Over In Dubio
Indrukwekkend en verhelderend boek dat gelezen zou moeten worden door iedereen die meent te weten wat wel en wat niet gezegd mag worden.
NRC Handelsblad
Absoluut het beste wat ik over het onderwerp vrijheid van meningsuiting heb gelezen.
Theodor Holman, De Groene Amsterdammer
Dit boek komt net op tijd. Een overtuigend antwoord op de vijanden van de vrije meningsuiting en de open samenleving.
Dirk Verhofstadt, Liberales
Over Boeiuh
Wijnberg blinkt uit in sociologische en filosofische duidingen van alledaagse fenomenen
De Volkskrant
Wijnberg schetst een niet onaangenaam vooruitzicht, zelf voor journalisten
Brabants Dagblad
Intrigerend essay over de mini-problemen van de huidige jeugd
NRC Handelsblad
Applaus voor Rob Wijnberg. Iedereen zou dit boek moeten lezen om te weten waarom jongeren zijn zoals ze zijn
Limburgs Dagblad
Door: Rob Wijnberg
Essay Zin 80 Een alternatieve troonrede voor koningin Beatrix
Ieder jaar klinkt hetzelfde deuntje: koningin Beatrix leest de troonrede voor - en vervolgens volgen de commentaren. 'Niet inspirerend'. 'Te technisch'. 'Te kort'. 'Te lang'. 'Weinig concreet'. Hoe terecht die kritieken ook moge zijn, zelden neemt een journalist of columnist de moeite om dan zelf te laten zien hoe het beter moet. Ik dacht: laat ik dat eens anders doen. Want, ook dit keer was de troonrede inderdaad niet al te opzwepend, en bovendien werd je er ook weinig wijzer van. Dat het crisis is, weet iedereen inmiddels. Maar waarom? En wat moet er dan precies gebeuren om een nieuwe toekomst in te slaan? Deze alternatieve troonrede is een bescheiden poging tot wat meer (filosofische) allure.
Leden van de Staten Generaal, burgers van Nederland
Zo had de Troonrede van koningin Beatrix ook kunnen klinken
Door Rob Wijnberg
Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis. Vandaag: een alternatieve troonrede – op alinea 1 na.
Leden van de Staten Generaal, burgers van Nederland.
De huidige tijd vraagt om vastberadenheid en bereidheid tot verandering. De wereldwijde financiële en economische crisis heeft ook Nederland hard geraakt. De snelheid waarmee de gebeurtenissen zich in het achter ons liggende jaar hebben voltrokken, was uitzonderlijk. Mensen verliezen hun baan, het aantal faillissementen neemt snel toe, jarenlang opgebouwde vermogens slinken en de overheidsfinanciën vertonen onvermijdelijk grote tekorten. De gevolgen zullen nog lang gevoeld worden. Bovendien hebben ontsporingen in de financiële sector het vertrouwen in instituties en hun bestuurders aangetast. Door dit alles groeit bij velen de onzekerheid over de toekomst.
Deze sombere situatie is niet slechts veroorzaakt door een paar graaiende bankiers en inhalige beurshandelaren, maar bovenal door een falende politieke en economische filosofie die het westerse werelddeel de afgelopen dertig jaar in haar greep heeft gehad. De oorsprong van deze filosofie ligt in een perverse interpretatie van de vrijemarkttheorie van de Britse econoom Adam Smith (1723-1790). In zijn boek The Wealth of Nations stelde Smith dat, binnen de context van een gemeenschappelijke moraal, het nastreven van het individuele eigenbelang uiteindelijk de samenleving als geheel ten goede zou komen. Of, zoals het bekende mantra luidde: ‘Private vices yield public benefits.’
Dit mantra werd begin jaren 80, onder aanvoering van de Amerikaanse president Ronald Reagan en de Britse premier Margaret Thatcher, tot politiek dogma verheven. Nederland volgde, onder leiding van premier Lubbers en later premier Kok, al snel. Met de theorie van Smith in het achterhoofd werd het publieke domein in razend tempo ‘geliberaliseerd’ en ‘vermarkt’. De overheid stootte bijna al haar functies af, waaronder het openbaar vervoer, de energielevering, de sociale zekerheid, de ziekenzorg en de telecommunicatie. De verwachting was dat de concurrentie op de vrije markt deze diensten betaalbaarder, efficiënter en toegankelijker zouden maken. Het initiële gevolg was een periode van ongekende groei.
