1958) zet Arendt die geschiedenis nauwgezet uiteen.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Het onderscheid tussen het publieke (‘de politiek’) en het private (‘de familie’) werd ruim 2.400 jaar geleden voor het eerst gemaakt door de Oude Grieken, ook al werd het wel heel anders begrepen dan tegenwoordig. De publieke sfeer (‘koinon’) en privésfeer (‘idion’) werden namelijk niet slechts als verschillend en gescheiden beschouwd; nee, in het Griekse denken waren ze zelfs volledig tegengesteld aan elkaar – in betekenis en waarde.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Het private was daarbij in alle opzichten inferieur aan het publieke. Dat de mens leefde in familie- of gezinsverband werd namelijk gezien als iets wat hij gemeen had met de dieren, voortkomend uit de noodzaak om te overleven. Het privédomein werd daardoor sterk geassocieerd met het ‘ondergeschikte’ en het ‘onvrije’, waar de mens slechts in verkeerde omwille van zijn onmiddellijke levensbehoeften, aldus Arendt. Het voorzien in die behoeften was dan ook uitsluitend voorbehouden aan de minderwaardigen in de maatschappij: vrouwen en slaven.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Het vermogen om politiek te bedrijven werd daarentegen juist beschouwd als dé eigenschap die het menselijke bestaan van het dierenrijk onderscheidde (Aristoteles definieerde de mens zelfs als „politiek dier”). De publieke sfeer was daarom ver boven het persoonlijke en alledaagse verheven en werd gelijkgesteld aan het ‘hogere’ en het ‘vrije’. Het gezinsleven stond als het ware in dienst van de politiek: functioneerde zij naar behoren, dan stelde dat de man in staat boven het alledaagse uit te stijgen en aan het publieke domein deel te nemen – de enige plek waar hij werkelijk vrij kon zijn. Het idee dat iemand zijn deelname aan het publieke leven zou willen verruilen voor het gezinsleven, zou dus absurd gevonden zijn – vergelijkbaar met het vrijwillig terugkeren naar een gevangenis.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Door de opkomst van het christendom verloor deze hiërarchische tegenstelling tussen publiek en privé echter haar betekenis, stelt Arendt. Familie en gezin werden in de christelijke doctrine niet als een minderwaardige, maar juist als superieure en meest natuurlijke organisatievorm van menselijke relaties beschouwd. Tot aan de Middeleeuwen verdween het idee van een publieke sfeer, waar het ‘algemene belang’ werd nagestreefd, dan ook grotendeels uit het maatschappelijk bewustzijn: samenleven beperkte zich tot de familie. Uiteindelijk groeide het gezinsverband zelfs uit tot voorbeeld waarnaar de samenleving moest worden gemodelleerd. De maatschappij werd als een spiegel van de familie beschouwd – met ‘Vadertje Staat’ aan het hoofd.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Niet alleen steeg het privédomein daardoor enorm in aanzien, ook het onderscheid tussen publiek en privaat vervaagde: het gezin was immers een gepolitiseerd begrip geworden (vandaar: ‘hoeksteen van de samenleving’). De term ‘politieke economie’ zag zo het levenslicht. Die term zou door de Oude Grieken nog als een contradictio in terminis zijn beschouwd, omdat datgene wat de mens hielp te overleven (het economische) volledig werd toegeschreven aan het private en dus niet-politieke domein. Maar door het christelijke gedachtengoed werd het private politiek: het verbeteren van het alledaagse leven werd de hoofdopdracht van de politicus, aldus Arendt. De politiek kwam dus in dienst te staan van het gezin in plaats van andersom. Zo verloor de publieke sfeer definitief haar verheven status.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;In praktische zin mag er tegenwoordig dus een grote kloof gapen tussen publiek en privé (het politiek ambt is zo veeleisend dat het nauwelijks te combineren is met een gezin), in filosofische zin is die kloof nog nooit zo klein geweest. Het algemene belang en het eigenbelang staan op gelijke voet met elkaar: er wordt niet vreemd opgekeken als een bestuurder of politiek leider ‘voor zichzelf’ kiest en meer tijd wil besteden aan ‘zijn eigen leven’. De betekenis van beide sferen is ten opzichte van tweeduizend jaar geleden dus volledig omgedraaid. Beschouwden de Oude Grieken het gezinsleven juist als opgelegde last, waaraan men moest ontsnappen om ‘vrij’ te kunnen zijn, tegenwoordig is juist het publieke ambt een drukkende verplichting waaraan men zich moet onttrekken om ‘vrij’ te kunnen zijn.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Die ommezwaai is wel begrijpelijk. Door de explosief gegroeide welvaart en de opkomst van het moderne individualisme is de kwaliteit van het privéleven de afgelopen honderd jaar namelijk zo sterk verbeterd dan ze nagenoeg onvergelijkbaar is met vroeger. Dat de Oude Grieken het publieke leven zo bejubelden, heeft zeker te maken met het feit dat het privéleven zo armoedig en zwaar was dat het nauwelijks de moeite waard leek; alleen het politieke bood de mogelijkheid tot zingeving en werd dus vereenzelvigd met ‘het goede leven’. Met de hedendaagse levensstandaard is dat idee achterhaald geraakt.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;De vraag is alleen of het niet té achterhaald is geworden. Want waarom zouden burgers zich solidair verklaren met de samenleving en zich betrokken voelen bij de publieke zaak als zelfs de politici die hen daartoe oproepen voorrang geven aan hun eigen leven?&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;In de keuze van Wouter Bos en het begrip dat ervoor getoond werd, toont zich de paradox van de vooruitgang die onze samenleving heeft geboekt: het privébestaan is inmiddels zo veilig, comfortabel en welvarend geworden dat toewijding aan het publieke goed al snel als een te groot offer wordt gezien. Wie dat de Oude Grieken had verteld, was nooit geloofd.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;em&gt;Verschenen in nrc.next op 17 maart 2010.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;</description>
			<pubDate>Wed, 17 Mar 2010 12:53:00 +0100</pubDate>
			
			
			<guid>http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-zin-105-hoe-papadag-belangrijker-werd-dan-prinsjesdag/</guid>
		</item>
		
		<item>
			<title>Essay Zin 104 Weg met de status quo! De opkomst van het populisme</title>
			<link>http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-zin-104-weg-met-de-status-quo-de-opkomst-van-het-populisme/</link>
			<description>&lt;p&gt;In heel Europa lijden grote gevestigde partijen flinke verliezen; steeds meer kiezers geven hun stem aan partijen die zich afkeren van de status quo.  Deze partijen, vaak Volkspartijen genoemd, staan net als de PVV in Nederland te boek als populistisch.  &lt;strong&gt;Maar wat is het populisme eigenlijk?&lt;/strong&gt;  Maarten van Rossem omschrijft populisme als &quot;het onkruid dat groeit in de kloof tussen de belofte en de werkelijkheid van de democratie&quot;.  Een poetische omschrijving, die aangeeft dat populisme vaak gepaard gaat met aversie jegens de gevestigde orde.  Maar populisme is meer dan dat.  Een nadere verkeninng verklaart waarom het populisme tegenwoordig overal in het Westen zo in opkomst is.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;strong&gt;Politiek als wedstrijd tussen status quo en uitdagers&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;em&gt;Van Almere tot Zürich is het populisme in opkomst. De gevestigde orde kan niet veel meer dan brandjes blussen&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;strong&gt;Door Rob Wijnberg&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis. Vandaag: wat is populisme eigenlijk?&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;„We gaan de gevestigde politiek helemaal gek maken!” Gejuich klinkt op uit de zaal wanneer Sietse Fritsma zijn gehoor deze belofte doet. De PVV-lijsttrekker voelde haarfijn aan waarom veel burgers in Den Haag en Almere tijdens de gemeenteraadsverkiezingen op de PVV stemden: uit onvrede met de zittende machten.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Peilingen en interviews brachten steevast hetzelfde beeld naar voren. Ontevredenheid over de politieke status quo deed de kiezer uit protest naar de stembus gaan. „De mensen zijn het zat”, verklaarde een PVV-stemmer op het NOS Journaal zijn keuze, om zich daarna te beklagen over bestuurders die elkaar baantjes toeschuiven en politici die voortdurend loze beloften doen.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Deze afkeer van de gevestigde orde beperkt zich niet slechts tot Almere en Den Haag. In landelijke peilingen is de PVV inmiddels de grootste of tweede partij van Nederland en ook in de rest van West-Europa zijn partijen die zich afzetten tegen de traditionele machthebbers sterk in opkomst.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;In Oostenrijk bijvoorbeeld verloren de sociaal-democraten en christen-democraten in 2008 meer dan 14 procent van de stemmen aan de Oostenrijkse Vrijheidspartij en de Lijst Jörg Haider, die samen goed bleken voor een kwart van de zetels. In Zwitserland boekte de Zwitserse Volkspartij in 2007 een grote overwinning met een campagne tegen het nationale en Europese establishment. En ook in Denemarken is de Deense Volkspartij, die zich profileert met scherpe nationalistische standpunten, in tien jaar bijna verdubbeld in omvang – tot 14 procent van de stemmen.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Deze partijen worden in berichten en analyses steevast als populistisch aangeduid, alhoewel zij zichzelf nooit zo noemen. De term ‘populisme’ heeft immers een overwegend negatieve connotatie die in eerste aanleg vooral associaties oproept met het bezigen van goedkope retoriek om ‘het volk’ naar de mond te praten. Maar wat betekent populisme eigenlijk precies?&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;In zijn kortgeleden verschenen pamflet &lt;em&gt;Waarom is de burger boos?&lt;/em&gt; omschrijft historicus Maarten van Rossem het populisme op tamelijk poëtische wijze als „het onkruid dat groeit in de kloof tussen de belofte en de werkelijkheid van de democratie”. Daarmee raakt Van Rossem aan een wezenskenmerk van het populisme, namelijk dat zij zich meestal manifesteert als een diepe teleurstelling in het bestaande politieke bestel.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Een preciezere formulering treffen we echter in het boek &lt;em&gt;Twenty-First Century Populism&lt;/em&gt; (2008) van de politicologen Daniele Albertazzi en Duncan McDonnell. Zij definiëren populisme als „een ideologie die een deugdzaam en homogeen volk plaatst tegenover een elite of gevaarlijke ‘ander’, die ervan wordt beticht het soevereine volk zijn rechten, waarden, welzijn, identiteit en stem te willen ontzeggen”.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;De belangrijkste aanname daarachter luidt dat de wil van ‘het volk’ eenduidig, kenbaar en goed is en dat deze volledig wordt verwoord door een charismatische leider. Zodoende kan het populisme zich presenteren als een „zuivere vorm van democratie die erop gericht is de volkssoevereiniteit terug te winnen van een professionele politieke klasse op regionaal, nationaal of supranationaal niveau”, aldus Albertazzi en McDonnell.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;De populistische ideologie, die gedeeld wordt door alle bovengenoemde partijen, kent vele verschijningsvormen. Niettemin zijn er volgens de Franse politiek filosoof Pierre-André Taguieff (1946) twee hoofdstromingen te onderscheiden.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Aan de ene kant is er het zogenoemde ‘protestaire populisme’, waarin het volk voornamelijk als slachtoffer van een bestuurlijke elite wordt voorgesteld. Dergelijk populisme gaat vaak gepaard met kritiek op formele instituties zoals het parlement en de rechterlijke macht, die te ver van de ‘gewone man’ af zouden staan – en beroept zich graag op vormen van directe democratie, zoals referenda en peilingen (‘het volk heeft gesproken’).&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Aan de andere kant staat het ‘identitaire populisme’, waarin het volk meer wordt voorgesteld als een slachtoffer van een vijand van buiten – doorgaans immigranten. Dit soort populisme, prominent in Italië, Frankrijk en Nederland, kenmerkt zich door nationalistische sentimenten en een sterke nadruk op een homogene culturele identiteit met bijbehorende tradities en gewoonten. Een mengvorm van beide stromingen komt tegenwoordig overigens het vaakst voor, constateert Taguieff – zo ook bij de PVV.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Of een partij zich nu richt op vijanden van binnen (bureaucraten, rechters, journalisten) of vijanden van buiten (immigranten, vijandelijke naties, multinationals), kenmerkend voor alle vormen van populisme is de paradoxale verhouding met de democratie, stellen Albertazzi en McDonnell. Want aan de ene kant staat ze vijandig tegenover drie eigenschappen die juist als wezenlijk voor de moderne democratie worden beschouwd, namelijk gelijke individuele rechten, bescherming van culturele minderheden en politieke pluriformiteit. Tegelijkertijd beschouwt het populisme de democratie als hoogste waarde en stelt ze zich ten doel de politiek ‘terug te geven’ aan de rechtmatige eigenaar: de bevolking zelf.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Daarin schuilt echter het grote probleem, want uit wie of wat bestaat die ‘bevolking’ dan precies? Populistische leiders zeggen te spreken namens ‘het volk’ of ‘de zwijgende meerderheid’, maar vertegenwoordigen in werkelijkheid nooit meer dan een (kleine) minderheid van het electoraat. In Nederland lijkt die minderheid ongeveer eenzesde van het totaal aantal kiezers te omvatten: zowel de LPF van Pim Fortuyn, Trots op Nederland van Rita Verdonk als de PVV van Geert Wilders is in verkiezingen of peilingen nooit groter geweest dan ongeveer 25 van de 150 zetels.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Daaruit spreekt dan ook een grote ironie: de populist hekelt de democratische bescherming van culturele minderheden, omdat dit ten koste zou gaan van de soevereiniteit van de meerderheid, maar bezondigt zich aan precies hetzelfde ‘vergrijp’.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Hoewel populisme niet nieuw is – sommige politicologen beschouwen het zelfs als inherent aan democratie – blijft natuurlijk de vraag waarom het juist de afgelopen tien jaar bijna overal in West-Europa zo aan populariteit heeft gewonnen. Albertazzi en McDonell wijzen, naast factoren als massa-immigratie, criminaliteit en economische onzekerheid, drie oorzaken aan: ten eerste, een crisis in de structuur van politieke vertegenwoordiging; ten tweede, een explosief gegroeide invloed van de massamedia op het politieke bestel; en ten derde, een verregaande personalisering van de politiek.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;De crisis in de politieke vertegenwoordiging kent vele aspecten, zoals teruglopende ledenaantallen van partijen, lage opkomst bij verkiezingen en een tanende invloed van de politiek in een globaliserende economie. Met name dat laatste vergroot de door Van Rossem benoemde kloof tussen de belofte en de werkelijkheid van de democratie: partijen kunnen wel van alles beloven, maar staan ondertussen relatief machteloos tegenover grote multinationals, de financiële sector en internationale wetgeving. Kort door de bocht gesteld: als Shell of Brussel het niet wil, gebeurt het niet.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Regeringen kunnen eigenlijk niet veel meer dan „permanent brandjes blussen”, zeggen Albertazzi en McDonnell, „zoals het intomen van crises, het terugdringen van staatsschulden of het tegengaan van stijgende werkloosheid”. De daadkracht van de verantwoordelijke partijen oogt daardoor ontoereikend of zelfs nihil, hetgeen teleurstelling bij de kiezer veroorzaakt, die zo in de handen van de populist wordt gedreven.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Zo marginaal als de macht van traditionele partijen is geworden, zo groot is daarentegen de invloed van de massamedia op het politiek bedrijf. De door commerciële belangen gedreven journalistiek speelt het populisme in de kaart door haar focus op dramatische incidenten en persoonlijke intriges (‘Verhagen noemt Bos leugenaar!’; ‘Bos vindt Balkenende slechte premier!’), waardoor voortdurend cynisme ten aanzien van de politiek wordt gewekt.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Bovendien spelen journalisten als het ware de rol van de populist mee, door zich uit naam van ‘het publiek’ per definitie wantrouwend ten opzichte van zittende machthebbers op te stellen. Een journalist die even geen kritische vragen stelt, wordt immers al gauw van partijdigheid of gebrek aan objectiviteit beticht. Ook dat voedt het cynisme. Politieke debatten hebben in de mediacratie eveneens een voor populisten voordelige vorm gekregen: ze worden namelijk gepresenteerd als ‘wedstrijden’ tussen status quo en uitdagers, waarbij het publiek aan het einde de ‘winnaars’ en ‘verliezers’ mag aanwijzen.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;De aanjagers van het populisme zijn dus structureler van aard dan alleen de toevallige verschijning van een charismatische leider eens in de zoveel tijd. Het populisme zit eerder verankerd in de aard van de West-Europese mediacratie. Vast staat echter wel dat zijn populariteit op een gegeven moment ook weer moet afkalven, omdat die populariteit op den duur haar zwakte wordt.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Van de populisten wordt immers, eenmaal verkozen, evengoed verwacht dat zij politieke verantwoordelijkheid nemen – en hun beloftes waarmaken. Maar ook zij zijn onderhevig aan diezelfde structurele factoren die dat tegenwoordig juist zo moeilijk maken, zoals de globaliserende economie, Europese wetgeving en wantrouwende media. Dan duurt het dus niet lang meer of de populisten behoren zelf tot de falende gevestigde orde waartegen ze zich altijd hebben verzet.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;em&gt;Verschenen in nrc.next op 10 maart 2010.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;</description>
			<pubDate>Thu, 11 Mar 2010 10:38:00 +0100</pubDate>
			
