Over In Dubio
Indrukwekkend en verhelderend boek dat gelezen zou moeten worden door iedereen die meent te weten wat wel en wat niet gezegd mag worden.
NRC Handelsblad
Absoluut het beste wat ik over het onderwerp vrijheid van meningsuiting heb gelezen.
Theodor Holman, De Groene Amsterdammer
Dit boek komt net op tijd. Een overtuigend antwoord op de vijanden van de vrije meningsuiting en de open samenleving.
Dirk Verhofstadt, Liberales
Over Boeiuh
Wijnberg blinkt uit in sociologische en filosofische duidingen van alledaagse fenomenen
De Volkskrant
Wijnberg schetst een niet onaangenaam vooruitzicht, zelf voor journalisten
Brabants Dagblad
Intrigerend essay over de mini-problemen van de huidige jeugd
NRC Handelsblad
Applaus voor Rob Wijnberg. Iedereen zou dit boek moeten lezen om te weten waarom jongeren zijn zoals ze zijn
Limburgs Dagblad
Door: Rob Wijnberg
Essay Zin 97 Met de kennis van nu blijft de beslissing van toen dubieus
'Met de kennis van nu' is een ware hype aan het worden: iedere keer als iemand een fout begaat, maakt hij zich er bij wijze van grap vanaf met de frase dat hij het 'met de kennis van toen' anders had ingeschat. Zo maakte premier Balkenende zich ook af van de kritiek van de commissie-Davids dat er geen volkenrechtelijk mandaat voor de oorlog in Irak bestond. De vraag blijft echter: op grond waarvan kwam het kabinet destijds dan tot die afweging? Het antwoord moet gelegen zijn in een dubbelzinnig interpretatie van 'preventieve oorlog'. Waar het volkerenrecht een onmiddellijke dreiging als grond voor een oorlog erkent, hanteerde het kabinet, net als Amerika, een op termijn onvermijdelijke dreiging als grondslag. En aan die beslissing verandert 'de kennis van nu' helemaal niks.
Welke ‘kennis van nu’ bedoelt de premier precies?
Achteraf gezien was er geen mandaat voor de Irak-oorlog, zegt het kabinet. Maar wat was dan de afweging destijds?
Door Rob Wijnberg
Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis. Vandaag: de oorlog als semantische kwestie.
Was de Amerikaans-Britse inval in Irak ‘legaal’? Kon het gebruik van geweld worden gerechtvaardigd op grond van ‘VN-resolutie 1441’? Was een tweede resolutie van de Veiligheidsraad ‘juridisch noodzakelijk’ of alleen ‘politiek wenselijk’? Het debat over het Irak-rapport van de commissie-Davids richt zich zo op technische en semantische kwesties dat je bijna zou vergeten dat het om een oorlog gaat waarbij al zeker honderdduizend burgerdoden zijn gevallen.
Toch zijn deze kwesties van groot belang om te kunnen beoordelen hoe het kabinet in 2003 tot zijn steun aan de oorlog kwam. Niet voor niets wijdt de commissie-Davids een groot deel van haar rapport aan de vraag of er een zogenoemd ‘volkenrechtelijk mandaat’ was om Irak binnen te vallen.
Ja, concludeerde het kabinet destijds op basis van twee oude VN-resoluties (uit de tijd van de Golfoorlog) en resolutie 1441 (uit 2002), waarin Irak een „laatste mogelijkheid” werd geboden om volledig mee te werken aan de wapeninspecties van de Verenigde Naties. Deed het land dat niet, dan zouden daar „ernstige gevolgen” aan verbonden worden, aldus de resolutie.
Nee, stelde de commissie-Davids echter. Resolutie 1441 kon niet worden geïnterpreteerd als een „machtiging aan individuele lidstaten om zonder nadere besluitvorming van de Veiligheidsraad tot geweldgebruik over te gaan”. In de resolutie stond namelijk dat eventuele schending ervan opnieuw „ter beoordeling aan de Veiligheidsraad” moest worden voorgelegd en bovendien ontbrak de zinsnede ‘use of all necessary means’, aldus de commissie. De begrippen ‘laatste mogelijkheid’ en ‘ernstige gevolgen’ waren dus niet voldoende grond voor een oorlog.