Echter, anders dan Smith had bedoeld, werd ook de publieke moraal door de overheid afgestoten. De staat veranderde van uitvoerder tot toeschouwer: zij had zich niet te bemoeien met de markt. Zo ontstond gaandeweg een systeem waarin niet langer burgers en hun vertegenwoordigers, maar corporaties, multinationals en financiële instellingen de bestuurlijke macht in handen kregen.
Bedrijven waren verworden tot op zichzelf staande rechtspersonen, waarmee managers en directeuren zich konden ontdoen van hun wettelijke aansprakelijkheid en maatschappelijke verantwoordelijkheid. Banken werden, zoals dat heet, ‘te groot om te falen’. De overheid had zichzelf buitenspel gezet: zij kon én wilde niets doen aan scheefgroei in welvaart, de milieuschade en verschraling van publieke diensten die de liberalisering met zich mee bracht – noch aan de deels fictieve economische groei die achter de AEX-graadmeter bleek schuil te gaan.
Deze uitbesteding van de publieke moraal kon echter succesvol worden doorgevoerd door een pessimistisch mensbeeld dat was ontstaan gedurende de Koude Oorlog. Onder politici en filosofen groeide destijds namelijk het geloof in de zogenoemde homo economicus. De mens werd voortaan, in navolging van de Britse denker Thomas Hobbes (1588-1679), beschouwd als een calculerend wezen dat op niets anders uit was dan het dienen van zijn eigenbelang – een visie die bij uitstek gedijde in een tijd dat de wereld voortdurend door destructie bedreigd werd.
Dit mensbeeld werd omarmd door een aantal invloedrijke economen, waaronder Friedrich von Hayek (1899-1992) en John Nash (1928). Zij kwamen, op basis van de homo economicus, tot de stelling dat een samenleving waarin het ‘algemene belang’ werd gediend, eigenlijk een naïeve fictie was: er bestond immers geen algemeen belang, slechts het eigenbelang. Uit deze stelling destilleerden zij dat slechts één economisch systeem tot een sociaal evenwicht kon leiden: die van de ongebreidelde vrije markt. Want alleen daarin zou de macht van de overheid – die net als iedereen op eigenbelang gericht was – tot een minimum beperkt blijven. In de vrije markt had ‘de consument’ de macht.
Dit vooruitzicht was ten tijde van de Koude Oorlog zo aantrekkelijk, omdat het wantrouwen ten opzichte van overheden enorm was toegenomen. Maar na de val van de Berlijnse Muur in 1989 is de structurele afbouw van de staat ten gunste van een vrije markt voor calculerende consumenten omgeslagen in een doodlopende weg, die uiteindelijk is uitgelopen op de crises waarmee de wereld nu wordt geconfronteerd. Het egoïstische mensbeeld gekoppeld aan een vrije markt zorgde er namelijk voor dat onmiddellijke behoeftebevrediging en winstbejag op korte termijn een onbetwistbare status kregen.
Daar is niet alleen de elite, maar onze gehele cultuur debet aan: verblind door winstcijfers, stijgende beurskeuren en goedkope leningen, werden de gevolgen voor klimaat, milieu én sociale samenhang uit het oog verloren. De winst van vandaag werd belangrijker dan die van morgen. Er werden huizen betrokken die men niet betalen kon, auto’s gereden waarvoor het geld nog niet verdiend was en financiële constructies verkocht waarvan het risico door niemand werd gedekt. Beleggers eisten iedere drie maanden een hogere kwartaalwinst en de kiezer was, net als de overheid, vooral geïnteresseerd in de koopkracht van volgend jaar.
Zo ontstond ongemerkt een nieuwe klassenverdeling: de winnaars en verliezers van de globaliserende economie. De één kreeg een miljoenenbonus toebedeeld als hij de bedrijfsomzet wederom tot het uiterste had gedreven, terwijl de ander met lede ogen moest toezien hoe zijn baan uit winstoogmerk naar een lagelonenland werd verscheept. De één betrok daarop zijn nieuwe huis aan de gracht, terwijl de ander achterbleef met nieuwe buren: grote groepen economische immigranten die, goeddeels tevergeefs, mee wilden delen in de economische beloftes. Op de wrok die zo werd gevoed had de overheid helaas geen antwoord: dit was immers ‘marktwerking’. De onvrede werd gesust met koopkrachtplaatjes.