			
			<guid>http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-zin-104-weg-met-de-status-quo-de-opkomst-van-het-populisme/</guid>
		</item>
		
		<item>
			<title>Essay Zin 103 De zoektocht naar de Nederlandse identiteit</title>
			<link>http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-zin-103-de-zoektocht-naar-de-nederlandse-identiteit/</link>
			<description>&lt;p&gt;Geen thema is al jaren zo dominant in de politiek als de Nederlandse identiteit. Wie is dé Nederlander? Wat betekent het om 'Nederlands' te zijn? Talloze pogingen zijn inmiddels ondernomen - van historische canons tot vlaggen op overheidsgebouwen - om Nederland te definieren. &lt;strong&gt;Vanwaar die zucht naar een gedeelde identiteit?&lt;/strong&gt; Er doen veel verklaringen de ronde, zoals de onvrede over de multiculturele samenleving. Maar, de zucht naar identiteit komt ook voort uit maatschappelijke en filosofische ontwikkelingen die ons land juist gevormd hebben tot wat ze nu is. Hier een overzicht van de vijf belangrijkste. (Meer weten? Op 4 maart verschijnt Dus Ik Ben - Een zoektocht naar identiteit, geschreven samen met collega Stine Jensen).&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;strong&gt;Erbij horen werd vervangen door jezelf zijn&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;em&gt;En vier andere ontwikkelingen die de behoefte aan een gemeenschappelijke identiteit hebben gekweekt &lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;strong&gt;Door Rob Wijnberg &lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis. Vandaag: de behoefte aan een nationale identiteit.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Nederland is op zoek naar zichzelf. Wie is de Nederlander, waar staat Nederland voor, wat betekent het om Nederlands te zijn? Deze vragen voeren nu al bijna tien jaar de boventoon in de politiek, de media en de wetenschap.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Er is een canon van de vaderlandse geschiedenis ontwikkeld en in Arnhem zal een Nationaal Historisch Museum worden gebouwd. In de Grondwet zal worden vastgelegd dat Nederlands onze ‘officiële taal’ is en er wordt een preambule geschreven waarin de ‘belangrijkste kernwaarden’ van ons land staan verwoord. In het onderwijs zijn lessen burgerschap geïntroduceerd en voor immigranten zijn inburgeringscursussen verplicht gesteld. Ondertussen stemt het televisiekijkend publiek graag af op programma’s als &lt;em&gt;Ik hou van Holland&lt;/em&gt; en &lt;em&gt;Wat vindt Nederland&lt;/em&gt;?. En vorige week nog stelde het CDA voor om aan alle overheidsgebouwen een Nederlandse vlag te hangen – als symbool van nationale eenheid.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Waar komt deze behoefte aan een gedeelde nationale identiteit vandaan? De meest gegeven verklaring is dat er een breed gedeelde onvrede heerst over de multiculturele samenleving. Pim Fortuyn bracht die onvrede in 2001 voor het eerst aan het licht. Te lang had de overheid onder het mom van culturele verdraagzaamheid de gespannen verhouding tussen autochtonen en allochtonen weggewuifd, luidde zijn oordeel.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Die kritiek vond enorme weerklank onder de bevolking. Aanpassing aan de ‘dominante cultuur’ werd al gauw het politieke devies. Daarmee kwam ook de nationale identiteit prominent op de agenda te staan. „Het integratievraagstuk is een identiteitsvraagstuk geworden”, schrijft de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in zijn rapport &lt;em&gt;&lt;a href=&quot;http://www.wrr.nl/dsc?c=getobject&amp;amp;s=obj&amp;amp;!sessionid=1Eo9vlsUlyp7M0aGBFhXOqKIXXlWdtD8XL5Wf8xK1jmf5WBNDacGa19bs1WzcV!j&amp;amp;objectid=4094&amp;amp;!dsname=default&amp;amp;isapidir=/gvisapi/&quot; target=&quot;_blank&quot;&gt;Identificatie met Nederland &lt;/a&gt;&lt;/em&gt;(2007).&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Maar de roep om een sterke gemeenschappelijke identiteit is niet uitsluitend terug te voeren op de komst van een grote groep immigranten. Ook een aantal andere fundamentele maatschappelijke en filosofische ontwikkelingen hebben eraan bijgedragen. Die ontwikkelingen zijn zeer verschillend van aard, maar hebben gemeen dat ze de wereld allemaal op hun eigen manier onvoorspelbaarder, diffuser en veranderlijker hebben gemaakt – in positieve en negatieve zin. Daardoor hebben ze de behoefte aan houvast, geborgenheid en groepsgevoel aangewakkerd. In het recent verschenen rapport &lt;em&gt;&lt;a href=&quot;http://www.nrc.nl/multimedia/archive/00272/Boekje_272613a.pdf&quot; target=&quot;_blank&quot;&gt;Vertrouwen op democratie &lt;/a&gt;&lt;/em&gt;(2010) geeft de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) een verhelderend overzicht van de vijf belangrijkste tendensen.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Ten eerste: de &lt;em&gt;individualisering&lt;/em&gt;. Tot en met de jaren 50 van de vorige eeuw was Nederland onderverdeeld in een katholieke, protestantse en socialistische zuil. Mensen leefden strikt gescheiden van elkaar in een sociaal isolement. De zuil bepaalde met wie je omging, op welke school je zat, welke krant je las en op welke partij je stemde – en gaf zo een gevoel van toebehoren en houvast. Vanaf de jaren zestig werd die structuur echter als te beklemmend ervaren en daarom volledig afgebroken ten gunste van het individu. ‘Erbij horen’ werd vervangen door ‘jezelf zijn’.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Deze ontwikkeling is door de Nederlandse filosoof Ad Verbrugge (1967) ooit kernachtig getypeerd als de „subjectivering van de verhouding tot de ander”. Daarmee bedoelde Verbrugge dat niet langer groepsnormen bepalend waren voor sociale relaties, maar de eigen belevingswereld: „Het eigen gevoel, de eigen mening, de eigen wil en de eigen zin traden op de voorgrond. Het ging erom je persoonlijke natuur niet langer te ‘onderdrukken’ door een van buiten af opgelegde moraal. […] Niet burgerlijk zijn en voor jezelf opkomen werden maatschappelijke idealen”, aldus Verbrugge.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Deze subjectivering van de sociale verhoudingen had een logisch bijeffect: &lt;em&gt;ontideologisering&lt;/em&gt;. Iedere zuil werd immers bijeengehouden door haar eigen politieke ideologie – een samenhangend stelsel van ideeën over hoe de maatschappij en het leven dienden te worden ingericht. Door de ontzuiling, en later door de val van de Berlijnse Muur, nam de relevantie van dit soort ideologieën sterk af – door de Franse filosoof François Lyotard (1924-1998) ook wel „het einde van de Grote Verhalen” genoemd. Niet alleen de sociale verhoudingen werden geïndividualiseerd, maar onze denkwijze ook: religie en ideologie moesten plaatsmaken voor een zelfgekozen en fragmentarischer wereldbeeld. Zo ging het geloof in een gedeelde waarheid grotendeels verloren.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;De individualisering en ontideologisering werden beide als een enorme bevrijding ervaren, maar het verlies van een gedeelde waarheid moest wel worden gecompenseerd. Besturen zonder richtinggevende criteria is immers onmogelijk: er moeten maatstaven zijn op grond waarvan beslissingen kunnen worden genomen. Die maatstaven vond men in de economie. Zo ontstond de derde belangrijke ontwikkeling: de &lt;em&gt;economisering&lt;/em&gt; van het publieke bestuur. Begrippen als effectiviteit en efficiency, winstgevendheid en controleerbaarheid, kostenbesparing en keuzevrijheid namen de functie van de levensbeschouwing over. De overheid ‘vermarktte’ haar taken en ging steeds meer functioneren als een bedrijfstak.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Volgens Ad Verbrugge leidde dat tot een verdere fragmentatie van de samenleving en uitholling van de gemeenschapszin: „De maatschappelijke sectoren waar de overheid zich uit terugtrekt, raken hun oorspronkelijke politiek-morele betekenis kwijt. […] Het ‘overleven’ in een globaliserende wereld van markt en strijd is in zijn abstracte vorm als hoogste principe boven het goede leven geplaatst”, schrijft hij. Simpeler geformuleerd: mensen werden in toenemende mate gezien als consumenten in plaats van als burgers, waardoor het dienen van het ‘algemene belang’ op de achtergrond raakte en de bevrediging van individuele behoeften leidraad werd.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Dit alles voltrok zich tegen de achtergrond van twee overkoepelende ontwikkelingen: de &lt;em&gt;mondialisering&lt;/em&gt; en de &lt;em&gt;medialisering&lt;/em&gt;. Door de eenwording van Europa, in politieke en economische zin, nam de betekenis van landsgrenzen af. Een deel van de nationale autonomie werd overgeheveld naar een supranationaal parlement in Brussel. En door de opkomst van de massamedia – van televisie tot het internet – drong ook de rest van de wereld zich in toenemende mate aan ons op. Via een non-stop informatiestroom werden mensen voortaan op de hoogte gehouden van alles wat er in de wereld gaande was – van aardbevingen op Haïti tot verkiezingen in Iran. De democratie werd een mediacratie en de cultuur een beeldcultuur.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Deze vijf ontwikkelingen – individualisering, ontideologisering, economisering, mondialisering en medialisering – hebben een enorme impact gehad. Zoals politiek commentator Marc Chavannes het samenvatte: mensen zijn „individualistischer geworden, meer in de rol van klant gedrukt, in een wijd openstaande wereld, zonder ideologische schuilplaatsen maar permanent opgeschrikt door informatie over alles en iedereen.” Dat heeft vruchtbare grond gekweekt voor de zucht naar een gemeenschappelijke identiteit die de hedendaagse politiek zo kenmerkt. De op zichzelf aangewezen consument die woont in een wijde wereld zonder waarheid heeft behoefte aan een duidelijk afgebakende gemeenschap die geborgenheid biedt middels een gedeelde moraal.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;De stormachtige opkomst van de PVV hoeft in die zin dan ook niet te verbazen. Die partij neemt namelijk op precies deze vijf terreinen een zeer duidelijke positie in. Ze geeft weerwoord aan de individualisering door de moraal van de meerderheid boven de vrijheid van het (allochtone) individu te plaatsen; ze vult de ideologische leegte door de nationale cultuur tot absolute norm te verheffen; ze bestrijdt, net als de SP, de economisering van het publieke bestel; ze neemt uitgesproken stelling tegen mondiale instituties zoals ‘superstaat Europa’ én ze cultiveert als geen ander het wantrouwen en cynisme die door de massamedia worden gewekt.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Het is dus ook niet onlogisch dat de PVV juist Almere heeft uitgekozen als gemeente om voor het eerst aan de gemeenteraadsverkiezingen mee te doen. Dat heeft vermoedelijk niet zoveel te maken met het feit dat de partij alleen daar „voldoende geschikte kandidaten” kon vinden, zoals PVV-leider Wilders zei. De lijsttrekker in Almere, Raymond van Roon, is nota bene niet eens nieuw: hij zit al drie jaar in de Tweede Kamer.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Nee, de uitverkiezing van Almere is waarschijnlijk eerder gerelateerd aan de bevolkingssamenstelling van de stad. In Almere wonen namelijk relatief veel mbo’ers met een modaal inkomen, die de drukte van de grote stad zijn ontvlucht om een rustiger bestaan in een kleinere gemeenschap op te bouwen. Ze zijn gezagsgetrouw en weinig kosmopolitisch, hechten aan gemeenschapszin, hebben grote weerzin tegen bureaucratie en kijken veel (commerciële) televisie. Je zou haast zeggen: de prototypische Nederlander dus. Terwijl de rest van het land zich afvraagt wie hij is, heeft de PVV hem al gevonden.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;strong&gt;Op 4 maart verschijnt het boek &lt;em&gt;Dus ik ben – Een zoektocht naar identiteit&lt;/em&gt; van Stine Jensen en Rob Wijnberg. Daarin onderzoeken zij de filosofische wortels van de belangrijkste hedendaagse zelfdefinities. &lt;br/&gt;&lt;/strong&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Verschenen in nrc.next op 3 maart 2010.  &lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;br/&gt;&lt;br/&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Auteur: Rob Wijnberg&lt;br/&gt;Datum: 03 maart 2010&lt;/p&gt;</description>
			<pubDate>Wed, 03 Mar 2010 11:00:00 +0100</pubDate>
			
			
			<guid>http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-zin-103-de-zoektocht-naar-de-nederlandse-identiteit/</guid>
		</item>
		
