bezige bij nrc.next
Bestel het boek Dus ik ben. Bestel het boek Nietzsche en Kant lezen de krant. Bestel het boek In dubio Bestel het boek Boeiuh

Over In Dubio


Indrukwekkend en verhelderend boek dat gelezen zou moeten worden door iedereen die meent te weten wat wel en wat niet gezegd mag worden.

NRC Handelsblad

Absoluut het beste wat ik over het onderwerp vrijheid van meningsuiting heb gelezen.

Theodor Holman, De Groene Amsterdammer

Dit boek komt net op tijd. Een overtuigend antwoord op de vijanden van de vrije meningsuiting en de open samenleving.

Dirk Verhofstadt, Liberales


Over Boeiuh


Wijnberg blinkt uit in sociologische en filosofische duidingen van alledaagse fenomenen

De Volkskrant

Wijnberg schetst een niet onaangenaam vooruitzicht, zelf voor journalisten

Brabants Dagblad

Intrigerend essay over de mini-problemen van de huidige jeugd

NRC Handelsblad

Applaus voor Rob Wijnberg. Iedereen zou dit boek moeten lezen om te weten waarom jongeren zijn zoals ze zijn

Limburgs Dagblad

06 januari 2010
Door: Rob Wijnberg

Essay Zin 95 Waarom veiligheid nooit te garanderen is, behalve voor het gevoel

Binnenkort moeten alle passagiers op Schiphol (en op luchthavens in Nigeria en Italie) door een bodyscanner, die dwars door de kleren heen kijkt of iemand explosieven, wapens of drugs bij zich heeft.  Directe aanleiding is de verijdelde aanslag op een vliegtuig op Eerste Kerstdag 2009.  Maakt zo'n bodyscanner ons ook echt veiliger? Ja, met terugwerkende kracht. Dus eigenlijk niet. Want, veiligheid hangt per definitie samen met risico's - en risico's bestaan altijd uit een onzekerheid. Waar de bodyscanners vooral goed voor zijn, is de gevoelsveiligheid. Mensen kunnen namelijk slecht risico's inschatten - en kunnen zich daardoor veiliger voelen, ook al is hun veiligheid niet vergroot.  Dat brengt zelf ook weer risico's met zich mee.

Gerustgesteld in het veiligheidstheater

Met een bodyscanner op het vliegveld wordt alleen het gevoel van veiligheid groter

Door Rob Wijnberg

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis. Vandaag: het verschil tussen reële en de gevoelde veiligheid.

De economische crisis verdrong het probleem lange tijd naar de achtergrond, maar door een mislukte aanslag op een vlucht van Amsterdam naar Detroit is de dreiging van terrorisme weer bovenaan de politieke en journalistieke agenda beland. Want ondanks alle veiligheidsmaatregelen die sinds de aanslagen in 2001 zijn genomen, bleek de 23-jarige Nigeriaan Umar Farouk Abdulmutallab toch in staat om met zware explosieven onder zijn kleren aan boord van een vliegtuig te komen. Dat hij bij de autoriteiten bekendstond als een sympathisant van een terreurorganisatie, maakt het des te pijnlijker dat hij probleemloos de veiligheidscontroles doorliep.

Het kabinet kondigde dan ook onmiddellijk nieuwe veiligheidsprocedures aan: binnenkort moeten alle passagiers op Schiphol door een zogenoemde millimeter wave scan, waarmee door de kleren heen kan worden gezocht naar wapens, drugs en explosieven. Deze bodyscans waren nog niet verplicht wegens privacybezwaren van de Europese Unie, maar zullen nu versneld worden ingevoerd. Volgens de Amerikaanse president Obama was de mislukte aanslag het bewijs dat „het systeem gefaald heeft” en moet daarom alles op alles worden gezet om „de veiligheid van burgers te garanderen”.

In het licht van de verijdelde aanslag zijn deze maatregelen wel te begrijpen: politici willen koste wat kost ‘iets’ doen om een dergelijk voorval in de toekomst te voorkomen. Maar tegelijkertijd gaat er een aloude denkfout achter schuil, zoals beschreven door de Amerikaanse veiligheidsdeskundige Bruce Schneier in zijn essay The Psychology of Security (2008). Het beveiligingssysteem wordt namelijk aangepast aan wat er is gebeurd, niet aan wat er gaat gebeuren. Daarmee neemt de veiligheid hoogstens met terugwerkende kracht toe: als er een bodyscanner was gebruikt, dan was dit explosief onder de kleren misschien ontdekt.

Maar de werkelijke bedreiging bestaat natuurlijk uit de materialen, tactieken en doelwitten die in de toekomst worden gekozen, aldus Schneier. De beveiliging loopt dus, als het ware, altijd achter de bedreiging aan. Na een mislukte aanslag in 2001, toen iemand een vliegtuig probeerde op te blazen met een explosief in zijn schoen, was het bijvoorbeeld een tijd verplicht om bij de douane je schoenen uit te trekken.

En sinds de mislukte aanslag met explosieve vloeistoffen in 2006 worden alle flesjes en tubes van meer dan honderd milliliter in beslag genomen. Maar Abdulmutallab had geen vloeistoffen bij zich en geen bom in zijn schoen: hij had tachtig gram explosief poeder onder zijn kleren.