Dat deze cultuur geen stand kon houden, voorzag de Amerikaanse filosoof Noam Chomsky (1928) echter al in de jaren 80 toen hij stelde dat „de drijvende kracht achter de moderne industriële beschaving individueel materieel winstbejag is, hetgeen geaccepteerd wordt als legitiem en zelfs als prijzenswaardig op grond van de aanname dat het najagen van het eigenbelang uiteindelijk het algemeen belang ten goede komt. Echter, een samenleving gebaseerd op dat principe zal zichzelf op den duur vernietigingen, omdat ze alleen kan voortbestaan bij gratie van de illusie dat de wereld een onuitputtelijke hulpbron en een oneindig grote afvalbak is”. Zie daar de hedendaagse oliecrisis, klimaatcrisis, kredietcrisis en waardencrisis samengevat.
Geachte leden van de Staten Generaal: de regering is voornemens deze cultuur tot een einde te brengen. Niet door een paar bezuinigingen door te voeren, een marginaal belastingtarief voor topinkomens in te stellen of een twintigtal ambtelijke werkgroepen bijeen te roepen, maar door een fundamentele verandering van filosofie. Zo maakt de regering zich sterk om de homo economicus te vervangen door de homo cooperatus: de mens als samenwerkend, compassievol, betrokken en solidair wezen, dat bereid is te werken aan een samenleving gebaseerd op wederzijds vertrouwen en duurzaamheid.
Daarvoor is een aantal grote ingrepen noodzakelijk, zoals het terugdringen van economische machtsconcentratie, de vorming van een representatiever kiesstelsel en een radicale verduurzaming van onze energiebronnen. Ook zal de overheid transparanter moeten worden – zonder embargo’s en gesloten ministerraden. En, in navolging van de Franse president Nicolas Sarkozy, zou onze maatstaf voor vooruitgang kunnen worden verruimd, door de begrippen ‘welvaart’ en ‘succes’ niet alleen uit te drukken in termen van geld, maar ook in termen van geluk en wederzijds welbevinden.
Maar vooral is een hernieuwde vertrouwensrelatie tussen burger en politiek vereist. Politici worden gezien als op eigen gewin beluste zakkenvullers. Geen wonder: dat is het mensbeeld dat zij jarenlang zelf hebben gepropageerd. De oplossing is dan ook niet zozeer een kwestie van salarissen of declaraties, maar eerder van betrokkenheid: een politicus mag heus goed verdienen, als de burger er maar van op aan kan dat hij zijn ambt niet beschouwt als slechts een opstapje naar een lucratiever functie in de raad van bestuur van Unilever of Shell.
De politicus moet zich, met andere woorden, durven te verbinden aan een langetermijnvisie – een verbeelding van hoe de wereld er over vijftig jaar uit zou moeten zien. En die verbeelding dient te bestaan uit meer dan oneliners waarmee gevist wordt naar de kiezersgunst. Zij moet een totaalfilosofie omvatten, die de burger kan inspireren om zich in te zetten voor een betere toekomst voor ons nageslacht.
Deze troonrede was daar alvast een bescheiden eerste poging toe.
Leve de Koningin! Hoera! Hoera! Hoera!!
Verschenen in nrc.next op 23 september 2009.
Auteur: Rob Wijnberg
Datum: 23 september 2009
Reacties
Er heeft nog niemand gereageerd op deze pagina.
RSS feed van de reacties op deze pagina | RSS-feed voor alle reacties
Plaats uw reactie
Rob Wijnberg (Winschoten, 1982) studeerde filosofie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij was opinieredacteur van nrc.next, de krant waarvoor hij nog steeds columns en essays schrijft. Hij publiceerde eerder Boeiuh!, een strijdbaar pamflet ter verdediging van zijn generatie, en In dubio, een prikkelend betoog over de vrijheid van meningsuiting.
...
> Lees verder

