Over In Dubio
Indrukwekkend en verhelderend boek dat gelezen zou moeten worden door iedereen die meent te weten wat wel en wat niet gezegd mag worden.
NRC Handelsblad
Absoluut het beste wat ik over het onderwerp vrijheid van meningsuiting heb gelezen.
Theodor Holman, De Groene Amsterdammer
Dit boek komt net op tijd. Een overtuigend antwoord op de vijanden van de vrije meningsuiting en de open samenleving.
Dirk Verhofstadt, Liberales
Over Boeiuh
Wijnberg blinkt uit in sociologische en filosofische duidingen van alledaagse fenomenen
De Volkskrant
Wijnberg schetst een niet onaangenaam vooruitzicht, zelf voor journalisten
Brabants Dagblad
Intrigerend essay over de mini-problemen van de huidige jeugd
NRC Handelsblad
Applaus voor Rob Wijnberg. Iedereen zou dit boek moeten lezen om te weten waarom jongeren zijn zoals ze zijn
Limburgs Dagblad
Door: Rob Wijnberg
Essay Zin 77 Waarom Barack Obama niet waarmaakt wat hij belooft
Het is een steeds vaker gehoord kritiek: president Obama belooft een perfecte wereld in zijn speeches, maar bereikt in zijn beleid alleen zouteloze compromissen. Ergens is die kritiek wel begrijpelijk - Obama belooft meer dan hij waarmaakt. Maar aan de andere kant is het verschil tussen woord en daad logischer dan je in eerste instantie zou denken. Er is zelfs een goede reden voor, die volledig samenhangt met Obama's pragmatische filosofie. Voor de pragmatist hebben retoriek en beleid namelijk allebei een andere functie: het ene moet inspireren, het andere moet realiseren.
Yes we can! Of toch niet?
Barack Obama’s pragmatische filosofie
Door Rob Wijnberg
Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis. Vandaag: het verschil tussen Obama’s woord en daad.
De wittebroodsweken van president Obama lijken voorbij. Zijn goedkeuringscijfers zijn, zoals gebruikelijk voor een nieuwe leider, gedaald van 70 procent in januari tot onder de 60 procent nu – en ook de kritiek op zijn presidentschap neemt toe. Van de aanvallen uit Republikeinse hoek hoeft niemand op te kijken: het conservatieve deel van de bevolking is al van meet af aan zeer wantrouwend tegenover Obama geweest. Zij vrezen dat hij de nationale veiligheid op het spel zet door diplomatieke betrekkingen met vijanden aan te gaan en zijn bovendien bang dat hij de VS zal veranderen in een socialistische verzorgingstaat. Die angst steeg de afgelopen weken zelfs tot een kookpunt in het volledig uit de hand gelopen debat over Obama’s nieuwe zorgstelsel.
Maar ook onder de meer Obama-gezinde commentatoren groeit de scepsis. Het vaakst terugkerende verwijt luidt dat er een grote kloof gaapt tussen zijn retoriek en zijn daadwerkelijke beleid. Of anders gezegd: Obama belooft meer dan hij waarmaakt. Steven Richter, hoofdredacteur van The Globalist, vergeleek Obama’s speeches onlangs zelfs met een „virtualrealitywereld”, waarin mensen worden betoverd met „oproepen tot een meer verheven toekomst”, om daarna weer „terug te zweven naar een veel minder verheven werkelijkheid”.
Zelf heb ik ook soortgelijke kritiek geuit. In een reactie op NRC-commentator Hubert Smeets, die eens lovend sprak over Obama, waarschuwde ik voor het verschil tussen zijn woorden en daden: Obama belooft een kernwapenvrije wereld, maar tornt vooralsnog niet aan het Amerikaanse wapenarsenaal; hij belooft hulp aan het Palestijnse volk, maar blijft Israël voorlopig steunen; hij zegt de invloed van lobbyisten te beperken, maar voerde wel campagne met geld van de grote financiële instellingen op Wall Street.