		<item>
			<title>Essay Zin 102 Waarom sommige klimaatsceptici hun naam geen eer aan doen</title>
			<link>http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-zin-102-waarom-sommige-klimaatsceptici-hun-naam-geen-eer-aan-doen/</link>
			<description>&lt;img align=&quot;right&quot; src=&quot;http://www.robwijnberg.nl/assets/Uploads/e428c004-2bf8-475c-bb88-5466823d8e33&quot; alt=&quot;&quot;&gt;&lt;h4&gt;Essay Zin 102 Waarom sommige klimaatsceptici hun naam geen eer aan doen&lt;/h4&gt;&lt;!-- [TID] --&gt;&lt;p&gt;	Misschien een beetje flauw om het een 'ongemakkelijke waarheid' te noemen, maar toch: het aantal klimaatsceptici dat niet gelooft in klimaatverandering neemt hand over hand toe - alle moeite van Al Gore ten spijt.&amp;nbsp;&lt;strong&gt;De PVV heeft haar conclusies dan ook getrokken: klimaatwetenschappers zijn liegende oplichters in dienst van de milieubeweging.&amp;nbsp; De stekker uit al dat onzinnige onderzoek, zeggen zij.&amp;nbsp; Daarmee doe ze de naam 'scepticus' geen eer aan.&lt;/strong&gt; Want de houding van de oorspronkelijk filosofische sceptici was er een die juist haaks staat op de attitude van de PVV'ers. Zij kunnen dan ook beter pseudosceptici worden genoemd, zegt de socioloog Marcello Truzzi.&lt;/p&gt;&lt;!-- [TID] --&gt;&lt;p&gt;	&lt;/p&gt;&lt;p&gt;&lt;strong&gt;Achterdocht is niet hetzelfde als scepsis&lt;/strong&gt; &lt;/p&gt;&lt;p&gt;&lt;em&gt;Het oud-Griekse werkwoord skeptomai staat voor &amp;lsquo;onderzoeken&amp;rsquo;. Klimaatsceptici doen liever het omgekeerde &lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&lt;p&gt;&lt;strong&gt;Door Rob Wijnberg &lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&lt;p&gt;Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis. Vandaag: de betekenis van het woord scepticus. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;&amp;lsquo;Climategate&amp;rsquo;. &amp;lsquo;Glaciergate&amp;rsquo;. &amp;lsquo;Himalaya-gate&amp;rsquo;. Wie de afgelopen tijd de kranten erop nasloeg, kreeg de indruk dat de klimaatwetenschap aan list en bedrog ten onder was gegaan. Zo waren er, vlak voor de klimaatconferentie in Kopenhagen, e-mails uitgelekt waaruit zou blijken dat klimaatwetenschappers goochelden met cijfers om bewijzen tegen klimaatverandering te verdoezelen. Ook zouden ze zich laatdunkend hebben uitgelaten over hun critici. Nader onderzoek wees uit dat niets in de e- mails kon worden opgevat als een ontkrachting van de stelling dat de aarde opwarmt, maar het wantrouwen was wel gewekt. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Niet lang daarna werden er in een rapport van de IPCC, het klimaatpanel van de Verenigde Naties, enkele domme fouten ontdekt. Zo werd gesteld dat de gletsjers in de Himalaya in 2035 zouden zijn gesmolten. Dat bleek een onjuiste en overdreven voorspelling, ontleend aan een onderzoek van het Wereld Natuur Fonds &amp;ndash; dat zich weer baseerde op uitspraken in een populair-wetenschappelijk tijdschrift. Het jaartal zou bewust in het rapport zijn opgenomen om de politieke druk op wereldleiders op te voeren. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Critici noemden het rapport bovendien wetenschappelijk onverantwoord, omdat sommige passages gebaseerd waren op een afstudeerscriptie en een artikel in een bergbeklimmerstijdschrift. &lt;a target=&quot;_blank&quot; href=&quot;http://www.telegraaf.nl/buitenland/5926869/__Scriptie_aan_basis_klimaatrapport__.html&quot;&gt;&amp;lsquo;Scriptie student blijkt basis klimaatrapport&amp;rsquo;&lt;/a&gt;, kopte &lt;em&gt;De Telegraaf&lt;/em&gt; dan ook op alarmerende toon. Dat bleek een schromelijke overdrijving, want het betrof slechts een heel klein fragment, waarvoor de gewraakte bronnen niet eens zo onbetrouwbaar waren als werd gesuggereerd. De passages gingen namelijk over het verdwijnen van klimroutes in de Himalaya. De scriptie en de getuigenverslagen uit het tijdschrift, waren slechts gebruikt om dit fenomeen te signaleren. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;De incidenten doen dan ook niets af aan de wetenschappelijke consensus over klimaatverandering. Toch is het aantal zogenoemde klimaatsceptici wel sterk toegenomen. Een kwart van de Britten gelooft niet langer in klimaatverandering, blijkt uit onderzoek van de BBC. Een half jaar geleden was dat nog 15 procent. En ook in Nederland heeft de scepsis terrein gewonnen. &amp;bdquo;Ik weet niet of we ons wel zo&amp;rsquo;n zorgen moeten maken over het klimaat&amp;rdquo;, zei Tweede Kamerlid Helma Nepperus van de VVD onlangs. De PVV gaat nog verder. Die partij noemt het klimaatpanel van de VN een stel &amp;bdquo;liegende, frauderende en manipulerende boeven, oplichters en zakkenvullers&amp;rdquo; en wil dat alle onderzoeken naar klimaatverandering worden stopgezet. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Daarmee doet de partij de naam &amp;lsquo;scepticus&amp;rsquo; weinig eer aan. Wie bekend is met de filosofische geschiedenis van die term, weet namelijk dat de oorspronkelijk betekenis ervan juist haaks staat op de mentaliteit die de PVV nu etaleert. De grondhouding van de eerste filosofische sceptici, beginnend bij de Griek Pyrrho van Elis (360-270 v. Chr.) en gevolgd door de Romein Sextus Empiricus (160-210), was twijfelend, maar w&amp;eacute;l onderzoekend van aard. Het Griekse werkwoord skeptomai betekende niet voor niets &amp;lsquo;zorgvuldig bekijken&amp;rsquo; of &amp;lsquo;onderzoeken&amp;rsquo;. Volgens Sextus Empiricus waren er dan ook drie soorten filosofen: zij die stelden dat ze de waarheid kenden, zij die stelden dat de waarheid onkenbaar was en zij die naar de waarheid bleven zoeken. De laatste noemde hij sceptici. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Dat de PVV alle klimaatwetenschap categorisch afdoet als een links complot van manipulerende onderzoekers, maakt van het klimaatscepticisme dus een volslagen karikatuur. De Deense socioloog Marcello Truzzi had daar een naam voor: pseudoscepticisme. Volgens hem onderscheidde de pseudoscepticus zich van de echte scepticus door de volgende kenmerken: 1) het veelvuldige gebruik van de drogreden dat onvoldoende bewijs automatisch betekent dat een hypothese onwaar is 2) de neiging om een hypothese te ontkennen in plaats van te betwijfelen; 3) de neiging om tegenstanders te ridiculiseren in plaats van te bekritiseren en 4) de houding dat de eigen stellingname evident is en dus geen verdere onderbouwing vereist. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Aan die vier kenmerken voldoen de &amp;lsquo;sceptici&amp;rsquo; van de PVV in hoge mate. Dat is jammer, want met die houding ondergraven ze juist dat bepaalde argumenten van klimaatsceptici wel degelijk waarde hebben. In het debat zijn er grofweg drie soorten serieuze sceptici te onderscheiden. De kleinste groep wordt gevormd door de zogenoemde &lt;em&gt;trendsceptici&lt;/em&gt;. Zij betwijfelen of het klimaat op aarde inderdaad structureel warmer wordt. Hun belangrijkste argument daarvoor is het feit dat de gemiddelde temperatuur op aarde de afgelopen zeven jaar is gestagneerd of zelfs licht is gedaald, terwijl het CO2-gehalte in de atmosfeer wel onverminderd is toegenomen. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Voor deze trend had de wetenschap lange tijd geen plausibele verklaring, maar volgens recent Zwitsers onderzoek kan het worden toegedicht aan het feit dat de hoeveelheid waterdamp in de stratosfeer sinds 2000 is verminderd, waardoor een verkoelend effect op aarde is opgetreden &amp;ndash; een gegeven dat tot nu toe nauwelijks in de klimaatmodellen was verdisconteerd. Dit geeft aan dat er vele (mogelijk onbekende) factoren van invloed zijn op de wereldwijde temperatuur &amp;ndash; ook al twijfelt de overgrote meerderheid van de wetenschappers niet aan de opwarmende trend die al door talloze meetinstituten is waargenomen. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Een grotere groep sceptici wordt dan ook gevormd door de zogenoemde &lt;em&gt;toeschrijvingssceptici&lt;/em&gt;. Zij erkennen wel dat de aarde warmer wordt, maar betwijfelen of die verandering (alleen) moet worden toegeschreven aan het menselijk handelen, zoals onze CO2 -uitstoot. De klimaatmodellen waarmee klimaatverandering wordt berekend houden namelijk wel rekening met meerdere complexe factoren, zoals concentraties van broeikasgassen en luchtvochtigheid, maar sommige processen &amp;ndash; zoals de ontwikkeling van zee-ijs, wisselende zonneactiviteit en vulkaanuitbarstingen &amp;ndash; zijn moeilijker in kaart te brengen. De invloed daarvan is dus veel minder duidelijk. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;De kritiek van de toeschrijvingssceptici raakt bovendien aan een fundamenteler probleem in de wetenschap, namelijk dat causale verbanden nooit met absolute zekerheid kunnen worden vastgesteld. Deze tekortkoming, bekend als het probleem van inductie, werd ook door de Schotse scepticus David Hume (1711-1776) opgemerkt, toen hij schreef: &amp;bdquo;Er bestaan geen dingen, waarvan we slechts door analyse, zonder de toets der ervaring, kunnen vaststellen dat ze de oorzaak van iets zijn, zoals er ook geen dingen bestaan, waarvan we zeker weten dat ze niet de oorzaak van iets zijn.&amp;rdquo; Hoe uitgebreid de klimaatmodellen dus ook zijn, het blijven incomplete weergaven van de werkelijkheid: er zullen altijd known unknowns en unknown unknowns buiten beschouwing worden gelaten. Dat neemt niet weg dat onder wetenschappers nagenoeg unanimiteit bestaat over de correlatie tussen de CO2-uitstoot en klimaatsverandering. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;De derde groep sceptici richt zich daarom ook niet zozeer op de oorzaken, maar vooral op de vermeende gevolgen van klimaatverandering. Deze zogenoemde &lt;em&gt;impactsceptici&lt;/em&gt; erkennen de opwarming van de aarde en de rol van de mens daarin, maar trekken in twijfel of de consequenties ervan ook echt zo desastreus zullen zijn als wordt voorspeld. De stijgende zeespiegel door smeltende ijskappen zal bijvoorbeeld maar een beperkt gebied bedreigen, stellen zij. Ook zal er straks landbouw mogelijk zijn in gebieden waar het nu nog te koud is om voedsel te verbouwen. En ecosystemen die door de temperatuurstijging uit balans raken, blijken vrij snel weer een nieuw evenwicht te vinden. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Deze drie soorten sceptische kanttekeningen vormen een constructieve bijdrage aan het klimaatdebat, omdat ze uitdagen tot verder onderzoek &amp;ndash; zoals de oorspronkelijke sceptici het bedoelden. Ze dwingen wetenschappers zich te blijven afvragen of hun meest basale aannames standhouden, of ze de juiste oorzakelijke verbanden hebben gelegd en of daar geloofwaardige voorspellingen aan worden verbonden. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;De pseudosceptici die nu het debat overstemmen, door iedere fout als een nieuwe episode van &amp;lsquo;climategate&amp;rsquo; te bestempelen, hebben daarentegen eerder het omgekeerde motief. Zij saboteren verder onderzoek liever door alle wetenschappers af te schilderen als geld verspillende leugenaars in dienst van de milieubeweging. Dat is ongeveer hetzelfde als alle klimaat-sceptici wegzetten als beroepssaboteurs in dienst van de olie-industrie. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Achterdocht heet dat, geen scepsis. &lt;br&gt;&lt;br&gt;&lt;em&gt;Verschenen in nrc.next op 24 februari 2010.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&lt;br/&gt;&lt;br/&gt;&lt;p&gt;Auteur: Rob Wijnberg&lt;br/&gt;Datum: 24 februari 2010&lt;/p&gt;</description>
			<pubDate>Wed, 24 Feb 2010 11:00:00 +0100</pubDate>
			
			
			<guid>http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-zin-102-waarom-sommige-klimaatsceptici-hun-naam-geen-eer-aan-doen/</guid>
		</item>
		