De grote vraag blijft echter: hoe kwam het kabinet in 2003 dan toch tot de conclusie dat een volkenrechtelijk mandaat aanwezig was? Het antwoord is vermoedelijk gelegen in een tweeledige betekenis van het begrip ‘preventief’. Volgens het volkenrecht kan een oorlog uit zelfverdediging namelijk gerechtvaardigd zijn (‘just war’) wanneer deze wordt gevoerd om een onmiddellijke inbreuk op de vrede en veiligheid te voorkomen – een preventieve oorlog dus.
Maar, zegt de in Amerika werkzame Nederlandse filosoof Harry van der Linden in de essaybundel Philosophical Perspectives on the ‘War on Terrorism’ (2007): de Verenigde Staten hielden er een ruimer begrip van ‘preventieve oorlog’ op na dan de Verenigde Naties. Dat verschil komt tot uitdrukking in het subtiele onderscheid tussen pre-emptive en preventive (beiden Engels voor ‘preventief’).
Een ‘pre-emptive war’, zegt Van der Linden, is erop gericht een onmiskenbare en onmiddellijke dreiging te ontmantelen, vergelijkbaar met een agent die een verdachte neerschiet op het moment dat deze naar een wapen grijpt. Een ‘preventive war’ is er daarentegen op gericht een op termijn onvermijdelijke dreiging te ontmantelen. Die dreiging wordt dus weliswaar als onafwendbaar beschouwd, maar is niet onmiddellijk.
Het belangrijkste verschil van inzicht tussen de Verenigde Naties en de Verenigde Staten had waarschijnlijk hierop betrekking. Voor een ‘pre-emptive war’ zou een volkenrechtelijk mandaat mogelijk zijn geweest. Maar dat Irak een onmiddellijke dreiging vormde, stond nog niet onomstotelijk vast, oordeelde de Veiligheidsraad. Resolutie 1441 bood het regime van Saddam niet voor niets een laatste mogelijkheid tot medewerking aan de wapeninspecties.
De regering-Bush ging echter uit van de noodzaak van een ‘preventive war’ (ook al sprak ze, uit strategische overwegingen, steeds van ‘pre-emptive war’), gebaseerd op de gedachte dat de dreiging op termijn hoe dan ook onvermijdelijk was – en ingrijpen dus reeds gerechtvaardigd. Nederland schaarde zich al vrij snel achter deze Amerikaanse opstelling, door de commissie-Davids ook wel getypeerd als de „trans-Atlantische reflex”.
En ook in zijn eerste reactie op het Irak-rapport hield premier Balkenende vorige week aan deze interpretatie van het volkenrecht vast, ondanks het feit dat de commissie nadrukkelijk tot een andere conclusie was gekomen. Pas later erkende de premier – gedwongen door de PvdA – in een brief aan de Tweede Kamer dat „met de kennis van nu […] een adequater volkenrechtelijk mandaat nodig zou zijn geweest”.
Maar heeft die erkenning wel enige betekenis? Nee, zou je op grond van het voorgaande zeggen. Het belangrijkste twistpunt is immers niet of de noodzaak van een preventieve oorlog met de kennis van nu anders had moeten worden beoordeeld, maar of die noodzaak met de kennis van toen anders had moeten worden beoordeeld.
De commissie-Davids stelt namelijk dat het kabinet – ingegeven door de ‘trans-Atlantische reflex’ – een te ruime rechtvaardigingsgrond voor de oorlog heeft gekozen: waar het volkenrecht de aanwezigheid van een onmiddellijke dreiging vereist, achtte het kabinet – net als de Amerikanen – een op termijn onvermijdelijke dreiging al voldoende.
De toevoeging ‘met de kennis van nu’ is in die zin dus loos. De commissie-Davids bekritiseert de afweging van het kabinet niet met terugwerkende kracht. Nee, ze stelt juist dat een adequater volkenrechtelijk mandaat noodzakelijk was in het licht van de kennis van toen. De brief van premier Balkenende oogt dus wel als een erkenning van fouten, maar is dat in werkelijkheid niet. Feitelijk zegt de premier nog steeds achter de afweging te staan zoals die destijds, met de kennis van toen, werd gemaakt. Welke ‘kennis van nu’ tot een andere afweging zou hebben geleid, blijft onduidelijk.