Nu is het natuurlijk altijd goed om kritisch te blijven kijken naar de machthebbers in de wereld, maar bij nader inzien beschouw ik deze kritiek toch niet helemaal als terecht. Hubert Smeets stelde al dat mijn scepsis voortkomt uit een onrealistisch soort idealisme – alsof de president al zijn beloftes stante pede moet inlossen om betrouwbaar te kunnen zijn – en daar heeft hij gelijk in. Wie de filosofie van president Obama bestudeert, komt namelijk tot de conclusie dat het onvermijdelijk is dat er een verschil zit tussen zijn speeches en zijn beleid – en dat er zelfs een goede reden bestaat waarom hij in zijn toespraken verheven vergezichten schetst die hij in de praktijk niet kan waarmaken.
Die reden heeft alles te maken met het pragmatisme waar Obama een zelfverklaard aanhanger van is. Het pragmatisme is een filosofie die haar oorsprong vindt in het werk van de Amerikaanse denker William James (1842-1910), maar ze kan pas goed begrepen worden in het licht van twee voorafgaande ontwikkelingen, namelijk: de opkomst van de moderne wetenschap en de Industriële Revolutie.
Deze twee ontwikkelingen brachten niet alleen in maatschappelijke zin, maar ook in filosofische zin enorme veranderingen teweeg. Zo ontstond er een geloof in de maakbaarheid van de wereld en een geloof in technologische vooruitgang. De mens werd niet langer beschouwd als een wezen dat was overgeleverd aan de gratie van de goden of aan de grillen van de natuur, maar als een wezen dat zijn lot in eigen handen kon nemen.
Het geloof in maakbaarheid ging dus automatisch gepaard met een verlies van geloof in transcendente, buitenmenselijke autoriteiten. De mens hoefde geen verantwoording af te leggen aan een Hogere Macht of een Hoger Doel, alleen aan zichzelf – een gedachte die later nog eens werd versterkt door de theorie van Charles Darwin dat de mens niet ‘gecreëerd’ maar ‘geëvolueerd’ was.
Gecombineerd met het nieuwe geloof in vooruitgang werd deze gedachte als een grote bevrijding ervaren: de mens hoefde niet te wachten op hulp van boven, maar kon de wereld zélf beter maken. Of, zoals de Amerikaanse pragmatist Richard Rorty (1931-2007) het formuleerde: „In de 18de eeuw is de mens opgehouden met hopen op verlossing in een hiernamaals, en begonnen met hopen op een beter leven voor zijn achterkleinkinderen.”
Het grote probleem werd echter: als alle doelen in het leven producten van de menselijke geest zijn, hoe kunnen we dan weten of onze doelen wel de ‘juiste’ doelen zijn? De mens is immers feilbaar en bovendien vaak egocentrisch – hij streeft vooral zijn eigenbelang na. Het verlies van buitenmenselijke autoriteiten veroorzaakte, kortom, enorme onzekerheid en angst: ze gaf de mens weliswaar vrijheid, maar ontnam hem ook de geruststelling dat er iets ‘hogers’ was waarop hij zijn ideeën over goed en kwaad kon baseren. Existentialisten, zoals Martin Heidegger en Jean-Paul Sartre, noemden dit „existentiële angst”: de gedachte dat de mens de ‘maatstaf der dingen’ is, maakt ons eenzaam en bang.
Het pragmatisme probeerde op dit probleem een antwoord te vinden. Als eerste stroming in de 20ste eeuw stelde zij de vraag: is er een vorm van echte zingeving mogelijk zonder terug te grijpen op buitenmenselijke autoriteiten? Of, zoals William James het formuleerde: kun je het wetenschappelijke geloof in maakbaarheid verenigen met de religieuze behoefte van mensen om te geloven in iets hogers dan alleen de mens zelf? James dacht van wel en introduceerde daarvoor een nieuw criterium op grond waarvan we onze doelen konden stellen: bruikbaarheid.
De vraag of iets nastrevenswaardig was, moest volgens James niet langer beantwoord worden met een beroep op Gods wil of een andere Hogere Waarheid, maar door simpelweg te kijken naar de praktische gevolgen van ons handelen. De kwestie was daardoor niet langer of iets, in metafysische zin, ‘het juiste’ was om te doen, maar of het concreet bijdroeg aan de oplossing van werkelijke problemen. Het pragmatisme beschouwde waarheid en moraal dus ook niet als doelen op zich, maar als instrumenten. Of, zoals James zei: „Wat waar is of goed, is wat werkt.”
