Over In Dubio
Indrukwekkend en verhelderend boek dat gelezen zou moeten worden door iedereen die meent te weten wat wel en wat niet gezegd mag worden.
NRC Handelsblad
Absoluut het beste wat ik over het onderwerp vrijheid van meningsuiting heb gelezen.
Theodor Holman, De Groene Amsterdammer
Dit boek komt net op tijd. Een overtuigend antwoord op de vijanden van de vrije meningsuiting en de open samenleving.
Dirk Verhofstadt, Liberales
Over Boeiuh
Wijnberg blinkt uit in sociologische en filosofische duidingen van alledaagse fenomenen
De Volkskrant
Wijnberg schetst een niet onaangenaam vooruitzicht, zelf voor journalisten
Brabants Dagblad
Intrigerend essay over de mini-problemen van de huidige jeugd
NRC Handelsblad
Applaus voor Rob Wijnberg. Iedereen zou dit boek moeten lezen om te weten waarom jongeren zijn zoals ze zijn
Limburgs Dagblad
Door: Rob Wijnberg
Essay Zin 79 De retorische technieken van Geert Wilders
'Voorzitter, wat kosten allochtonen eigenlijk?' PVV-leider Wilders is er wederom in geslaagd zich op de voorgrond van het publieke debat te manouvreren. De reacties zijn verdeeld: sommigen vinden het een legitieme vraag, anderen vinden het een achterbakse manier om meer tweespalt in de samenleving te zaaien. Zo gaat de discussie over Wilders meestal: er wordt gekeken naar de vermeende effecten van zijn retoriek. Minder vaak wordt gekeken naar de retorische technieken die hij hanteert. Oftewel, wat maakt zijn retoriek zo effectief? Een antwoord daarop vinden we in de Ars Rhetorica van de Griekse wijsgeer Aristoteles.
Gelijk heb je nooit, maar moet je krijgen
Hoe het succes van de PVV verklaard kan worden aan de hand van Aristoteles’ Rhetorica
Door Rob Wijnberg
Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis. Vandaag: de retorische technieken van Geert Wilders.
Het politieke seizoen is nog maar net begonnen en het is hem weer gelukt: PVV-leider Geert Wilders heeft zich met zijn vraag over de ‘kosten van allochtonen’ opnieuw op de voorgrond van het publieke debat geplaatst. Wat verklaart dit voortdurende succes?
Positieve verklaringen zijn dat Wilders reële gevoelens van onvrede verwoordt; de tijdgeest en zijn achterban goed aanvoelt; een geslepen politicus is die het debat naar zich toe weet te trekken; of simpelweg gelijk heeft. Negatieve verklaringen wijten het succes eerder aan de angst die hij mensen aanjaagt; het gebrek aan weerwoord van journalisten en collega-politici en, bovenal, de overvloedige aandacht die hem ten deel valt.
Al deze verklaringen zijn op hun eigen manier plausibel, maar veel analyses houden helaas op waar de retoriek begint. Daarmee bedoel ik dat er wel veel aandacht is voor de veronderstelde effecten van de retoriek van de PVV-leider – zo zou Wilders bevolkingsgroepen tegen elkaar opzetten en het debat overschreeuwen. Maar veel minder aandacht is er voor de technieken die er achter zijn retoriek schuilgaan. Oftewel: wat máákt zijn retoriek zoveel effectiever dan die van anderen?
Voor een antwoord op die vraag kom je bijna vanzelf uit bij het boek Ars rhetorica van de Griekse wijsgeer Aristoteles (384-322 v. Chr.). De Ars Rhetorica, (ofwel: de kunst van het overtuigen) wordt beschouwd als hét standaardwerk in de argumentatieleer en zelfs als een van de meest belangwekkende boeken uit de geschiedenis van de westerse filosofie. Er zijn genoeg kritieken op Aristoteles’ theorie verschenen, maar de meeste daarvan borduren slechts voort op kwesties die in de Rhetorica worden opgeworpen – een volledig alternatieve visie is nooit geformuleerd. Dat geeft wel aan hoe veelomvattend de Rhetorica eigenlijk is.
Voor een goed begrip is het van belang om te weten dat Aristoteles de eerste denker was die retoriek beschouwde als een methode, die aan een systematische analyse kon worden onderworpen. De meeste Griekse denkers, waaronder zijn leermeester Plato, keken eerder neer op retoriek: zij zagen het als een truc waarmee mensen werden misleid en de waarheid werd misvormd – en vonden het daarom geen systematische analyse waard.
Hoewel Aristoteles die gedachte niet volledig terzijde schuift, benadrukte hij dat retoriek niet ‘zomaar’ een truc was – eerder een talent of kunstvorm. Hij stelde dan ook, anders dan Plato, dat het bij het overtuigen van mensen niet zozeer draait om waarheid (hoe de wereld is), maar om de vorm waarin die waarheid wordt gegoten (hoe de wereld wordt voorgedaan). Anders gezegd, het gaat er niet om wie gelijk heeft, maar om wie gelijk krijgt.