		<item>
			<title>Essay Zin 101 Het recht op de dood als ultieme vorm van zelfbeschikking</title>
			<link>http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-zin-101-het-recht-op-de-dood-als-ultieme-vorm-van-zelfbeschikking/</link>
			<description>&lt;img align=&quot;right&quot; src=&quot;http://www.robwijnberg.nl/assets/Uploads/3210a8e8-0f59-4d5c-a5e6-70724bbd8d18&quot; alt=&quot;&quot;&gt;&lt;h4&gt;Essay Zin 101 Het recht op de dood als ultieme vorm van zelfbeschikking&lt;/h4&gt;&lt;!-- [TID] --&gt;&lt;p&gt;	Zelfdoding is altijd een prominent thema geweest in de filosofie. De meeste westerse denkers, van Plato tot Kant, keurden het ontnemen van je eigen leven af.&amp;nbsp; &lt;strong&gt;Ook het christendom deed het van meet af aan in de ban: wie zelfmoord pleegde, ontnam niet zichzelf&amp;nbsp;maar de Schepper het leven - het leven dat God ons in bruikleen&amp;nbsp;had gegeven.&amp;nbsp; Aan die gedachte kwam pas defintitief een einde bij het existentialisme.&amp;nbsp;&amp;nbsp;&lt;/strong&gt;Filosofen als Sartre en Camus beschouwden het leven namelijk niet als 'intrinsiek waardevol'. Nee, de mens bepaalde er de waarde van.&amp;nbsp; Zo ontstond een verregaande conceptie van zelfbeschikking, die nu met het verzoek van het burgerinitiatief Uit Vrije Wil om ieder mens vanaf zijn 70ste het recht op euthanasie te geven een hoogtepunt bereikt.&lt;/p&gt;&lt;!-- [TID] --&gt;&lt;p&gt;	&lt;/p&gt;&lt;p&gt;&lt;strong&gt;Mogen we eigenlijk wel over ons leven beschikken?&lt;/strong&gt; &lt;/p&gt;&lt;p&gt;&lt;em&gt;Het &amp;lsquo;recht&amp;rsquo; om zelf je dood te bepalen was nooit gemeengoed. Wat Uit Vrije Wil wil, is uniek in de geschiedenis &lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&lt;p&gt;&lt;strong&gt;Door Rob Wijnberg &lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&lt;p&gt;Heeft een mens recht op een zelfgekozen dood? Het burgerinitiatief Uit Vrije Wil vindt van wel. Maar hoe bepaal je of een leven &amp;lsquo;voltooid&amp;rsquo; is of niet? &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Sinds 2002 mag een arts in Nederland op grond van de euthanasiewet hulp bij zelfdoding verlenen. Verondersteld wordt vaak dat ons land daarmee een wereldprimeur had, maar dat is niet het geval. In een deel van Australi&amp;euml; werd euthanasie al in 1995 gelegaliseerd. Twee jaar later werd die beslissing echter weer teruggedraaid. En in Japan wordt hulp bij zelfdoding al enige decennia toegestaan, hoewel het land geen offici&amp;euml;le euthanasiewetgeving kent. Nederland is wel het eerste Europese land geweest dat euthanasie niet langer strafbaar stelt. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Dat betekent overigens niet dat euthanasie plegen zomaar kan. De voorwaarden waaraan moet worden voldaan, zijn relatief streng. Zo moet sprake zijn van &amp;bdquo;uitzichtloos en ondraaglijk&amp;rdquo; lijden en van een &amp;bdquo;vrijwillig en weloverwogen&amp;rdquo; verzoek om te sterven. Ook moeten alle alternatieve oplossingen, na een second opinion van een tweede arts, ontoereikend zijn bevonden. Bovendien heeft de behandelende arts het laatste woord: een pati&amp;euml;nt kan de wens om zijn leven te be&amp;euml;indigen wel kenbaar maken, maar hij heeft geen &amp;lsquo;recht&amp;rsquo; om te sterven. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Daar wil het burgerinitiatief Uit Vrije Wil nu verandering in brengen. Deze groep, waartoe onder anderen Frits Bolkestein, Jan Terlouw en Paul van Vliet behoren, vindt dat alle Nederlanders ouder dan 70 jaar die hun leven &amp;bdquo;voltooid achten&amp;rdquo; het recht moeten hebben om onder professionele begeleiding een einde te maken aan hun leven &amp;ndash; ook als er g&amp;eacute;&amp;eacute;n sprake is van ondraaglijk of uitzichtloos lijden. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Naar schatting plegen jaarlijks vijfhonderd ouderen zelfmoord, door zichzelf geweld aan te doen, een overdosis medicijnen te slikken of door familie of vrienden in te schakelen. Om ouderen niet aan hun lot over te laten, zou de euthanasiewet moeten worden verruimd, zodat ook hulp bij zelfdoding op niet-medische gronden mag worden gegeven. Dat is nu nog verboden. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Het burgerinitiatief beroept zich daarbij expliciet op het in de grondwet vastgelegde zelfbeschikkingsrecht, waarin staat dat ieder mens de vrijheid heeft binnen de grenzen van de wet zijn leven naar eigen inzicht in te richten. Daaronder valt volgens de groep ook de vrijheid om te beslissen over de eigen dood. Of, zoals het staat beschreven in het onlangs uitgebrachte manifest: &amp;bdquo;Op niemand rust de plicht tot leven. (&amp;hellip;) Aan de vrije mens, die zijn leven als voltooid beschouwt, komt de ruimte toe zelf te bepalen hoe en wanneer hij wil sterven.&amp;rdquo; &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Dit uitgangspunt past goed bij de huidige op individuele rechten geori&amp;euml;nteerde tijdgeest. Uit Vrije Wil kreeg dan ook binnen enkele dagen meer dan 40.000 steunbetuigingen &amp;ndash; genoeg om het verzoek op de agenda van de Tweede Kamer te zetten. Vanuit de medische wereld klinkt bovendien al langer het geluid dat de Euthanasiewet moet worden aangepast. Is er alleen sprake van ondraaglijk lijden als iemand een terminale aandoening heeft? Of telt levensmoeheid ook? Dat onderscheid is vaak moeilijk te maken, blijkt in de praktijk. Daarom adviseerde de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij ter bevordering der Geneeskunst (KNMG) al in 2004 om de grond voor euthanasie te verruimen tot een algemener &amp;bdquo;lijden aan het leven&amp;rdquo;. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Historisch gezien is deze kijk op zelfdoding echter behoorlijk uitzonderlijk. In de westerse filosofie is jezelf van het leven beroven door de eeuwen heen bijna altijd bestempeld als immoreel &amp;ndash; en iemand daarbij helpen als een misdaad. Niet voor niets wordt vaak gesproken van zelfmoord: in die term zit besloten dat jezelf doden nooit vrijwillig of gerechtvaardigd kan zijn. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Het idee dat je het &amp;lsquo;recht&amp;rsquo; zou hebben je eigen leven te be&amp;euml;indigen is vanaf de Oude Grieken tot aan de Verlichting dan ook nooit gemeengoed geweest, om uiteenlopende filosofische redenen. &lt;br&gt;De Griekse wijsgeer Plato (427-347 v. Chr.) bijvoorbeeld beschouwde zelfdoding als een teken van zwakte en lafheid, die erop duidde dat een persoon niet opgewassen was tegen de ontberingen van het leven. Alleen uit schaamte of als straf voor begane fouten (zoals bij zijn leermeester Socrates, die de gifbeker moest drinken vanwege het corrumperen van de jeugd) achtte Plato zelfdoding moreel gerechtvaardigd. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Persoonlijke zelfbeschikking of welzijn speelde daarin dus nauwelijks een rol. Zijn leerling Aristoteles zag zelfdoding zelfs als een wandaad ten opzichte van de staat, waarmee iemand zijn verantwoordelijkheid als burger laakte. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Een uitzondering op deze visie was destijds de Sto&amp;iuml;cijnse filosofie, waarin juist wel een grote nadruk werd gelegd op het persoonlijke welzijn. De Sto&amp;iuml;cijnen vonden zelfdoding gelegitimeerd als iemand niet langer over de mogelijkheden beschikte om een gezond of zinvol leven te leiden, bijvoorbeeld door fysieke pijn of financi&amp;euml;le rampspoed. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Daarmee waren zij de belangrijkste voorlopers van de moderne opvatting over euthanasie. Niet voor niets citeert voormalig VVD-leider Frits Bolkestein in het manifest van Uit Vrije Wil de Sto&amp;iuml;cijnse dichter Seneca (1 v. Chr. - 65 na Chr.), die ooit stelde: &amp;bdquo;Goed sterven, dat is vrijwillig sterven.&amp;rdquo; &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Door de opkomst van het christendom delfde deze opvatting echter al snel het onderspit. De kerk verwierp zelfdoding van meet af aan, maar het was de christelijk filosoof St. Augustinus (354-430) die het definitief in de ban deed door het onder het gebod &amp;lsquo;Gij zult niet doden&amp;rsquo; te scharen. Dat verbod werd later nog eens bekrachtigd door de invloedrijke theoloog Thomas van Aquino (1225-1274), die zelfdoding zag als een misdaad jegens God en de gemeenschap waarvan een mens deel uitmaakte. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Twee filosofische aannames speelden daarbij een rol. Ten eerste werden het lichaam en het leven gezien als eigendommen van God: een mens had ze slechts &amp;lsquo;in bruikleen&amp;rsquo;. Wie zelfmoord pleegde, ontnam niet zichzelf het leven, maar de Schepper ervan &amp;ndash; een vorm van diefstal dus. Ten tweede werd het leven een absolute status toegedicht. Deze denkwijze, beter bekend als de sanctity of life-theorie, schrijft voor dat het leven nooit ondergeschikt mag worden gemaakt aan andere waarden, zoals gezondheid of geluk. Beide aannames zijn in de meeste christelijke stromingen nog altijd gemeengoed. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Deze visie heeft het westerse denken over zelfdoding zeker negentien eeuwen gedomineerd. Zelfs Verlichtingsdenker Immanuel Kant (1724-1804) verwierp zelfdoding op grond van een seculiere variant van de sanctity of life-theorie. Ook Kant dichtte het leven namelijk een absolute status toe: niet omdat God er de schepper van was, maar omdat het leven een voorwaarde was voor het bestaan van een moraal. Geen enkele waarde kon dus belangrijker zijn dan het leven zelf, aldus Kant. Zelfdoding stond volgens hem dan ook gelijk aan &amp;bdquo;de ontworteling van de moraal&amp;rdquo;. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Pas in de twintigste eeuw was er een kentering in deze visie, toen de existentialisten dit argument als het ware omdraaiden. Volgens filosofen als Jean-Paul Sartre (1905-1980) en Albert Camus (1913-1960) had het leven namelijk g&amp;eacute;&amp;eacute;n inherente waarde: het is op zichzelf juist doelloos en betekenisloos, stelden zij. Iedere betekenis ontleende het leven aan de mens, die schepper van alle waarden was &amp;ndash; zo luidde de gedachte. Daarmee werd de mens als het ware &amp;lsquo;eigenaar&amp;rsquo; van het leven: hij bepaalde zelf wat de bedoeling ervan was. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Deze existentialistische wending is de filosofische opmaat geweest voor het idee van een onvervreemdbaar recht op zelfbeschikking, dat een centrale rol kreeg in het liberalisme. Zo werd een bevrijdingsproces in gang gezet waarin het individu steeds meer autonomie kreeg toebedeeld &amp;ndash; een proces dat het politieke hoogtepunt kende in de jaren zestig van de vorige eeuw, toen de vrouw &amp;lsquo;baas in eigen buik&amp;rsquo; werd en het recht op abortus verwierf. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Staatsrechtgeleerde Jit Peters, een van de initiatiefnemers van Uit Vrije Wil, ziet het recht om vanaf je zeventigste euthanasie te plegen dan ook als een logisch vervolg daarop: &amp;bdquo;Het zelfgekozen levenseinde is een nieuwe fase in het emancipatoire proces van autonomie&amp;rdquo;, aldus Peters. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Mocht het recht op een zelfgekozen levenseinde in de grondwet worden verankerd, zoals het burgerinitiatief bepleit, dan zou Nederland daarmee w&amp;eacute;l een wereldprimeur beleven. Nergens strekt het zelfbeschikkingsrecht zo ver. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Vreemd is dat niet, want de grote vraag blijft natuurlijk wanneer een leven nu precies als &amp;lsquo;voltooid&amp;rsquo; kan worden beschouwd. Volgens Albert Camus is daar geen antwoord op te geven. Want, zo stelde hij: &amp;bdquo;Beoordelen of een leven de moeite waard is om te leven of niet, is hetzelfde als proberen om de meest fundamentele vraag uit de filosofie te beantwoorden.&amp;rdquo; &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Dat kan eigenlijk niemand. &lt;br&gt;&lt;br&gt;&lt;em&gt;Verschenen in nrc.next op 17 februari 2010.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&lt;br/&gt;&lt;br/&gt;&lt;p&gt;Auteur: Rob Wijnberg&lt;br/&gt;Datum: 20 februari 2010&lt;/p&gt;</description>
			<pubDate>Sat, 20 Feb 2010 11:00:00 +0100</pubDate>
			
			
			<guid>http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-zin-101-het-recht-op-de-dood-als-ultieme-vorm-van-zelfbeschikking/</guid>
		</item>
		