Daar komt bij dat het eveneens onduidelijk is wat de Nederlandse ‘politieke steun’ aan de oorlog in de praktijk nu precies heeft betekend. De commissie-Davids concludeerde in haar rapport dat er geen bewijs is gevonden voor militaire steun van ons land. Dat wil zeggen, er zijn voor zover bekend geen Nederlandse militairen in Irak actief geweest. Premier Balkenende prees de commissie dat zij dit „hardnekkige gerucht” uit de wereld had geholpen.
Maar de vraag is: wat verstaat de premier onder militaire steun? De Groene Amsterdammer berichtte vorige week namelijk onder de kop ‘Grote hoeveelheden wapens via Nederland naar Irak’ dat ons land logistiek nauw betrokken is geweest bij de oorlog. Via Nederland zijn onder andere 323 voertuigen, 77 treinen en 44 binnenvaartschepen met Amerikaans legermaterieel naar Irak gegaan. Ook hebben Amerikaanse vliegtuigen onderweg naar Irak bijgetankt op Schiphol.
Bovendien zetelt het belangrijkste commandocentrum van de Amerikaanse oorlogslogistiek genaamd 598th Transportation Group in Capelle aan den IJssel. Dat betekent, schrijft het weekblad, ‘dat alle Europese verplaatsingen van Amerikaans materieel vanuit Capelle aan den IJssel, vlakbij Rotterdam, worden georganiseerd. Niet alleen voor de Iraakse veldtocht, maar voor iedere Amerikaanse oorlog – ook als Nederland niet deelneemt.’
Moeten dergelijke logistieke operaties onder militaire activiteiten worden geschaard? Wie bekend is met de filosofie van de Franse generaal en militaire denker Antoine-Henri Jomini (1779-1869), zou die vraag bevestigend beantwoorden. Jomini wordt beschouwd als een van de belangrijkste geestelijk vaders van de moderne oorlogsstrategie en was ook de eerste die een systematische beschouwing schreef over de rol van de logistiek in oorlogsvoering.
In zijn boek Summary of the Art of War (1838) definieerde hij logistiek als ‘de praktische kunst van het verplaatsen van legers’. Onder die definitie schaarde hij alle aspecten van het logistieke proces, waaronder de planning, de aanvoer van goederen en de verplaatsing van manschappen. Volgens Jomini was dit een integraal onderdeel van de oorlogsvoering: zonder logistiek waren alle andere militaire activiteiten onmogelijk.
Daarmee week hij af van de visie van de eveneens invloedrijke Pruisische denker Carl von Clausewitz (1780-1831), die logistiek beschouwde als een ‘dienende functie’, maar niet als onderdeel van de oorlogsvoering zelf. Toch stelde ook Von Clausewitz dat logistiek wél de reikwijdte en intensiteit van de oorlog bepaalt.
Zo bekeken ligt het dus voor de hand om de logistieke operaties die op Nederlands grondgebied en met toestemming van de Nederlandse regering hebben plaatsgevonden als ‘militaire steun’ te beschouwen. Het is immers deze logistiek die, om met Jomini te spreken, de oorlog mede mogelijk heeft gemaakt.
Met zijn korte brief aan de Tweede Kamer heeft het kabinet zich, kortom, wel erg gemakkelijk afgemaakt van het Irak-rapport. Als het van de oorlog toch een semantische kwestie wil maken, dan zijn heldere definities het minste wat je kunt geven. Welke ‘kennis van nu’ had de premier bewogen tot een andere afweging met betrekking tot het volkenrechtelijk mandaat? En wat onderscheidt volgens hem de ‘politieke’ steun aan de oorlog van de ‘militaire’?
Op een adequaat antwoord heeft het Nederlandse volk recht.
Verschenen in nrc.next op 20 januari 2010.
Auteur: Rob Wijnberg
Datum: 21 januari 2010
Reacties
Er heeft nog niemand gereageerd op deze pagina.
RSS feed van de reacties op deze pagina | RSS-feed voor alle reacties
Plaats uw reactie
Rob Wijnberg (Winschoten, 1982) studeerde filosofie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij was opinieredacteur van nrc.next, de krant waarvoor hij nog steeds columns en essays schrijft. Hij publiceerde eerder Boeiuh!, een strijdbaar pamflet ter verdediging van zijn generatie, en In dubio, een prikkelend betoog over de vrijheid van meningsuiting.
...
> Lees verder

