Over In Dubio
Indrukwekkend en verhelderend boek dat gelezen zou moeten worden door iedereen die meent te weten wat wel en wat niet gezegd mag worden.
NRC Handelsblad
Absoluut het beste wat ik over het onderwerp vrijheid van meningsuiting heb gelezen.
Theodor Holman, De Groene Amsterdammer
Dit boek komt net op tijd. Een overtuigend antwoord op de vijanden van de vrije meningsuiting en de open samenleving.
Dirk Verhofstadt, Liberales
Over Boeiuh
Wijnberg blinkt uit in sociologische en filosofische duidingen van alledaagse fenomenen
De Volkskrant
Wijnberg schetst een niet onaangenaam vooruitzicht, zelf voor journalisten
Brabants Dagblad
Intrigerend essay over de mini-problemen van de huidige jeugd
NRC Handelsblad
Applaus voor Rob Wijnberg. Iedereen zou dit boek moeten lezen om te weten waarom jongeren zijn zoals ze zijn
Limburgs Dagblad
Door: Rob Wijnberg
'Verpletterend nee' kopte De Telegraaf naar aanleiding van de uitslag van haar eigen peiling onder bijna 200.000 lezers, waaruit bleek dat maar liefst 89 procent tegen de invoering van de kilometerheffing is. Dat de peiling tendentieus was, kon bijna niemand zijn ontgaan: er stonden alleen maar nadelen van het plan in de vragen. Maar volgens de socioloog en filosoof Pierre Bourdieu zijn dit soort peilingen inmiddels geen uitzonderingen. Peilingen zijn namelijk verworden tot politieke instrumenten ter rechtvaardiging van een bepaald beleid, zegt hij. Als uit een peiling blijkt dat ergens wel of geen 'draagvlak', geldt dat als legitiem argument. Maar daar valt veel op af te dingen, zegt Bourdieu.
Alsof we altijd een mening hebben
Uitslag van een peiling uitgedrukt in percentages is betekenisloos, zegt Pierre Bourdieu
Door Rob Wijnberg
Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis. Vandaag: waarom peilingen niet alleen opinies registreren, maar ook produceren.
Van de circa 200.000 geënquêteerde Telegraaflezers gaf maar liefst 89 procent te kennen tegen de invoering van de kilometerheffing te zijn. ‘Verpletterend nee’ kopte de krant de volgende dag dan ook op de voorpagina. Hoofdredacteur Sjuul Paradijs noemde de uitslag „zeer verrassend”.
Enig sarcasme zat in die woorden wel besloten – of het moet zo zijn dat Paradijs zijn eigen krant niet leest. Wie de afgelopen drie maanden een Telegraaf had opengeslagen, was namelijk op de volgende berichtgeving gestuit.
‘Kilometerheffing levert alleen verliezers op’ (14 november); ‘Raad van State vernietigend over km-heffing’ (19 november); ‘SUV-rijder dupe kilometerheffing’ (20 november); ‘Verzet tegen spionagekastje groeit’ (21 november); ‘Steun voor km-heffing wankelt’ (25 november); ‘Pomphouders ook tegen km-heffing’ (25 november); ‘Autoprijs onzeker door km-heffing’ (28 november); ‘Kilometerheffing helpt niet tegen filedruk’ (1 december); ‘Kilometerkastje simpel te kraken’ (2 december); ‘Verzet groeit tegen de kilometerheffing’ (3 december); ‘Km-heffing treft ook hybride auto’ (4 december); ‘MKB’ers faliekant tegen km-heffing’ (21 december) en ‘Kilometerheffing wordt een ramp’ (9 januari).
Zo bekeken is de werkelijke verrassing dat 11 procent van de ondervraagde lezers nog wél voorstander van de kilometerheffing bleek te zijn. De vraag is dan ook of hier eigenlijk wel sprake is geweest van een peiling, of dat de Telegraafenquête beter geschaard kan worden onder wat in de literatuur bekendstaat als een push poll.