		<item>
			<title>Essay Zin 100 Het ongelukkige compromis van de socialist en de kapitalist</title>
			<link>http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-zin-100-het-ongelukkige-compromis-van-de-socialist-en-de-kapitalist/</link>
			<description>&lt;img align=&quot;right&quot; src=&quot;http://www.robwijnberg.nl/assets/Uploads/1b89f59f-dcb8-49f0-8486-ce72a74854a3&quot; alt=&quot;&quot;&gt;&lt;h4&gt;Essay Zin 100 Het ongelukkige compromis van de socialist en de kapitalist&lt;/h4&gt;&lt;!-- [TID] --&gt;&lt;p&gt;	&lt;strong&gt;Na de het uitbreken van de economische crisis waren de meeste critici het er wel over eens: het kapitalisme heeft gefaald.&amp;nbsp; Toch zijn het juist de socialisten&amp;nbsp;in Europa&amp;nbsp;die er van de kiezer van langs krijgen&lt;/strong&gt;: in Frankrijk en Duitsland hebben de Parti Socialiste en de SPD pijnlijke nederlagen geleden, in Engeland ligt Labour zwaar onder vuur en&amp;nbsp;in Nederland voorspellen peilingen al maanden dramatische zetelaantallen voor de PvdA en de SP.&amp;nbsp;&amp;nbsp;Straft de burger nu de verkeerde partijen af voor de omvallende banken?&amp;nbsp; Niet&amp;nbsp;helemaal.&amp;nbsp; Want de crisis blijkt vooral het resultaat te zijn van&amp;nbsp;een ongelukkig verbond tussen twee&amp;nbsp;ideologieen die elkaar altijd tot op het bot hebben bestreden.&amp;nbsp; Een analyse.&amp;nbsp;&lt;/p&gt;&lt;!-- [TID] --&gt;&lt;p&gt;	&lt;/p&gt;&lt;p&gt;&lt;strong&gt;De crisis was toch de schuld van het kapitalisme?&lt;/strong&gt; &lt;/p&gt;&lt;p&gt;&lt;em&gt;Maar kiezers keren juist de socialisten de rug toe. Als straf voor een ongelukkig ideologisch compromis &lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&lt;p&gt;&lt;strong&gt;Door Rob Wijnberg &lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&lt;p&gt;Aflevering 100 van de reeks dilemma&amp;rsquo;s die Rob Wijnberg bespreekt naar aanleiding van een actuele gebeurtenis. Vandaag: de kiezers en de Partij van de Arbeid. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;De PvdA verkeert in zwaar weer, letterlijk en figuurlijk. Begin vorige week vroegen PvdA&amp;rsquo;ers Paul Kalma en Pierre Heijnen aan staatssecretaris Bijleveld om uitstel van toekomstige gemeenraadsverkiezingen, omdat het in februari en maart &amp;bdquo;te koud&amp;rdquo; zou zijn om campagne te voeren. Alom viel hoongelach de twee Kamerleden ten deel. Het CDA stelde onmiddellijk vijftig groene mutsen ter beschikking en de eigen jongerenafdeling bood zelfs een retourtje Benidorm aan. Op internet werden Kalma en Heijnen uitgemaakt voor &amp;bdquo;watjes&amp;rdquo; die de kiezer &amp;bdquo;al jaren in de kou&amp;rdquo; hadden laten staan. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Politiek gezien was de uitspraak dan ook een &amp;bdquo;grote domme fout&amp;rdquo;, zoals partijleider Bos het zei. Maar metaforisch was het wel een treffende omschrijving van de staat waarin de PvdA verkeert. De gevoelstemperatuur zal binnen de sociaal-democratische gelederen niet erg hoog zijn. De partij schommelt immers al maanden rond de twintig zetels &amp;ndash; een historisch dieptepunt. Lokaal zijn de vooruitzichten nog erger: in Amsterdam bijvoorbeeld wordt bij de komende gemeenteraadsverkiezingen een halvering van het zetelaantal voorspeld. En ook het ledenaantal van de partij, nu 54.500, is lager dan ooit. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Het slechte nieuws blijft bovendien aanhouden. Vlak na de blunder van Kalma en Heijnen kwam ook voormalig PvdA-leider Wim Kok in opspraak door, ten overstaan van de commissie-De Wit, de miljoenenbonussen in de financi&amp;euml;le sector te verdedigen. Als premier had Kok in 1997 de enorme salarisverhogingen in het bedrijfsleven nog &amp;bdquo;exhibitionistisch&amp;rdquo; genoemd, maar als commissaris van ING ging hij zeven jaar later akkoord met een salarisstijging voor het bestuur van bijna 600 procent. Tegen de commissie zei Kok dat deze &amp;bdquo;opwaartse correctie van het beloningspakket&amp;rdquo; in het belang van de bank en van de &amp;bdquo;BV Nederland&amp;rdquo; was. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Daarmee werd het beeld van de PvdA als een elitaire regentenpartij die het contact met de &amp;lsquo;gewone man&amp;rsquo; is kwijtgeraakt wederom bevestigd. Als schrale troost kan de partij aanvoeren dat de sociaal-democraten het ook elders in Europa moeilijk hebben. In Frankrijk bijvoorbeeld verloor de Parti Socialiste in 2007 de verkiezingen van de conservatief-liberale UMP met ruim zes procent &amp;ndash; een voor Franse begrippen ruime marge. En in Duitsland won de Sozialdemokratische Partei Deutschlands (SPD) in 2009 slechts 23 procent van de stemmen &amp;ndash; de slechtste score sinds de Tweede Wereldoorlog. The New York Times sprak al van een &amp;bdquo;gestage ondergang van het Europese socialisme&amp;rdquo;. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Een veelgehoorde verklaring voor die ondergang is dat de natuurlijke achterban van de sociaal-democraten als vanzelf is verdwenen. Het sociaal-democratische programma is immers, zeker in Nederland, grotendeels gerealiseerd. Ons land kent een uitgebreid systeem van sociale zekerheid, een progressief belastingstelsel, een scala aan vakbonden, een wettelijk vastgesteld minimumloon en omvangrijke rechtsbescherming van werknemers. Partijen als de PvdA lijken dus een deel van hun bestaansrecht te hebben verloren. Dat wordt nog eens bevestigd door het feit dat de SP niet van de leegloop bij de PvdA profiteert. Ook die partij staat in de peilingen op de helft van het aantal zetels dat ze nu in de Tweede Kamer heeft. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Toch is dit verval in het licht van de huidige economische crisis wel opvallend te noemen. Volgens een grote groep prominente (linkse) denkers, onder wie Noam Chomsky, Slavoj Zizek en Naomi Klein, is de crisis die in 2007 begon immers voornamelijk te danken aan een politieke ideologie die het socialisme altijd heeft bestreden: het vrijemarktkapitalisme. Uitgaande van de kapitalistische stelregel dat het najagen van het individuele eigenbelang ook de gemeenschap ten goede zou komen, werden westerse economie&amp;euml;n in razend tempo geliberaliseerd. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;De staat trok zich terug uit de publieke sector door talloze overheidsdiensten te privatiseren. Ook de financi&amp;euml;le sector werd sterk gedereguleerd. Zo kon een cultuur ontstaan van &amp;lsquo;exhibitionistische zelfverrijking&amp;rsquo;, zoals Wim Kok het noemde, waarin bedrijfswinsten, beurskoersen en bonussen belangrijker werden dan het collectieve welzijn. Toenemende ongelijkheid werd geaccepteerd uit naam van &amp;lsquo;marktwerking&amp;rsquo; en arbeidsplaatsen werden zonder pardon uitbesteed aan lagelonenlanden onder het mom van &amp;lsquo;efficiency&amp;rsquo;, aldus critici. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Uit een verzet tegen deze cultuur is het socialisme nu juist voortgekomen. Aan het einde van de 18e eeuw waarschuwde de Britse filosoof Robert Owen (1771-1851) als een van de eerste denkers dat de Industri&amp;euml;le Revolutie en de daarmee gepaard gaande concurrentie en privatisering van rijkdommen onherroepelijk zouden leiden tot perverse ongelijkheid en economische crises. Bovendien zette het kapitalistische systeem de mens aan tot winstmaximalisatie en dus tot ego&amp;iuml;sme en asociaal gedrag, aldus Owen. Om dat tegen te gaan pleitte hij, net als zijn tijdgenoot Karl Marx (1818-1883), voor afschaffing van het kapitalisme gebaseerd op marktwerking en invoering van een planeconomie met de staat als hoeder van het collectieve belang. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;In ideologische zin lijken de socialisten en sociaaldemocraten door de economische crisis dus gelijk te hebben gekregen. Miskent de kiezer dat door hen uitgerekend nu de rug toe te keren? Het lijkt erop, maar dat zou te kort door de bocht zijn, zeggen critici als historicus Thomas Woods (1972) en filosoof en grootinvesteerder James Rogers Jr. (1942). Het socialisme treft volgens hen namelijk evenveel &amp;ndash; zo niet meer &amp;ndash; blaam voor de crisis als het neoliberale kapitalisme. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Zo werd de Amerikaanse huizenbubbel mede veroorzaakt door de semipublieke hypotheekbanken Fanny Mae en Freddie Mac, die gesteund door de regering enorme risico&amp;rsquo;s konden nemen. De overheid had namelijk het ideaal voor ogen dat iedere Amerikaan eigenaar zou worden van een eigen huis en moedigde het daarom aan hypotheken te verstrekken aan families die zich dat niet konden veroorloven. Bovendien waren het overheden, niet de markt, die via de centrale banken geld bleven bijdrukken om de overmatige consumptie van het Westen te kunnen financieren, aldus Woods. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Dat de wereldwijde financi&amp;euml;le sector uiteindelijk voor velen miljarden dollars van de ondergang werd gered, was bovendien ook een overheidsingreep. Zo werd de zuiverende werking van de vrije markt, ook wel &amp;lsquo;creative destruction&amp;rsquo; genoemd, door de overheid teniet gedaan, zegt Rogers. Anders gezegd: de winsten waren geprivatiseerd, maar de risico&amp;rsquo;s gesocialiseerd. Hadden regeringen zich niet bemoeid met de vrije markt, dan waren de overmoedige banken waarschijnlijk al in een eerder stadium afgestraft en was een bail out niet nodig geweest, aldus Rogers. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Welke ideologie de meeste verantwoordelijkheid voor de crisis toekomt, is moeilijk vast te stellen. Voor de hand ligt eerder om te concluderen dat het kapitalisme en het socialisme in de afgelopen twintig jaar een ongelukkig verbond zijn aangegaan. Aan de ene kant verwaarloosde de overheid uit naam van de vrije markt haar rol als hoeder van het publieke belang en tegelijkertijd wierp zij zich ook op als sociale investeringsstaat die als economisch vangnet fungeerde. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Juist dit ideologische compromis &amp;ndash; beter bekend als De Derde Weg &amp;ndash; is problematisch gebleken. Want het maakte risicovol gedrag &amp;lsquo;ondergewaardeerd&amp;rsquo;, zoals dat in economische termen heet: risico&amp;rsquo;s nemen, zoals goedkope leningen verstrekken, werd minder risicovol. En omdat deze Derde Weg onder leiding van de sociaaldemocraten werd ingeslagen (in Engeland onder Blair, in Nederland onder Kok), worden die partijen nu ook door de kiezer afgestraft voor het falen ervan. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Geen wonder dus dat Wouter Bos in zijn kortgeleden uitgesproken Den Uyl-lezing getiteld &lt;em&gt;De Derde Weg voorbij &lt;/em&gt;expliciet afstand heeft genomen van deze filosofie. Volgens hem lag de &amp;bdquo;grote tragiek&amp;rdquo; van De Derde Weg in het feit dat &amp;bdquo;de op zich noodzakelijke wending van de sociaaldemocratie naar een positievere houding ten opzichte van bedrijfsleven, vrije markt en ondernemerschap, plaats vond op het moment dat het moderne kapitalisme van karakter aan het veranderen was&amp;rdquo;. Door globalisering en deregulering viel de vrije markt namelijk niet langer &amp;bdquo;te temmen&amp;rdquo;, aldus Bos. En het socialisme verergerde die ontembaarheid alleen maar: de staat stond immers garant. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;De PvdA-leider stelt daarom voor om voortaan een scherpere scheiding tussen de vrije markt en het publieke belang aan te brengen. Zo wordt risico nemen op de vrije markt gedesocialiseerd (en dus &amp;lsquo;duurder&amp;rsquo;) en tegelijkertijd het publieke belang gedeliberaliseerd (en dus beter te waarborgen). &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Wat dit afscheid van de Derde Weg in concreto betekent, liet Bos grotendeels in het midden, maar filosofisch gezien lijkt het een plausibele zet: het is een antwoord op een aantal ideologische tekortkomingen van de afgelopen kwart eeuw. Daarmee zal de partij het vertrouwen van de weggelopen kiezer moeten herwinnen. Of het buiten nu vriest of niet. &lt;br&gt;&lt;br&gt;&lt;em&gt;Verschenen in nrc.next op 10 januari 2010.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&lt;br/&gt;&lt;br/&gt;&lt;p&gt;Auteur: Rob Wijnberg&lt;br/&gt;Datum: 14 februari 2010&lt;/p&gt;</description>
			<pubDate>Sun, 14 Feb 2010 11:00:00 +0100</pubDate>
			
			
			<guid>http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-zin-100-het-ongelukkige-compromis-van-de-socialist-en-de-kapitalist/</guid>
		</item>
		
		<item>
			<title>Essay Zin 99 De beperkte waarde van opiniepeilingen</title>
			<link>http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-zin-99-de-beperkte-waarde-van-opiniepeilingen/</link>
			<description>&lt;p&gt;&lt;img src=&quot;http://www.robwijnberg.nl/assets/Uploads/7c86b00d-2784-4186-b82c-f518a10e8196&quot; align=&quot;right&quot;/&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;'Verpletterend nee' kopte De Telegraaf naar aanleiding van de uitslag van haar eigen peiling onder bijna 200.000 lezers, waaruit bleek dat maar liefst 89 procent tegen de invoering van de kilometerheffing is. Dat de peiling tendentieus was, kon bijna niemand zijn ontgaan: er stonden alleen maar nadelen van het plan in de vragen. Maar volgens de socioloog en filosoof Pierre Bourdieu zijn dit soort peilingen inmiddels geen uitzonderingen. Peilingen zijn namelijk verworden tot politieke instrumenten ter rechtvaardiging van een bepaald beleid, zegt hij. Als uit een peiling blijkt dat ergens wel of geen 'draagvlak', geldt dat als legitiem argument. Maar daar valt veel op af te dingen, zegt Bourdieu.  &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt; &lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;strong&gt;Alsof we altijd een mening hebben&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;em&gt;Uitslag van een peiling uitgedrukt in percentages is betekenisloos, zegt Pierre Bourdieu &lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;strong&gt;Door Rob Wijnberg &lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis. Vandaag: waarom peilingen niet alleen opinies registreren, maar ook produceren.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Van de circa 200.000 geënquêteerde &lt;em&gt;Telegraaf&lt;/em&gt;lezers gaf maar liefst 89 procent te kennen tegen de invoering van de kilometerheffing te zijn. ‘Verpletterend nee’ kopte de krant de volgende dag dan ook op de voorpagina. Hoofdredacteur Sjuul Paradijs noemde de uitslag „zeer verrassend”.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Enig sarcasme zat in die woorden wel besloten – of het moet zo zijn dat Paradijs zijn eigen krant niet leest. Wie de afgelopen drie maanden een Telegraaf had opengeslagen, was namelijk op de volgende berichtgeving gestuit.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;‘Kilometerheffing levert alleen verliezers op’ (14 november); ‘Raad van State vernietigend over km-heffing’ (19 november); ‘SUV-rijder dupe kilometerheffing’ (20 november); ‘Verzet tegen spionagekastje groeit’ (21 november); ‘Steun voor km-heffing wankelt’ (25 november); ‘Pomphouders ook tegen km-heffing’ (25 november); ‘Autoprijs onzeker door km-heffing’ (28 november); ‘Kilometerheffing helpt niet tegen filedruk’ (1 december); ‘Kilometerkastje simpel te kraken’ (2 december); ‘Verzet groeit tegen de kilometerheffing’ (3 december); ‘Km-heffing treft ook hybride auto’ (4 december); ‘MKB’ers faliekant tegen km-heffing’ (21 december) en ‘Kilometerheffing wordt een ramp’ (9 januari).&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Zo bekeken is de werkelijke verrassing dat 11 procent van de ondervraagde lezers nog wél voorstander van de kilometerheffing bleek te zijn. De vraag is dan ook of hier eigenlijk wel sprake is geweest van een peiling, of dat de Telegraafenquête beter geschaard kan worden onder wat in de literatuur bekendstaat als een push poll.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Dat is een campagnetechniek waarbij geprobeerd wordt om de opvattingen van mensen te sturen door ze, onder het mom van een peiling, bepaalde vragen voor te leggen. Het doel van die vragen is om de respondenten te confronteren met de boodschap die de peiler wenst over te brengen. Kenmerkend voor een push poll is dan ook dat de vraagstelling zeer suggestief is en het aantal ondervraagden onnodig groot. Aan beide kenmerken voldeed de Telegraafenquête ruimschoots.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Zo stond alleen al in de introductie van de enquête dat het besluit om de kilometerheffing in te voeren „alom beroering” heeft gewekt en dat „veel in de plannen van verkeersminister Eurlings onduidelijk is, zoals: wat zijn de verwachte kosten van de kilometerheffing, wat zijn de gevolgen voor de privacy […] en wat is het effect op de files?”.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Direct daarna moest de respondent beantwoorden of hij voor of tegen was. Ongeacht het antwoord luidde de vraag die daarop volgde: „Wat zijn uw grootste bezwaren tegen de kilometerheffing?” De respondent kon daarbij kiezen uit elf bezwaren, waarvan drie door de krant zélf zojuist nog onduidelijk waren genoemd (‘inbreuk op de privacy’, ‘te hoge kosten’, ‘geen effect op files’). Mogelijke voordelen van de kilometerbeprijzing werden in de hele enquête niet vermeld.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Nu lijkt dit een extreem voorbeeld, maar de enquête van De Telegraaf zou door de Franse socioloog en filosoof Pierre Bourdieu (1930-2002) exemplarisch zijn gevonden voor de hedendaagse opiniepeiling. In zijn essay &lt;em&gt;De publieke opinie bestaat niet&lt;/em&gt; (1973) stelt Bourdieu namelijk dat de opiniepeiling is verworden tot „instrument voor politieke actie”, waarvan de belangrijkste functie is „de illusie te creëren dat er zoiets bestaat als ‘de publieke opinie’, waarmee een bepaald beleid kan worden gelegitimeerd”. In werkelijkheid, zegt Bourdieu, „is de publieke opinie zoals die zich op de voorpagina’s van kranten manifesteert een artefact die moet verhullen dat de status van een opvatting toebehoort aan een systeem van politieke krachten en spanningen – en dat niets die status slechter weergeeft dan een percentage”.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Daarmee bedoelde Bourdieu – anders dan de provocerend bedoelde titel van zijn essay doet vermoeden – niet zozeer dat er geen publieke opinie over bepaalde onderwerpen zou bestaan, maar eerder dat deze opinie geen ‘gegeven’ is die met behulp van een peiling kan worden ‘blootgelegd’. De ‘publieke opinie’ is namelijk altijd het product van een maatschappelijke krachtenveld, waarvan de opiniepeiling zelf ook een onderdeel is. Of simpeler geformuleerd: een peiling registreert niet slechts de publieke opinie, maar produceert deze ook.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Twee factoren in het bijzonder spelen daarbij een rol. Ten eerste, zegt Bourdieu, veronderstelt een opiniepeiling dat men „overal een mening over heeft of kan hebben”. Daardoor dwingt de peiling als het ware een mening af bij de ondervraagde. Een goed voorbeeld is het feit dat de Telegraafenquête slechts de mogelijkheid bood om voor of tegen de kilometerheffing te zijn; de optie dat men er nog niet uit is of geen voorkeur heeft, werd bij voorbaat uitgesloten. Ook de vraag „Verwacht u dat het fileleed zal verminderen door de km-heffing?” is tekenend voor wat Bourdieu bedoelt. Die vraag suggereert namelijk dat het effect van de maatregel iets is waar je een ‘mening’ over kunt hebben.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Vermelding van de optie ‘weet niet’ of ‘geen mening’ doet daar vaak niets aan af. Uit statistische analyses van enquêtes is namelijk gebleken dat gemiddeld slechts 10 tot 15 procent van de respondenten deze optie kiest – vermoedelijk omdat men bang is om voor ‘dom’ te worden versleten of uit angst om de enquête ‘verkeerd’ in te vullen. Worden er echter zogenoemde filtervragen gesteld, zoals ‘Beschikt u over genoeg kennis van het onderwerp om er een mening over te hebben?’, dan ligt het percentage dat zegt ‘geen mening’ te hebben plotseling aanzienlijk hoger. Veel ondervraagden vormen dus een mening vanwege de opiniepeiling.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Ten tweede, zegt Bourdieu, gaat een opiniepeiling ervan uit „dat er reeds overeenstemming is bereikt over welke problemen er bestaan en welke vragen dus de moeite waard zijn om te stellen”. Maar de vragen, en de kwesties waarop ze betrekking hebben, zijn ook onderdeel van een politiek discours – en dus aan totaal uiteenlopende interpretaties onderhevig. Het grote raadsel dat aan elke opiniepeiling kleeft is volgens Bourdieu dan ook „welke vragen de verschillende groepen respondenten dachten te beantwoorden”.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Voor de één betekent de vraag ‘Bent u voor of tegen de kilometerheffing?’ namelijk vrij vertaald ‘Vertrouwt u deze regering?’; voor een ander betekent het ‘Wilt u een schoner milieu?’ en voor een derde betekent het ‘Wilt u er een nieuwe belasting bij?’. Door al deze interpretaties te beschouwen als antwoorden op één en dezelfde vraag, is de uiteindelijke uitslag van een peiling meestal niets meer dan een “betekenisloos percentage”, aldus Bourdieu.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Dat wil zeggen: de uitslag geeft weliswaar een antwoord weer, maar waaróp het precies een antwoord is, kan er niet uit worden opgemaakt. Dat probleem deed zich ook sterk voor bij het referendum over de Europese Grondwet. Betekende het massale ‘nee’ (61,5 procent stemde tegen) een afwijzing van de grondwettekst? Of van een deel ervan? Of was het een ‘nee’ tegen Europa zelf? Of tegen het nationale beleid van de regering? Of beide?&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;De grote tekortkoming van de meeste opiniepeilingen is, kortom, tweeledig: ten eerste dwingt een peiling de ondervraagde een positie in te nemen ten aanzien van een kwestie die door de peiler is geformuleerd en afgebakend. Ten tweede veronderstelt men dat deze individuele posities bij elkaar opgeteld, een eenduidige collectieve opvatting vormen. Op beide aannames valt veel af te dingen.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Het belang dat desondanks aan opiniepeilingen wordt gehecht, door politici en media, laat volgens de Amerikaanse filosoof Gerard Hauser bovendien zien, dat tegenwoordig nog maar weinig waarde wordt gehecht aan wat de Griekse wijsgeer Aristoteles (384 v. Chr. - 322 v. Chr.) phronesis noemde – oftewel: praktische wijsheid. Dat wil zeggen, in de moderne samenleving is het hebben van een mening een gegeven. Op de vraag ‘wat vind jij daarvan?’ wordt als vanzelfsprekend en onmiddellijk een antwoord verwacht.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Voor Aristoteles was het vormen van een mening echter een deugd die men moest cultiveren – en waarvoor dus enige toewijding en inspanning was vereist. De ‘publieke opinie’ beschouwde hij dan ook niet zozeer als een optelsom van opvattingen, maar eerder als een „gedeelde activiteit met een gezamenlijk doel”, aldus Hauser. &lt;br/&gt;De vraag is of wij nog wel de tijd hebben voor de toewijding die Aristoteles cruciaal achtte voor het vormen van een publieke opinie.&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Dat bovenaan de Telegraafenquête stond vermeld: ‘Het invullen van de vragen duurt maximaal drie minuten’ doet in ieder geval het ergste vermoeden. &lt;br/&gt;&lt;br/&gt;&lt;em&gt;Verschenen in nrc.next op 3 februari 2010.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;&lt;br/&gt;&lt;br/&gt;&lt;/p&gt;&amp;#13;
&lt;p&gt;Auteur: Rob Wijnberg&lt;br/&gt;Datum: 03 februari 2010&lt;/p&gt;</description>
			<pubDate>Wed, 03 Feb 2010 11:00:00 +0100</pubDate>
			