En om dat gelijk te krijgen, zegt Aristoteles, moet een spreker aan drie voorwaarden voldoen. Ten eerste moet de spreker ethos hebben, oftewel: geloofwaardigheid. Want, zegt Aristoteles, alleen wanneer een spreker geloofwaardigheid wordt toegedicht, „zal het publiek geneigd zijn hetgeen hij zegt als waar of acceptabel te beoordelen”.
Wilders kweekt deze geloofwaardigheid door zich voortdurend als leider te presenteren. Wie zijn mediaoptredens zorgvuldig bekijkt, ziet dat Wilders iedere kans benut om zich als een autoriteit voor te doen: van zijn partij, van zijn achterban en soms van het hele land. Zo bevestigt hij zijn rol als partijleider door alle belangrijke standpunten zélf naar buiten te brengen, door alle nieuwe leden eerst te onderwerpen aan zijn goedkeuring en door vragen nooit door een woordvoerder te laten beantwoorden: óf hij antwoordt zelf, óf hij weigert commentaar.
Hierbij is de PVV-leider zich zeer bewust van het belang van beeldvorming. Een mooi voorbeeld daarvan was tijdens het Verantwoordingsdebat, toen Wilders besloot de Tweede Kamer voortijdig te verlaten: hij liep vóórop de Kamer uit, de camera’s tegemoet, met zijn fractiegenoten in zijn schaduw. In één oogopslag was duidelijk wie de aanvoerder was.
Zijn rol als leider van zijn achterban bevestigt hij vooral door vaak te spreken over ‘de mensen in het land’ en naar peilingen te verwijzen waaruit zou blijken dat ‘zoveel procent van de Nederlanders’ het met zijn standpunt eens is. Zijn rol als leider van het land als geheel benadrukt Wilders ten slotte door waar mogelijk het woord ‘ik’ te vermijden (‘ik ben de islam beu’) en te vervangen door de term ‘Nederland’ (‘Nederland is de islam beu’).
Wanneer de geloofwaardigheid eenmaal tot stand is gebracht, zegt Aristoteles, moet de spreker zich bekwamen in zijn pathos, oftewel: het kunnen aanspreken van de emoties van het publiek. Met deze stelling distantieerde Aristoteles zich nog verder van de Platoonse traditie: anders dan Plato beschouwde hij namelijk niet de feiten als doorslaggevend in het overtuigen, maar de gevoelens die zij opwekken. Want, zegt Aristoteles, „emoties hebben het vermogen onze oordelen te bepalen” – een gedachte die later ook bij de Schotse denker David Hume (1711-1776) opgeld deed toen hij stelde dat „de rede een slaaf van de passies is”.
Wilders slaagt er als geen andere Nederlandse politicus in deze pathos te bewerkstelligen. Hij mikt daarbij vooral op twee emoties. Aan de ene kant speelt Wilders in op een gevoel van machteloosheid door consequent op grote gevaren te wijzen die ons land, ons welzijn en onze cultuur bedreigen – zoals de islam, superstaat Europa, moslimkolonisten, straatterroristen en een linkse elite die blind is voor deze bedreigingen.
Twee retorische technieken die de PVV-leider daarbij hanteert zijn abstractie en overdrijving. Aan de ene kant houdt hij cruciale begrippen, zoals moslim, islam, allochtoon, immigratie en Europa, zo abstract mogelijk: hij specificeert nooit wat hij er precies mee bedoelt. Deze vaagheid schept verwarring (wat beoogt de PVV te doen met ‘de kosten van allochtonen?’) en maakt de begrippen bedreigender: wat een mens niet kent, wekt vrees. Dat effect versterkt hij nog eens door de begrippen zo groot mogelijk te maken middels overdrijving: hij rept over een „tsunami van islamisering”, „miljoenen potentiële moslimterroristen” en „massa-immigratie”. Dat zijn grootheden waar een mens machteloos tegenover staat.
De andere emotie waar Wilders op inspeelt staat daarentegen haaks op machteloosheid, namelijk: empowerment.
De PVV-leider wijst namelijk niet alleen op enorme gevaren, maar stelt daar ook altijd uiterst daadkrachtige oplossingen tegenover: sluit de grenzen voor moslims, schaf de dubbele nationaliteit af, stuur criminele buitenlanders het land uit, verbied de Koran en hef het Europese Parlement op.
Hier hanteert Wilders dus een omgekeerde retorische techniek: door de oplossingen zo klein en duidelijk mogelijk te houden, wekt hij een gevoel van volstrekte controle over de problemen die hij aansnijdt. De combinatie van machteloosheid en controle maakt zijn retoriek zeer effectief: mensen voelen zich bedreigd van buiten én beschermd door de PVV tegelijk.