Dat is een campagnetechniek waarbij geprobeerd wordt om de opvattingen van mensen te sturen door ze, onder het mom van een peiling, bepaalde vragen voor te leggen. Het doel van die vragen is om de respondenten te confronteren met de boodschap die de peiler wenst over te brengen. Kenmerkend voor een push poll is dan ook dat de vraagstelling zeer suggestief is en het aantal ondervraagden onnodig groot. Aan beide kenmerken voldeed de Telegraafenquête ruimschoots.
Zo stond alleen al in de introductie van de enquête dat het besluit om de kilometerheffing in te voeren „alom beroering” heeft gewekt en dat „veel in de plannen van verkeersminister Eurlings onduidelijk is, zoals: wat zijn de verwachte kosten van de kilometerheffing, wat zijn de gevolgen voor de privacy […] en wat is het effect op de files?”.
Direct daarna moest de respondent beantwoorden of hij voor of tegen was. Ongeacht het antwoord luidde de vraag die daarop volgde: „Wat zijn uw grootste bezwaren tegen de kilometerheffing?” De respondent kon daarbij kiezen uit elf bezwaren, waarvan drie door de krant zélf zojuist nog onduidelijk waren genoemd (‘inbreuk op de privacy’, ‘te hoge kosten’, ‘geen effect op files’). Mogelijke voordelen van de kilometerbeprijzing werden in de hele enquête niet vermeld.
Nu lijkt dit een extreem voorbeeld, maar de enquête van De Telegraaf zou door de Franse socioloog en filosoof Pierre Bourdieu (1930-2002) exemplarisch zijn gevonden voor de hedendaagse opiniepeiling. In zijn essay De publieke opinie bestaat niet (1973) stelt Bourdieu namelijk dat de opiniepeiling is verworden tot „instrument voor politieke actie”, waarvan de belangrijkste functie is „de illusie te creëren dat er zoiets bestaat als ‘de publieke opinie’, waarmee een bepaald beleid kan worden gelegitimeerd”. In werkelijkheid, zegt Bourdieu, „is de publieke opinie zoals die zich op de voorpagina’s van kranten manifesteert een artefact die moet verhullen dat de status van een opvatting toebehoort aan een systeem van politieke krachten en spanningen – en dat niets die status slechter weergeeft dan een percentage”.
Daarmee bedoelde Bourdieu – anders dan de provocerend bedoelde titel van zijn essay doet vermoeden – niet zozeer dat er geen publieke opinie over bepaalde onderwerpen zou bestaan, maar eerder dat deze opinie geen ‘gegeven’ is die met behulp van een peiling kan worden ‘blootgelegd’. De ‘publieke opinie’ is namelijk altijd het product van een maatschappelijke krachtenveld, waarvan de opiniepeiling zelf ook een onderdeel is. Of simpeler geformuleerd: een peiling registreert niet slechts de publieke opinie, maar produceert deze ook.
Twee factoren in het bijzonder spelen daarbij een rol. Ten eerste, zegt Bourdieu, veronderstelt een opiniepeiling dat men „overal een mening over heeft of kan hebben”. Daardoor dwingt de peiling als het ware een mening af bij de ondervraagde. Een goed voorbeeld is het feit dat de Telegraafenquête slechts de mogelijkheid bood om voor of tegen de kilometerheffing te zijn; de optie dat men er nog niet uit is of geen voorkeur heeft, werd bij voorbaat uitgesloten. Ook de vraag „Verwacht u dat het fileleed zal verminderen door de km-heffing?” is tekenend voor wat Bourdieu bedoelt. Die vraag suggereert namelijk dat het effect van de maatregel iets is waar je een ‘mening’ over kunt hebben.
Vermelding van de optie ‘weet niet’ of ‘geen mening’ doet daar vaak niets aan af. Uit statistische analyses van enquêtes is namelijk gebleken dat gemiddeld slechts 10 tot 15 procent van de respondenten deze optie kiest – vermoedelijk omdat men bang is om voor ‘dom’ te worden versleten of uit angst om de enquête ‘verkeerd’ in te vullen. Worden er echter zogenoemde filtervragen gesteld, zoals ‘Beschikt u over genoeg kennis van het onderwerp om er een mening over te hebben?’, dan ligt het percentage dat zegt ‘geen mening’ te hebben plotseling aanzienlijk hoger. Veel ondervraagden vormen dus een mening vanwege de opiniepeiling.