			
			<guid>http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-zin-99-de-beperkte-waarde-van-opiniepeilingen/</guid>
		</item>
		
		<item>
			<title>Essay Zin 98 De paradox van het proces tegen Geert Wilders</title>
			<link>http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-zin-98-de-paradox-van-het-proces-tegen-geert-wilders/</link>
			<description>&lt;img align=&quot;right&quot; src=&quot;http://www.robwijnberg.nl/assets/Uploads/5e83831f-5af7-4e77-a304-63ef8ab71225&quot; alt=&quot;&quot;&gt;&lt;h4&gt;Essay Zin 98 De paradox van het proces tegen Geert Wilders&lt;/h4&gt;&lt;!-- [TID] --&gt;&lt;p&gt;	Dat moslims de enorme populariteit van de PVV en haar voorman Geert Wilders vrezen, is wel invoelbaar. Wilders behoort namelijk tot de meest radicale critici van de islam: hij beschouwt de islam als een inherent fascistische ideologie, die niet aan emancipatie onderhevig kan zijn. Dat hij daarbij een verschil maakt tussen 'de ideologie' enerzijds en 'de belijders' anderzijds doet daar niks aan af: een ideologie is natuurlijk nooit gevaarlijk als er geen mensen zijn die er aanhanger van zijn. &lt;strong&gt;Door zijn benadering van de islam als statisch en voor slechts &amp;eacute;&amp;eacute;n interpretatie vatbaar, scheert hij moslims dus voortdurend over een kam. Maar waarom doen zijn aanklagers dan nu hetzelfde?&lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&lt;!-- [TID] --&gt;&lt;p&gt;	&lt;/p&gt;&lt;p&gt;&lt;strong&gt;De paradox van het Wilders-proces: &amp;lsquo;ze&amp;rsquo; zijn beledigd&lt;/strong&gt; &lt;/p&gt;&lt;p&gt;&lt;em&gt;Critici vinden dat PVV-leider alle moslims over &amp;eacute;&amp;eacute;n kam scheert. Waarom doen zij dan nu hetzelfde? &lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&lt;p&gt;&lt;strong&gt;Door Rob Wijnberg &lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&lt;p&gt;Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis. Vandaag: de tegenstrijdige boodschap van een proces. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Hij hernam zijn formulering heel snel, alsof hij een beetje schrok van het woord dat hij zojuist had gebruikt. De Rotterdamse strafpleiter Haroon Raza, die net als zijn collega-advocaat Gerard Spong aangifte deed tegen PVV-leider Geert Wilders wegens haatzaaien, discriminatie en belediging van moslims, zette vorige week, vlak voor de eerste rechtszitting, in EenVandaag zijn beweegredenen voor die aangifte nog eens uiteen: &amp;bdquo;Op het moment dat iemand tegen jou zegt &amp;lsquo;Je bent minderwaardig&amp;rsquo;; op het moment dat iemand tegen jou zegt &amp;lsquo;je moet hier weg&amp;rsquo;&amp;rdquo;, zei Raza, &amp;bdquo;dan ga je je zorgen maken om jezelf, je gaat je zorgen maken om je kinderen en je gaat je zorgen maken om de andere leden van de groep.&amp;rdquo; &lt;/p&gt;&lt;p&gt;&amp;bdquo;Althans, &lt;em&gt;de groep&lt;/em&gt;&amp;rdquo;, verbeterde Raza zich toen en zette het woord &amp;lsquo;groep&amp;rsquo; met zijn vingers tussen aanhalingstekens. Dat was &amp;bdquo;zoals Wilders dat benoemt&amp;rdquo;, zei hij. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Met zijn verspreking legde Raza onbedoeld bloot wat, in filosofische zin, zo problematisch is aan de rechtsgang die hij zelf mede in gang heeft gezet. Over het grootste bezwaar tegen de anti-islamretoriek van Geert Wilders zijn de meeste critici het namelijk wel eens: de PVV-leider scheert moslims voortdurend over &amp;eacute;&amp;eacute;n kam. Hij lijkt soms totaal geen onderscheid te maken tussen een islamitische zelfmoordterrorist uit Afghanistan of een vredelievende moslim uit Purmerend-Zuid. In zijn film &lt;em&gt;Fitna&lt;/em&gt; worden beelden van haatprekende Arabische imams geruisloos opgevolgd door onheilspellende statistieken over het groeiende aantal moslims in Nederland &amp;ndash; alsof daartussen een verband bestaat. En in een interview op de Deense televisie sprak Wilders zelfs van &amp;bdquo;miljoenen, tientallen miljoenen&amp;rdquo; potenti&amp;euml;le moslimterroristen op het Europese continent. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Critici van links tot rechts &amp;ndash; van Agnes Kant tot Rita Verdonk &amp;ndash; hebben daar dan ook tegenover gesteld dat je niet zomaar kunt spreken over de islam en de moslims. Behoudens het feit dat ze allemaal zeggen te geloven in de Koran, zijn een Marokkaanse hangjongere uit Amsterdam-Slotervaart, een Turkse studente uit Rotterdam-Zuid en een Indische bakker uit Utrecht Terwijde net zo vergelijkbaar als een christelijk evangelist uit Staphorst en een rooms-katholiek uit Den Haag. Laat staan dat &amp;lsquo;ze&amp;rsquo; ook maar iets gemeen zouden hebben met hun geloofsgenoten uit Saoedi-Arabi&amp;euml; of Iran. Nee, moslims komen &amp;ndash; het zijn net mensen &amp;ndash; evengoed in alle soorten en maten: van orthodox tot vrijzinnig; van maatschappelijk ge&amp;euml;ngageerd tot politiek afzijdig; van principieel tot pragmatisch; van moskeevast tot nauwelijks belijdend. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;En juist d&amp;aacute;t maakt het dan ook zo vreemd dat Wilders nu voor &amp;lsquo;groepsbelediging&amp;rsquo; van moslims wordt gedaagd. Want, ook al bestaat de groep waar de PVV-leider tegen fulmineert volgens zijn critici niet, kennelijk kan &amp;lsquo;ze&amp;rsquo; wel beledigd zijn door kritiek op &amp;lsquo;haar&amp;rsquo; religie. Van de rechtszaak gaat zo een volstrekt tegenstrijdige boodschap uit. Aan de ene kant willen Spong, Raza en consorten dat moslims beoordeeld en bejegend worden als autonome individuen in plaats van als homogene massa, maar tegelijkertijd vragen ze om juridische bescherming van godsdienstige gevoelens &amp;ndash; als waren moslims &amp;eacute;&amp;eacute;n groot op haar ziel getrapt collectief. Zoals Wilders dat voortdurend wordt verweten, worden moslims ook door hun raadsheren onbedoeld &amp;lsquo;weggezet als groep&amp;rsquo;. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Niet dat de behoefte aan rechtsbescherming onbegrijpelijk is. Wilders is van alle bekende islamcritici namelijk veruit de radicaalste. Zo beschouwt hij, anders dan bijvoorbeeld Ayaan Hirsi Ali, de islam als statisch en onveranderlijk en koestert hij dus geen emancipatie-ideaal. Wilders biedt moslims maar twee opties: de religie afzweren (assimilatie) of weggaan (emigratie) &amp;ndash; een middenweg erkent hij niet. En zijn oproep tot een Koranverbod vond zelfs Vlaams Belang-voorman Filip de Winter een teken dat Wilders &amp;bdquo;radicaliseert&amp;rdquo;. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Het verschil tussen een gematigde en radicale islam is gedurende een periode van ongeveer vier jaar dan ook volledig uit de politieke filosofie van Wilders verdwenen. Maakte de PVV-leider zich in 2005, toen hij zich net had afgescheiden van de VVD, nog uitsluitend zorgen om de &amp;bdquo;uitwassen van de islam&amp;rdquo;, in 2009 beschouwde hij de islam reeds als een intrinsiek kwade ideologie die geen uitwassen kent. &amp;bdquo;Er is geen gematigde islam&amp;rdquo;, zei Wilders op de Amerikaanse zender CBN, &amp;bdquo;er is slechts de fascistische islam.&amp;rdquo; &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Ook het begrip &amp;lsquo;moslim&amp;rsquo; onderging een soortgelijke transformatie. Sprak Wilders eerst nog van gematigde en radicale moslims, in 2009 bleek dat onderscheid al niet meer te bestaan. Toen Ahmed Aboutaleb ge&amp;iuml;nstalleerd werd als burgemeester van Rotterdam bijvoorbeeld, zag Wilders dat als een teken van voortschrijdende islamisering. &amp;bdquo;Nog even&amp;rdquo;, zei hij, &amp;bdquo;en we krijgen een imam als aartsbisschop.&amp;rdquo; &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Door die reactie nam Wilders definitief afstand van het verschil tussen de ene moslim en de andere. De naam Aboutaleb had immers zo in het PVV-programma kunnen worden opgenomen onder het kopje &amp;lsquo;voorbeeldallochtoon&amp;rsquo;: aangepast op het geassimileerde af, spreekt vloeiend Nederlands, is maatschappelijk betrokken en belijdt zijn religie bovendien zoals iedere rechtschapen liberaal dat het liefste ziet &amp;ndash; ondogmatisch en achter de voordeur. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Hij draagt geen baard en geen djellaba, maar een maatpak en een modern montuur, dus van &amp;lsquo;vervuiling van het straatbeeld&amp;rsquo; is geen sprake. Hij onderschrijft publiekelijk de kernwaarden van de democratische rechtsstaat en valt geloofsgenoten die dat niet doen ook publiekelijk af. Hij geeft vrouwen een hand, hij geeft homo&amp;rsquo;s gelijke rechten, en als klap op de vuurpijl geeft hij Wilders nog complimenten ook: de PVV-leider weet &amp;bdquo;de pijn van mensen goed te verwoorden&amp;rdquo;, zei Aboutaleb ooit in Pauw &amp;amp; Witteman. Niks geen klachten over &amp;lsquo;de toon&amp;rsquo; van het debat, maar begrip voor de gepijnigde autochtone bevolking en hun Venlose spreekbuis. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;En toch kon Aboutaleb maar beter &amp;bdquo;burgemeester worden van Rabat in Marokko&amp;rdquo;, zei Wilders destijds. Kortom, of je nu een &amp;lsquo;straatterrorist&amp;rsquo; bent die uit naam van Allah de plaatselijke buurtsuper berooft van het dorp dat je probeert te &amp;lsquo;koloniseren&amp;rsquo;, of een &amp;uuml;berbeschaafd politicus uit Beni Sidel die het schopt tot burgervader: de PVV heeft het vliegtuig hoe dan ook voor je klaarstaan. De optelsom is dan al gauw gemaakt. Als zelfs een volledig verwesterde moslim als Aboutaleb bijdraagt aan de zogenoemde &amp;lsquo;islamisering van Nederland&amp;rsquo;, en de bestaansreden van je partij is om d&amp;aacute;t proces koste wat kost tegen te gaan, wie mag dan &lt;em&gt;wel&lt;/em&gt; blijven? &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Het zelfverklaarde onderscheid van Wilders tussen de &amp;lsquo;islam&amp;rsquo; en &amp;lsquo;moslims&amp;rsquo; doet daar niks aan af. Dat onderscheid is namelijk holle retoriek. Immers, zou Wilders daadwerkelijk een verschil hanteren tussen de ideologie en de belijders ervan, dan zou zijn hele politieke agenda gratuit zijn. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Hij zou dan immers van politicus degraderen tot een veredeld literair criticus, die niks anders doet dan &amp;lsquo;de ideologie&amp;rsquo; islam zoals neergelegd in &amp;lsquo;het boek&amp;rsquo; de Koran bekritiseren. Een reden om moslims te weren bij de grens heeft Wilders dan niet meer; het weren van Korans zou dan al voldoende moeten zijn. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Dat de PVV-leider ooit beweerde dat Fitna &amp;bdquo;niet over moslims gaat, maar over de islamitische ideologie&amp;rdquo; illustreert hoe absurd dat onderscheid eigenlijk is: hoe kan een ideologie ooit een gevaar vormen als zij niet haar weerslag vindt in de hoofden van mensen? Een politieke ideologie all&amp;eacute;&amp;eacute;n kan nooit &amp;lsquo;fascistisch&amp;rsquo; of &amp;lsquo;gewelddadig&amp;rsquo; zijn. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Dat mensen die zichzelf moslim noemen Wilders vrezen, is dus volledig invoelbaar. Maar dat maakt angst nog geen goede raadgever. Dat wil zeggen: het maakt vervolging van Wilders nog geen verstandig verweer. Want door een politicus met zoveel aanhang te vervolgen, wakker je aan de andere kant juist de angst aan die hem zoveel populariteit bezorgt. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Het proces geeft immers het signaal dat moslims een &amp;lsquo;homogene groep&amp;rsquo; vormen die inderdaad een bedreiging zijn voor &amp;lsquo;onze&amp;rsquo; vrijheden. En van dat signaal profiteert er maar &amp;eacute;&amp;eacute;n: Geert Wilders. De PVV-voorman heeft, in de ogen van zijn aanhang, sinds vorige week woensdag definitief gelijk gekregen. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Met andere woorden, het proces tegen Wilders voelt voor &amp;lsquo;de PVV-stemmers&amp;rsquo; net zo bedreigend als de PVV-leider bedreigend voelt voor &amp;lsquo;de moslims&amp;rsquo;. Daarmee wordt het probleem dus eerder aangewakkerd dan verholpen. Beter zou zijn om met elkaar in dialoog te blijven, zodat duidelijk wordt dat iedereen eigenlijk bang is voor hetzelfde, namelijk: terreur uit naam van een geloof dat nagenoeg niemand in Nederland belijdt &amp;ndash; of je nu moslim bent of niet. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;In de rechtszaal vindt die dialoog slechts haar Waterloo. &lt;br&gt;&lt;br&gt;&lt;em&gt;Verschenen in nrc.next op 27 januari 2009.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&lt;br/&gt;&lt;br/&gt;&lt;p&gt;Auteur: Rob Wijnberg&lt;br/&gt;Datum: 27 januari 2010&lt;/p&gt;</description>
			<pubDate>Wed, 27 Jan 2010 11:00:00 +0100</pubDate>
			