Hieruit kan worden opgemaakt dat het pragmatisme een anti-ideologische denkwijze is: er bestaat niet zoiets als een perfecte samenleving, waarin alles werkt zoals het ‘hoort te werken’. Máár, zegt de pragmatist, we kunnen wél steeds nieuwe manieren vinden om onze problemen op te lossen. Uit dat gegeven kunnen we alle zingeving putten die een mens nodig heeft, zegt James.
De pragmatist gelooft daardoor namelijk in stapsgewijze vooruitgang door middel van trial and error, zonder te denken dat deze vooruitgang eindigt in een utopie of verlossing: elke oplossing veroorzaakt immers ook weer nieuwe problemen en dilemma’s. Een antwoord op de vraag wat de wáre zin van het leven is, heeft de pragmatist dan ook niet: wat goed is in het ene geval, kan slecht zijn in een ander en vice versa.
Dit verklaart waarom de pragmatist Obama in zijn speeches vergezichten schetst van een ideale wereld, terwijl hij in zijn beleid oplossingen nastreeft in de wetenschap dat die ideale wereld nooit bereikt zal worden. Zijn speeches en zijn beleid hebben namelijk, praktisch gezien, allebei een andere functie. Met zijn retoriek beoogt Obama mensen hoop te geven, betrokkenheid te kweken en draagvlak te creëren, terwijl hij met zijn beleid enkel beoogt werkbare oplossingen te implementeren die per definitie niet ‘perfect’ zijn.
Dit verschil tussen woord en daad vloeit logisch voort uit zijn pragmatische filosofie: om mensen te inspireren tot een betere wereld moet je ze immers eerst bevredigen in wat James onze ‘religieuze behoefte’ noemt, maar om die betere wereld echt tot stand te brengen kun je niet veel meer doen dan uit te proberen ‘wat werkt’. Anders gezegd: met zijn speeches probeert Obama, net als William James, de existentiële angst te bezweren die uitgaat van het bevrijdende besef dat de mens zelf de schepper van zijn doelen is (‘Yes we can!’), zonder in praktijk te vervallen in oplossingen die utopisch en onhaalbaar zijn.
Daarom spelen de begrippen ‘hoop’ en ‘verandering’ zowel bij Obama als bij James een cruciale rol: we kunnen niet zeker weten dat de doelen die we onszelf stellen de juiste doelen zijn (daarvoor is een buitenmenselijke maatstaf nodig), maar we kunnen er wel op hopen dat de veranderingen die we teweegbrengen uiteindelijk goed zullen uitpakken. Obama is ook in dit opzicht een typische pragmatist: hij maakt in zijn speeches, net als James in zijn filosofie, nooit echt duidelijk waaróp we moeten hopen of wélke veranderingen goed zullen zijn – dat weten we immers niet.
De kritiek dat Obama niet waarmaakt wat hij in zijn speeches belooft, is dus inderdaad een idealistische kritiek waar een pragmatist niks mee kan. Idealisten (en dat zijn de meeste Republikeinen) geloven immers, anders dan pragmatisten, wél dat een ideale wereld mogelijk is en vinden daarom dat er geen verschil mag zitten tussen wat je belooft en wat je doet. Zij noemen Obama ‘hypocriet’ en ‘onbetrouwbaar’. Maar een pragmatist zou zeggen dat woord en daad slechts verschillende instrumenten voor verschillende doelen zijn: de utopische retoriek moet mensen inspireren, het beleid moet dingen realiseren. En die twee doelen vallen in werkelijkheid nooit samen.
Kende Nederland maar zo’n slimme leider.
Verschenen in nrc.next op 2 september 2009.
Auteur: Rob Wijnberg
Datum: 02 september 2009
Reacties
Er heeft nog niemand gereageerd op deze pagina.
RSS feed van de reacties op deze pagina | RSS-feed voor alle reacties
Plaats uw reactie
Rob Wijnberg (Winschoten, 1982) studeerde filosofie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij was opinieredacteur van nrc.next, de krant waarvoor hij nog steeds columns en essays schrijft. Hij publiceerde eerder Boeiuh!, een strijdbaar pamflet ter verdediging van zijn generatie, en In dubio, een prikkelend betoog over de vrijheid van meningsuiting.
...
> Lees verder