Ten tweede, zegt Bourdieu, gaat een opiniepeiling ervan uit „dat er reeds overeenstemming is bereikt over welke problemen er bestaan en welke vragen dus de moeite waard zijn om te stellen”. Maar de vragen, en de kwesties waarop ze betrekking hebben, zijn ook onderdeel van een politiek discours – en dus aan totaal uiteenlopende interpretaties onderhevig. Het grote raadsel dat aan elke opiniepeiling kleeft is volgens Bourdieu dan ook „welke vragen de verschillende groepen respondenten dachten te beantwoorden”.
Voor de één betekent de vraag ‘Bent u voor of tegen de kilometerheffing?’ namelijk vrij vertaald ‘Vertrouwt u deze regering?’; voor een ander betekent het ‘Wilt u een schoner milieu?’ en voor een derde betekent het ‘Wilt u er een nieuwe belasting bij?’. Door al deze interpretaties te beschouwen als antwoorden op één en dezelfde vraag, is de uiteindelijke uitslag van een peiling meestal niets meer dan een “betekenisloos percentage”, aldus Bourdieu.
Dat wil zeggen: de uitslag geeft weliswaar een antwoord weer, maar waaróp het precies een antwoord is, kan er niet uit worden opgemaakt. Dat probleem deed zich ook sterk voor bij het referendum over de Europese Grondwet. Betekende het massale ‘nee’ (61,5 procent stemde tegen) een afwijzing van de grondwettekst? Of van een deel ervan? Of was het een ‘nee’ tegen Europa zelf? Of tegen het nationale beleid van de regering? Of beide?
De grote tekortkoming van de meeste opiniepeilingen is, kortom, tweeledig: ten eerste dwingt een peiling de ondervraagde een positie in te nemen ten aanzien van een kwestie die door de peiler is geformuleerd en afgebakend. Ten tweede veronderstelt men dat deze individuele posities bij elkaar opgeteld, een eenduidige collectieve opvatting vormen. Op beide aannames valt veel af te dingen.
Het belang dat desondanks aan opiniepeilingen wordt gehecht, door politici en media, laat volgens de Amerikaanse filosoof Gerard Hauser bovendien zien, dat tegenwoordig nog maar weinig waarde wordt gehecht aan wat de Griekse wijsgeer Aristoteles (384 v. Chr. - 322 v. Chr.) phronesis noemde – oftewel: praktische wijsheid. Dat wil zeggen, in de moderne samenleving is het hebben van een mening een gegeven. Op de vraag ‘wat vind jij daarvan?’ wordt als vanzelfsprekend en onmiddellijk een antwoord verwacht.
Voor Aristoteles was het vormen van een mening echter een deugd die men moest cultiveren – en waarvoor dus enige toewijding en inspanning was vereist. De ‘publieke opinie’ beschouwde hij dan ook niet zozeer als een optelsom van opvattingen, maar eerder als een „gedeelde activiteit met een gezamenlijk doel”, aldus Hauser.
De vraag is of wij nog wel de tijd hebben voor de toewijding die Aristoteles cruciaal achtte voor het vormen van een publieke opinie.
Dat bovenaan de Telegraafenquête stond vermeld: ‘Het invullen van de vragen duurt maximaal drie minuten’ doet in ieder geval het ergste vermoeden.
Verschenen in nrc.next op 3 februari 2010.
Auteur: Rob Wijnberg
Datum: 03 februari 2010
Reacties
Er heeft nog niemand gereageerd op deze pagina.
RSS feed van de reacties op deze pagina | RSS-feed voor alle reacties
Plaats uw reactie
Rob Wijnberg (Winschoten, 1982) studeerde filosofie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij was opinieredacteur van nrc.next, de krant waarvoor hij nog steeds columns en essays schrijft. Hij publiceerde eerder Boeiuh!, een strijdbaar pamflet ter verdediging van zijn generatie, en In dubio, een prikkelend betoog over de vrijheid van meningsuiting.
...
> Lees verder