			
			<guid>http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-zin-98-de-paradox-van-het-proces-tegen-geert-wilders/</guid>
		</item>
		
		<item>
			<title>Essay Zin 97 Met de kennis van nu blijft de beslissing van toen dubieus</title>
			<link>http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-zin-97-met-de-kennis-van-nu-blijft-de-beslissing-van-toen-dubieus/</link>
			<description>&lt;img align=&quot;right&quot; src=&quot;http://www.robwijnberg.nl/assets/Uploads/098438fe-af6c-4358-a07d-603d5c03a5e3&quot; alt=&quot;&quot;&gt;&lt;h4&gt;Essay Zin 97 Met de kennis van nu blijft de beslissing van toen dubieus&lt;/h4&gt;&lt;!-- [TID] --&gt;&lt;p&gt;	&lt;/p&gt;&lt;p&gt;'Met de kennis van nu' is een ware hype aan het worden: iedere keer als iemand een fout begaat, maakt hij zich er bij wijze van grap vanaf met de frase dat hij het 'met de kennis van toen' anders had ingeschat.&amp;nbsp; Zo maakte premier Balkenende zich ook af van de kritiek van de commissie-Davids dat er geen volkenrechtelijk mandaat voor de oorlog in Irak bestond. &lt;strong&gt;De vraag blijft echter: op grond waarvan kwam het kabinet destijds dan tot die afweging?&amp;nbsp; Het antwoord moet gelegen zijn in een dubbelzinnig interpretatie van 'preventieve oorlog'.&amp;nbsp; &lt;/strong&gt;Waar het volkerenrecht een onmiddellijke dreiging als grond voor een oorlog erkent, hanteerde het kabinet, net als Amerika, een op termijn onvermijdelijke dreiging als grondslag. En aan die beslissing verandert 'de kennis van nu' helemaal niks.&lt;/p&gt;&lt;!-- [TID] --&gt;&lt;p&gt;	&lt;/p&gt;&lt;p&gt;&lt;strong&gt;Welke &amp;lsquo;kennis van nu&amp;rsquo; bedoelt de premier precies? &lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&lt;p&gt;&lt;em&gt;Achteraf gezien was er geen mandaat voor de Irak-oorlog, zegt het kabinet. Maar wat was dan de afweging destijds? &lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&lt;p&gt;&lt;strong&gt;Door Rob Wijnberg &lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&lt;p&gt;Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis. Vandaag: de oorlog als semantische kwestie. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Was de Amerikaans-Britse inval in Irak &amp;lsquo;legaal&amp;rsquo;? Kon het gebruik van geweld worden gerechtvaardigd op grond van &amp;lsquo;VN-resolutie 1441&amp;rsquo;? Was een tweede resolutie van de Veiligheidsraad &amp;lsquo;juridisch noodzakelijk&amp;rsquo; of alleen &amp;lsquo;politiek wenselijk&amp;rsquo;? Het debat over het Irak-rapport van de commissie-Davids richt zich zo op technische en semantische kwesties dat je bijna zou vergeten dat het om een oorlog gaat waarbij al zeker honderdduizend burgerdoden zijn gevallen. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Toch zijn deze kwesties van groot belang om te kunnen beoordelen hoe het kabinet in 2003 tot zijn steun aan de oorlog kwam. Niet voor niets wijdt de commissie-Davids een groot deel van haar rapport aan de vraag of er een zogenoemd &amp;lsquo;volkenrechtelijk mandaat&amp;rsquo; was om Irak binnen te vallen. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Ja, concludeerde het kabinet destijds op basis van twee oude VN-resoluties (uit de tijd van de Golfoorlog) en resolutie 1441 (uit 2002), waarin Irak een &amp;bdquo;laatste mogelijkheid&amp;rdquo; werd geboden om volledig mee te werken aan de wapeninspecties van de Verenigde Naties. Deed het land dat niet, dan zouden daar &amp;bdquo;ernstige gevolgen&amp;rdquo; aan verbonden worden, aldus de resolutie. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Nee, stelde de commissie-Davids echter. Resolutie 1441 kon niet worden ge&amp;iuml;nterpreteerd als een &amp;bdquo;machtiging aan individuele lidstaten om zonder nadere besluitvorming van de Veiligheidsraad tot geweldgebruik over te gaan&amp;rdquo;. In de resolutie stond namelijk dat eventuele schending ervan opnieuw &amp;bdquo;ter beoordeling aan de Veiligheidsraad&amp;rdquo; moest worden voorgelegd en bovendien ontbrak de zinsnede &amp;lsquo;use of all necessary means&amp;rsquo;, aldus de commissie. De begrippen &amp;lsquo;laatste mogelijkheid&amp;rsquo; en &amp;lsquo;ernstige gevolgen&amp;rsquo; waren dus niet voldoende grond voor een oorlog. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;De grote vraag blijft echter: hoe kwam het kabinet in 2003 dan toch tot de conclusie dat een volkenrechtelijk mandaat aanwezig was? Het antwoord is vermoedelijk gelegen in een tweeledige betekenis van het begrip &amp;lsquo;preventief&amp;rsquo;. Volgens het volkenrecht kan een oorlog uit zelfverdediging namelijk gerechtvaardigd zijn (&amp;lsquo;&lt;em&gt;just war&amp;rsquo;&lt;/em&gt;) wanneer deze wordt gevoerd om een onmiddellijke inbreuk op de vrede en veiligheid te voorkomen &amp;ndash; een preventieve oorlog dus. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Maar, zegt de in Amerika werkzame Nederlandse filosoof Harry van der Linden in de essaybundel &lt;em&gt;Philosophical Perspectives on the &amp;lsquo;War on Terrorism&amp;rsquo;&lt;/em&gt; (2007): de Verenigde Staten hielden er een ruimer begrip van &amp;lsquo;preventieve oorlog&amp;rsquo; op na dan de Verenigde Naties. Dat verschil komt tot uitdrukking in het subtiele onderscheid tussen &lt;em&gt;pre-emptive&lt;/em&gt; en &lt;em&gt;preventive&lt;/em&gt; (beiden Engels voor &amp;lsquo;preventief&amp;rsquo;). &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Een &amp;lsquo;pre-emptive war&amp;rsquo;, zegt Van der Linden, is erop gericht een onmiskenbare en onmiddellijke dreiging te ontmantelen, vergelijkbaar met een agent die een verdachte neerschiet op het moment dat deze naar een wapen grijpt. Een &amp;lsquo;preventive war&amp;rsquo; is er daarentegen op gericht een op termijn onvermijdelijke dreiging te ontmantelen. Die dreiging wordt dus weliswaar als onafwendbaar beschouwd, maar is niet onmiddellijk. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Het belangrijkste verschil van inzicht tussen de Verenigde Naties en de Verenigde Staten had waarschijnlijk hierop betrekking. Voor een &amp;lsquo;pre-emptive war&amp;rsquo; zou een volkenrechtelijk mandaat mogelijk zijn geweest. Maar dat Irak een onmiddellijke dreiging vormde, stond nog niet onomstotelijk vast, oordeelde de Veiligheidsraad. Resolutie 1441 bood het regime van Saddam niet voor niets een laatste mogelijkheid tot medewerking aan de wapeninspecties. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;De regering-Bush ging echter uit van de noodzaak van een &amp;lsquo;preventive war&amp;rsquo; (ook al sprak ze, uit strategische overwegingen, steeds van &amp;lsquo;pre-emptive war&amp;rsquo;), gebaseerd op de gedachte dat de dreiging op termijn hoe dan ook onvermijdelijk was &amp;ndash; en ingrijpen dus reeds gerechtvaardigd. Nederland schaarde zich al vrij snel achter deze Amerikaanse opstelling, door de commissie-Davids ook wel getypeerd als de &amp;bdquo;trans-Atlantische reflex&amp;rdquo;. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;En ook in zijn eerste reactie op het Irak-rapport hield premier Balkenende vorige week aan deze interpretatie van het volkenrecht vast, ondanks het feit dat de commissie nadrukkelijk tot een andere conclusie was gekomen. Pas later erkende de premier &amp;ndash; gedwongen door de PvdA &amp;ndash; in een brief aan de Tweede Kamer dat &amp;bdquo;met de kennis van nu [&amp;hellip;] een adequater volkenrechtelijk mandaat nodig zou zijn geweest&amp;rdquo;. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Maar heeft die erkenning wel enige betekenis? Nee, zou je op grond van het voorgaande zeggen. Het belangrijkste twistpunt is immers niet of de noodzaak van een preventieve oorlog met de kennis van nu anders had moeten worden beoordeeld, maar of die noodzaak met de kennis van toen anders had moeten worden beoordeeld. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;De commissie-Davids stelt namelijk dat het kabinet &amp;ndash; ingegeven door de &amp;lsquo;trans-Atlantische reflex&amp;rsquo; &amp;ndash; een te ruime rechtvaardigingsgrond voor de oorlog heeft gekozen: waar het volkenrecht de aanwezigheid van een onmiddellijke dreiging vereist, achtte het kabinet &amp;ndash; net als de Amerikanen &amp;ndash; een op termijn onvermijdelijke dreiging al voldoende. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;De toevoeging &amp;lsquo;met de kennis van nu&amp;rsquo; is in die zin dus loos. De commissie-Davids bekritiseert de afweging van het kabinet niet met terugwerkende kracht. Nee, ze stelt juist dat een adequater volkenrechtelijk mandaat noodzakelijk was in het licht van de kennis van toen. De brief van premier Balkenende oogt dus wel als een erkenning van fouten, maar is dat in werkelijkheid niet. Feitelijk zegt de premier nog steeds achter de afweging te staan zoals die destijds, met de kennis van toen, werd gemaakt. Welke &amp;lsquo;kennis van nu&amp;rsquo; tot een andere afweging zou hebben geleid, blijft onduidelijk. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Daar komt bij dat het eveneens onduidelijk is wat de Nederlandse &amp;lsquo;politieke steun&amp;rsquo; aan de oorlog in de praktijk nu precies heeft betekend. De commissie-Davids concludeerde in haar rapport dat er geen bewijs is gevonden voor militaire steun van ons land. Dat wil zeggen, er zijn voor zover bekend geen Nederlandse militairen in Irak actief geweest. Premier Balkenende prees de commissie dat zij dit &amp;bdquo;hardnekkige gerucht&amp;rdquo; uit de wereld had geholpen. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Maar de vraag is: wat verstaat de premier onder militaire steun? &lt;em&gt;De Groene Amsterdammer&lt;/em&gt; berichtte vorige week namelijk onder de kop &amp;lsquo;Grote hoeveelheden wapens via Nederland naar Irak&amp;rsquo; dat ons land logistiek nauw betrokken is geweest bij de oorlog. Via Nederland zijn onder andere 323 voertuigen, 77 treinen en 44 binnenvaartschepen met Amerikaans legermaterieel naar Irak gegaan. Ook hebben Amerikaanse vliegtuigen onderweg naar Irak bijgetankt op Schiphol. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Bovendien zetelt het belangrijkste commandocentrum van de Amerikaanse oorlogslogistiek genaamd 598th Transportation Group in Capelle aan den IJssel. Dat betekent, schrijft het weekblad, &amp;lsquo;dat alle Europese verplaatsingen van Amerikaans materieel vanuit Capelle aan den IJssel, vlakbij Rotterdam, worden georganiseerd. Niet alleen voor de Iraakse veldtocht, maar voor iedere Amerikaanse oorlog &amp;ndash; ook als Nederland niet deelneemt.&amp;rsquo; &lt;br&gt;Moeten dergelijke logistieke operaties onder militaire activiteiten worden geschaard? Wie bekend is met de filosofie van de Franse generaal en militaire denker Antoine-Henri Jomini (1779-1869), zou die vraag bevestigend beantwoorden. Jomini wordt beschouwd als een van de belangrijkste geestelijk vaders van de moderne oorlogsstrategie en was ook de eerste die een systematische beschouwing schreef over de rol van de logistiek in oorlogsvoering. &lt;br&gt;In zijn boek &lt;em&gt;Summary of the Art of War &lt;/em&gt;(1838) definieerde hij logistiek als &amp;lsquo;de praktische kunst van het verplaatsen van legers&amp;rsquo;. Onder die definitie schaarde hij alle aspecten van het logistieke proces, waaronder de planning, de aanvoer van goederen en de verplaatsing van manschappen. Volgens Jomini was dit een integraal onderdeel van de oorlogsvoering: zonder logistiek waren alle andere militaire activiteiten onmogelijk. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Daarmee week hij af van de visie van de eveneens invloedrijke Pruisische denker Carl von Clausewitz (1780-1831), die logistiek beschouwde als een &amp;lsquo;dienende functie&amp;rsquo;, maar niet als onderdeel van de oorlogsvoering zelf. Toch stelde ook Von Clausewitz dat logistiek w&amp;eacute;l de reikwijdte en intensiteit van de oorlog bepaalt. &lt;br&gt;Zo bekeken ligt het dus voor de hand om de logistieke operaties die op Nederlands grondgebied en met toestemming van de Nederlandse regering hebben plaatsgevonden als &amp;lsquo;militaire steun&amp;rsquo; te beschouwen. Het is immers deze logistiek die, om met Jomini te spreken, de oorlog mede mogelijk heeft gemaakt. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Met zijn korte brief aan de Tweede Kamer heeft het kabinet zich, kortom, wel erg gemakkelijk afgemaakt van het Irak-rapport. Als het van de oorlog toch een semantische kwestie wil maken, dan zijn heldere definities het minste wat je kunt geven. Welke &amp;lsquo;kennis van nu&amp;rsquo; had de premier bewogen tot een andere afweging met betrekking tot het volkenrechtelijk mandaat? En wat onderscheidt volgens hem de &amp;lsquo;politieke&amp;rsquo; steun aan de oorlog van de &amp;lsquo;militaire&amp;rsquo;? &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Op een adequaat antwoord heeft het Nederlandse volk recht. &lt;br&gt;&lt;br&gt;&lt;em&gt;Verschenen in nrc.next op 20 januari 2010.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&lt;br/&gt;&lt;br/&gt;&lt;p&gt;Auteur: Rob Wijnberg&lt;br/&gt;Datum: 21 januari 2010&lt;/p&gt;</description>
			<pubDate>Thu, 21 Jan 2010 11:00:00 +0100</pubDate>
			