Ten slotte voldoet Wilders ook aan de derde en laatste voorwaarde die Aristoteles stelt aan een overtuigend redenaar, namelijk logos. Oftewel: logisch redeneren. Dit aspect is veruit de ingewikkeldste in de Rhetorica, maar komt erop neer dat de argumenten bovenal moeten voldoen aan een logische structuur – of ze nu waar zijn of niet. Het beste voorbeeld hiervan is de volgende deductieve redenatie van Wilders: 1) In de Koran staan oproepen tot geweld. 2) Moslims geloven de Koran letterlijk. 3) Ergo: moslims zijn gewelddadig.
Deze redenatie schuilt impliciet achter talloze ‘constateringen’ die Wilders doet, zoals: „De islam is de bron van terrorisme” en „Niet alle moslims zijn terroristen, maar bijna alle terroristen zijn moslim.” Strikt empirisch bekeken zijn deze constateringen onjuist: veruit de meeste moslims, zeker in Nederland, nemen de Koran niet letterlijk en van alle zelfmoordterroristen tussen 1980 en 2004 was een meerderheid niet moslim, maar lid van de seculiere Sri Lankese Tamil Tijgers.
Echter, door zijn uitspraken voortdurend te onderbouwen met de eerder genoemde logische deductie, lijken zijn ‘constateringen’ sluitender dan ze zijn. Consequente herhaling, eveneens een belangrijke retorische techniek, maken zijn uitspraken op den duur zelfs waar. Of, zoals de Duitse denker Friedrich Nietzsche (1844-1900) dat proces omschreef: „Waarheid is een mobiel leger metaforen […] die een volk na lang gebruik als vaststaand, canoniek en bindend voorkomen.”
Wat Nietzsche hiermee suggereert, is dus precies wat Aristoteles al duidelijk maakte: het gaat niet om gelijk hebben, maar om gelijk krijgen. Dat zou je dan ook de grote tekortkoming van de ‘linkse elite’ kunnen noemen: zij voelt zich meer thuis in de traditie van Plato dan die van Aristoteles.
Dat wil zeggen, linkse politici beroepen zich liever op ‘zuivere waarheid’ en ‘rechtvaardige principes’ dan op retoriek. Misschien geen slecht idee om, voor de verkiezingen van 2011, toch nog even de Rhetorica te lezen.
Verschenen in nrc.next op 16 september 2009.
Auteur: Rob Wijnberg
Datum: 16 september 2009
Reacties
-
Wat velen blanken aan leiden is hun zelfgemaakte wetten, door de strot pushen van anderen.en halve rare argumenten gaan verzinnen. om hun eigen belangen te bereiken, ten kosten van alles /leugen creeren. valse welbespraaktheid techniekjes gebruiken.kansberekeningen/calculeren.pfft kan het nog kortzichtiger van de witte hollander.Samenleving komt niet in jullie lexcion vóór?
door julliet
18/01/2011 om 09:23
(1 jaar geleden)
-
Maar wat is de definitie die die de AIVD gebruikt voor potentieel terrorist? Als die definitie weinig streng is dan geldt voor die logos opnieuw dat er doormiddel van drogredenaties (dubbelzinnigheid van de term potentieel terrorist) een logische structuur wordt gevolgd ook al is de constatering niet strikt juist.
100.000 geloof je echt jezelf?door Martijn
12/06/2010 om 01:51
(2 jaren geleden)
-
Over het "logos" deel van je artikel wil ik nog het volgende kwijt: Een aantal jaren geleden publiceerde de AIVD de uitslag van een door hun gehouden onderzoek waarvan de uitkomst was dat 1 op de 10 moslims in Nederland een potentieel terrorist is, in staat tot radicalisering. 100.000 mogelijke terroristen in Nederland dus. Dat is nogal wat! Geert weet dus heel goed waar hij het over heeft.
door RK
13/03/2010 om 01:16
(2 jaren geleden)
-
Leuk artikel hoor, maar je verzuimt in te gaan op het "empowerment" deel van je artikel. Je zegt dat Geert de oplossingen zo eenvoudig mogelijk aandraagt bij de bevolking, maar verzuimt de haalbaarheid hiervan te vermelden. Hoe haalbaar zijn de oplossingen van Geert? Ik denk zelf dat 50% haalbaar is en de andere 50% stukloopt op europese wetgeving die inmiddels aktief is. Geert zal water bij de wijn moeten doen. Dat weet iedereen, inclusief Geert Wilders.
door RK
13/03/2010 om 01:05
(2 jaren geleden)
RSS feed van de reacties op deze pagina | RSS-feed voor alle reacties
Plaats uw reactie
Rob Wijnberg (Winschoten, 1982) studeerde filosofie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij was opinieredacteur van nrc.next, de krant waarvoor hij nog steeds columns en essays schrijft. Hij publiceerde eerder Boeiuh!, een strijdbaar pamflet ter verdediging van zijn generatie, en In dubio, een prikkelend betoog over de vrijheid van meningsuiting.
...
> Lees verder