In die zin is het misleidend om te stellen dat het systeem gefaald heeft, zoals Obama deed. Dat falen is inherent aan het systeem: veiligheid gaat altijd gepaard met nog onbekende risico’s en kan dus nooit gegarandeerd worden. Van belang is echter wel, zegt Schneier, om daarin een onderscheid te maken tussen twee soorten veiligheid: de reële en de gevoelde. Want hoewel de meeste procedures de reële veiligheid nauwelijks vergroten, kunnen ze wel bijdragen aan de gevoelde veiligheid. Een omgeving waarin geüniformeerd personeel controles uitvoert – door Schneier ook wel het „veiligheidstheater” genoemd – wekt nu eenmaal vertrouwen.

Hoe dat komt, is natuurlijk een psychologische aangelegenheid. Maar het verschil tussen reële en gevoelde veiligheid kan ook inzichtelijk worden gemaakt aan de hand van de meer filosofische vraag: wat is eigenlijk een risico? Hoewel er van dat begrip talloze definities zijn, is de meest gangbare ervan: een ongewenste gebeurtenis die wel of niet kan plaatsvinden. Uit dat laatste valt op te maken dat een risico dus per definitie gepaard gaat met een onzekerheid: een gebrek aan kennis ten aanzien van een huidige of toekomstige omstandigheid.

Andersom geldt echter niet dat een onzekerheid ook per definitie een risico inhoudt. Stel bijvoorbeeld dat iemand een hagedis in handen heeft waarvan hij niet weet of deze giftig is. Ten aanzien van de giftigheid bestaat er dan onzekerheid. Maar als de hagedis niet giftig is, dan is er geen risico – ook al is de persoon zich daar niet van bewust. Met andere woorden, een risico heeft betrekking op de werkelijkheid (de hagedis is giftig of niet), terwijl onzekerheid betrekking heeft op onze perceptie van de werkelijkheid (denken we dat de hagedis giftig is of niet?).

Hoe we een risico inschatten, wordt dan ook bepaald door een combinatie van werkelijkheid én perceptie. Daardoor ontstaat er een verschil tussen de reële en gevoelde veiligheid. En dat verschil kan groot zijn: mensen kunnen zich – afhankelijk van hun perceptie – zeer veilig voelen, ook al zijn ze in werkelijkheid in groot gevaar (bijvoorbeeld als ze bumperkleven op de snelweg). En mensen kunnen zich – afhankelijk van hun perceptie – zeer onveilig voelen, terwijl ze in realiteit geen enkel risico lopen (bijvoorbeeld bij het zien van een onschuldige spin). Dat is ook een van de redenen dat we van luchthavens veiligheidstheaters maken, zegt Schneier – het uiterlijke vertoon is een wezenlijk onderdeel ervan, bedoeld om een perceptie van veiligheid te creëren.

Want mensen zijn niet altijd even goed in het inschatten van risico’s. Zo overschatten we steevast spectaculaire risico’s, zoals exploderende vliegtuigen – en onderschatten we alledaagse risico’s, zoals autorijden. Ook overschatten we risico’s die gepersonifieerd zijn, zoals terroristen – in tegenstelling tot risico’s die abstract zijn, zoals de straling van de zon. Toch is de reële kans aanzienlijk groter dat je doodgaat aan huidkanker of een auto-ongeluk dan aan een terreuraanslag op een vliegtuig.

Waarom controleren we dan niet iedereen op de snelweg of het strand, zoals we dat doen met passagiers op een vliegveld? Omdat de kosten daarvan kennelijk niet opwegen tegen de baten. Veiligheid is geen doel op zich, maar een belangenafweging: iedere veiligheidsmaatregel gaat ten koste van een andere waarde – zoals gemak, snelheid, bewegingsvrijheid of privacy.

En daarom, zegt Schneier, is het zinloos om veiligheidsmaatregelen te beoordelen in termen van hun effectiviteit. De meest effectieve manier om terreuraanslagen op vliegtuigen te voorkomen zou immers zijn om alle vliegtuigen permanent aan de grond te houden. Maar dat wordt, alle belangen afgewogen, als een te groot offer gezien.

Beter is het, zegt Schneier, om veiligheidsmaatregelen – zoals de bodyscanner – te beoordelen aan de hand van de vraag: zijn hiermee meer belangen gediend dan geschaad? Dat is uiteraard een politieke afweging, waarvoor geen objectieve criteria bestaan. Maar verstandig is wel om bij die afweging in het achterhoofd te houden dat een veiligheidssysteem per definitie niet waterdicht is. Ook de bodyscanner is te omzeilen, bijvoorbeeld door explosieven niet op maar in het lichaam mee te dragen. En wat doen we als de volgende aanslag op een trein of metro zal zijn, zoals in Madrid? Komen er dan ook bodyscanners bij de ingang van ieder station?

Daarmee zouden we in een oneindige beveiligingsspiraal terechtkomen. Overheidsgebouwen, banken, voetbalstadions, marktpleinen – iedere drukbezochte plek is een potentieel doelwit. Bovendien gelden de privacybezwaren van de Europese Unie tegen de bodyscan nog steeds. Wie krijgen de foto’s te zien? Worden de foto’s bewaard of direct weer verwijderd? Deze vragen zijn niet of nauwelijks beantwoord.

Het lijkt er dan ook op dat het besluit om de bodyscanner verplicht te stellen eerder het resultaat is van de wens om de burger na een angstwekkende gebeurtenis gerust te stellen dan van een serieuze belangenafweging. Goed voor de gevoelsveiligheid misschien. Maar het risico dat de samenleving verandert in één groot veiligheidstheater is weer een klein beetje groter geworden.

Verschenen in nrc.next op 6 januari 2009.



Auteur: Rob Wijnberg
Datum: 06 januari 2010


Reacties

Er heeft nog niemand gereageerd op deze pagina.

RSS feed van de reacties op deze pagina | RSS-feed voor alle reacties

Plaats uw reactie