			
			<guid>http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-zin-97-met-de-kennis-van-nu-blijft-de-beslissing-van-toen-dubieus/</guid>
		</item>
		
		<item>
			<title>Essay Zin 96 Waarom terroristen bijna altijd jonge mannen zijn</title>
			<link>http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-zin-96-waarom-terroristen-bijna-altijd-jonge-mannen-zijn/</link>
			<description>&lt;img align=&quot;right&quot; src=&quot;http://www.robwijnberg.nl/assets/Uploads/629e1b97-3acb-4f01-b7a3-cd34bb3e461e&quot; alt=&quot;&quot;&gt;&lt;h4&gt;Essay Zin 96 Waarom terroristen bijna altijd jonge mannen zijn&lt;/h4&gt;&lt;!-- [TID] --&gt;&lt;p&gt;	Theorieen over de oorzaken van terrorisme zijn er genoeg.&amp;nbsp; De een stelt dat armoede de belangrijkste bron van radicalisering en geweld is; een ander wijt het aan de ideologische bron - bijvoorbeeld de islam.&lt;strong&gt;&amp;nbsp;Maar, er is &amp;eacute;&amp;eacute;n eigenschap die de meeste terroristen delen en toch vaak over het hoofd wordt gezien: het zijn bijna allemaal jonge mannen. En dat is geen toeval, zegt de Poolse socioloog Gunnar Heinsohn.&lt;/strong&gt;&amp;nbsp; Hij is een van de grondleggers van de &lt;em&gt;youth bulge theory, &lt;/em&gt;waarin sociale conflicten, (burger)oorlogen, en revoluties worden verklaard aan de hand van een demografisch gegeven, namelijk: het percentage jongeren dat een samenleving heeft.&amp;nbsp; Komt dat percentage boven de dertig uit, dan is het doorgaans hommeles, aldus Heinsohn.&lt;/p&gt;&lt;!-- [TID] --&gt;&lt;p&gt;	&lt;/p&gt;&lt;p&gt;&lt;strong&gt;Wie de jeugd heeft, heeft vaak ook&amp;nbsp;een groot leger&lt;/strong&gt; &lt;/p&gt;&lt;p&gt;&lt;em&gt;Terroristen zijn bijna altijd jonge mannen. Dat is geen toeval,&amp;nbsp;zegt&amp;nbsp;de socioloog Gunnar Heinsohn.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&lt;p&gt;&lt;strong&gt;Door Rob Wijnberg &lt;/strong&gt;&lt;/p&gt;&lt;p&gt;Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis. Vandaag: terroristen zijn bijna altijd jonge mannen. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Plotseling lijkt de dreiging van islamitisch terrorisme overal vandaan te komen. In Denemarken werd op 1 januari ternauwernood een moordaanslag op de cartoonist Kurt Westergaard &amp;ndash; bekend van de Mohammed-cartoons &amp;ndash; verijdeld. In Pakistan kwamen diezelfde dag bijna honderd mensen om door een zelfmoordaanslag bij een volleybalwedstrijd, die vermoedelijk door de Taliban was georkestreerd. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;In Somali&amp;euml; verloren twee dagen later 47 mensen het leven bij gevechten tussen de regering en de islamitische rebellengroep Al-Shabaab. En al eerder moesten westerse ambassades in Jemen worden gesloten, omdat de terreurgroep Al-Qaeda-op-het-Arabisch-schiereiland de mislukte aanslag op een Amerikaans passagiersvliegtuig had opge&amp;euml;ist. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Deze terreurdaden zijn zo divers van aard dat een eenduidige verklaring ervoor vinden bijna onmogelijk lijkt. Sommigen beschouwen terrorisme als een puur religieus gemotiveerd fenomeen: de islam zou oproepen tot een gewelddadige jihad tegen niet-moslims en het Westen. Maar tegelijkertijd zijn ook moslims in niet-westerse landen regelmatig doelwit van aanslagen. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Anderen wijzen dan ook vooral op de politieke motieven: terroristen zijn eigenlijk vrijheidstrijders die vechten tegen onderdrukking van hun volk of bezetting van hun grondgebied. Maar waarom wordt dan een cartoonist bedreigd wegens &amp;lsquo;belediging&amp;rsquo; van de islam? &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Een derde theorie luidt dat mensen zouden radicaliseren door armoede. Economische achterstanden zijn dus het werkelijke probleem. Maar hoe moet dan worden verklaard dat Umar Abdulmutallab, die op Eerste Kerstdag een vliegtuig probeerde op te blazen, uit een steenrijke bankiersfamilie kwam? &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Terroristen lijken, kortom, maar weinig gemeen te hebben. Ze hebben volledig verschillende achtergronden, hanteren zeer diverse strategie&amp;euml;n en houden er totaal uiteenlopende motieven op na. Toch wordt &amp;eacute;&amp;eacute;n gedeelde eigenschap vaak over het hoofd gezien: het zijn bijna allemaal &lt;em&gt;jonge mannen.&lt;/em&gt; &lt;/p&gt;&lt;p&gt;De Nigeriaan Abdulmuttalab was pas 23 jaar. De Somali&amp;euml;r die Kurt Westergaard probeerde te vermoorden was 28 jaar. En de rebellengroep in Somali&amp;euml; waartoe hij behoorde, draagt nota bene de naam Al-Shabaab &amp;ndash; oftewel &amp;lsquo;De Jeugd&amp;rsquo; in het Arabisch. Niet dat er geen &amp;lsquo;oudere&amp;rsquo; terroristen zijn, maar radicalisering vindt meestal op jonge leeftijd plaats. Het Amerikaanse tijdschrift &lt;em&gt;Newsweek&lt;/em&gt; had deze week dan ook de veelzeggende kop &lt;em&gt;The Children of Bin Laden&lt;/em&gt; op de voorpagina. Terrorisme lijkt vooral een &amp;lsquo;jongerenprobleem&amp;rsquo; te zijn. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Hoe dat komt, is kortgeleden nog beschreven door de vermaarde Pools-Duitse socioloog Gunnar Heinsohn (1943). In zijn boek &lt;em&gt;Zonen grijpen de wereldmacht &amp;ndash; Terrorisme demografisch verklaard &lt;/em&gt;(2003), dat inmiddels een cultstatus heeft gekregen, poneert Heinsohn de stelling dat terrorisme niet zozeer wordt veroorzaakt door religieus fanatisme of door armoede, maar door een &lt;em&gt;youth bulge&lt;/em&gt; &amp;ndash; oftewel een soort &amp;lsquo;jongerenoverschot&amp;rsquo;. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Van een youth bulge (een uitstulping in de statistische leeftijdsopbouw) is sprake wanneer meer dan 30 procent van de mannelijke bevolking tussen de 15 en 29 jaar oud is. Vanaf dat moment zijn sociale spanningen haast onvermijdelijk, zegt Heinsohn &amp;ndash; met radicalisering, burgeroorlogen of revoluties als gevolg. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;In samenlevingen waar zo&amp;rsquo;n groot deel van de bevolking jonger dan dertig jaar is, bestaan gezinnen namelijk vaak uit drie of meer zonen &amp;ndash; hetgeen binnen de familie al concurrentiestrijd oplevert. En wanneer de zonen eenmaal volwassen zijn geworden, hebben slechts &amp;eacute;&amp;eacute;n of twee uitzicht op een eerbare of machtige positie in de maatschappij. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;De &amp;bdquo;overtolligen&amp;rdquo;, zoals Heinsohn de derde en vierde zonen noemt, bereiken geen zinvolle of prestigieuze posities en zoeken daarom hun uitvlucht in een politieke of religieuze strijd. Zij zijn meestal jaloers op hun succesvollere broers en voelen zich dus aangetrokken tot religieuze stromingen en radicale groepen die hen alsnog een &amp;lsquo;heldenstatus&amp;rsquo; beloven. Via opstand en geweld hopen ze &amp;lsquo;respect&amp;rsquo; af te dwingen van de onverschillige maatschappij. (Voor vrouwen in traditionele samenlevingen gaat deze theorie dan ook niet op, omdat hun positie sowieso beperkt is tot die van echtgenote of moeder.) &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Dit soort sociale onrust heeft verder weinig te maken met hongersnood of armoede, benadrukt de socioloog. Integendeel, om een gevaar te vormen kun je niet straatarm of ondervoed zijn. De jonge mannen die radicaliseren en tot geweld overgaan, zijn dan ook niet op zoek naar geld of voedsel, maar naar &amp;bdquo;erkenning, invloed en waardigheid&amp;rdquo;, aldus Heinsohn. Of, anders gezegd: &amp;bdquo;Om brood wordt gebedeld. Gedood wordt er om status en macht.&amp;rdquo; &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Hoewel Heinsohns theorie natuurlijk niet zomaar te extrapoleren is naar een individueel geval, is het wel veelzeggend dat Umar Abdulmutallab de jongste uit een gezin van 16 kinderen was en bovendien de zoon van een van de meest succesvolle zakenmannen in Afrika. Zijn poging om een vliegtuig op de blazen zou dus best een prestigekwestie in familiekring geweest kunnen zijn. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;De youth bulge-theorie zou echter niet alleen een verklaring kunnen zijn voor terreurdaden, maar voor zeker 80 procent van de gewelddadige conflicten, zegt Heinsohn. Momenteel zijn er naar schatting 67 landen met een jongerenoverschot en in bijna 60 daarvan woedt een burgeroorlog of een andere gewelddadige strijd. Het meest aangehaalde voorbeeld is de Gazastrook, waar de gemiddelde leeftijd rond de 17,5 jaar ligt (ter vergelijking: in Nederland is dat meer dan 40 jaar). &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Een doorsnee familie bestaat daar dan ook uit maar liefst zeven kinderen. Zou een land als Duitsland de afgelopen decennia een soortgelijk geboortetal hebben gehad, dan zouden daar nu geen zeven miljoen 15- tot 29-jarigen wonen, maar ruim tachtig miljoen, becijferde Heinsohn. &amp;bdquo;Denk je dat die allemaal net zo vredig zouden samenleven als nu het geval is?&amp;rdquo; vraagt hij retorisch. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Dat uitgerekend Somali&amp;euml; en Jemen broeinesten van radicale moslims lijken te zijn geworden, hoeft zo bekeken geen verbazing te wekken. De rebellen van Al-Shabaab (&amp;lsquo;De Jeugd&amp;rsquo;) zijn daar namelijk niet alleen. Somali&amp;euml; en Jemen behoren allebei tot de landen met de snelst groeiende bevolking ter wereld. Tussen 1950 en 2050 zal hun populatie naar schatting met respectievelijk een factor 18 en 24 zijn vermenigvuldigd. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Bijna nergens is de bevolking zo jong als daar. In Somali&amp;euml; is de gemiddelde leeftijd nu 17,5 jaar en in Jemen zelfs 16,8 jaar. Die landen lijden, kortom, aan een ongekend groot jongerenoverschot, vergelijkbaar met die van Afghanistan &amp;ndash; waar nu evenveel tieners wonen als in Duitsland en Frankrijk tezamen. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;De grootste youth bulge in de wereld is momenteel dan ook in de islamitische wereld. Van de 27 landen met het grootste percentage jongeren zijn er maar liefst 13 islamitisch &amp;ndash; bijna de helft. Het verband tussen de islam en geweld bestaat dus wel degelijk. Alleen dat verband is niet religieus, maar demografisch van aard, zegt Heinsohn. &lt;br&gt;Deze verklaring, die het menselijke handelen als het ware reduceert tot de bevolkingssamenstelling, wordt daarom ook wel demografisch materialisme genoemd. Niet economische motieven (zoals de Duitse filosoof Karl Marx stelde) of ideologische drijfveren (zoals de Duitse denker Georg Hegel dacht) bepalen de loop van de geschiedenis, maar basale eigenschappen zoals leeftijd en geslacht. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;Is deze theorie ook toepasbaar op Nederland? Strikt genomen niet, want ons land kent al jaren geen jongerenoverschot meer. Maar interessant om op te merken is dat de meest roerige periode uit de recente geschiedenis de jaren 60 waren. Dat was precies het moment waarop de babyboomers, geboren vlak na de oorlog, adolescenten werden. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;En hoewel van een andere orde zou je eveneens een parallel kunnen trekken tussen Heinsohns theorie en de huidige overlast die wordt veroorzaakt door allochtone jongeren. Dat zijn immers ook vaak de jongste telgen uit relatief grote gezinnen die met opstandig en soms gewelddadig gedrag &amp;lsquo;respect&amp;rsquo; hopen af te dwingen van de in hun ogen onverschillige maatschappij. &lt;/p&gt;&lt;p&gt;In die zin is het tamelijk ironisch dat uitgerekend Andr&amp;eacute; Rouvoet, als minister van Jeugd en Gezin verantwoordelijk voor deze problematiek, het volk niet zo lang geleden opriep om m&amp;eacute;&amp;eacute;r kinderen te krijgen. Hij had beter het omgekeerde kunnen bepleiten. Gelukkig vergrijst Nederland nog altijd in razend tempo. Als we Heinsohn mogen geloven, gaan we daardoor een rustige toekomst tegemoet. &lt;br&gt;&lt;br&gt;&lt;em&gt;Verschenen in nrc.next op 13 januari 2009.&lt;/em&gt;&lt;/p&gt;&lt;br/&gt;&lt;br/&gt;&lt;p&gt;Auteur: Rob Wijnberg&lt;br/&gt;Datum: 14 januari 2010&lt;/p&gt;</description>
			<pubDate>Thu, 14 Jan 2010 11:00:00 +0100</pubDate>
			
			
			<guid>http://www.robwijnberg.nl/blog/essay-zin-96-waarom-terroristen-bijna-altijd-jonge-mannen-zijn/</guid>
		</item>
		

	</channel>
</rss>
