Over In Dubio
Indrukwekkend en verhelderend boek dat gelezen zou moeten worden door iedereen die meent te weten wat wel en wat niet gezegd mag worden.
NRC Handelsblad
Absoluut het beste wat ik over het onderwerp vrijheid van meningsuiting heb gelezen.
Theodor Holman, De Groene Amsterdammer
Dit boek komt net op tijd. Een overtuigend antwoord op de vijanden van de vrije meningsuiting en de open samenleving.
Dirk Verhofstadt, Liberales
Over Boeiuh
Wijnberg blinkt uit in sociologische en filosofische duidingen van alledaagse fenomenen
De Volkskrant
Wijnberg schetst een niet onaangenaam vooruitzicht, zelf voor journalisten
Brabants Dagblad
Intrigerend essay over de mini-problemen van de huidige jeugd
NRC Handelsblad
Applaus voor Rob Wijnberg. Iedereen zou dit boek moeten lezen om te weten waarom jongeren zijn zoals ze zijn
Limburgs Dagblad
Door: Rob Wijnberg
Essay Zin 75 Vrije tijd als het voorrecht van de rijkste klasse
De PvdA pleitte onlangs voor een vierdaagse werkweek. Doel: werklozen aan een baan helpen en zo de economie stimuleren. Dat is niet iets waar de hedendaagse groep consumptiecritici op zit te wachten, maar het idee van minder werken moet ze wel aanspreken: als het werk over meer mensen wordt verdeeld, kan ook de vrije tijd eerlijker verspreid worden. Dat was ook het idee van de filosoof Betrand Russell, die ooit een lofzang op het nietsdoen schreef. Hij pleitte zelfs voor een werkdag van maar vier uurtjes. Klinkt absurd, maar wie naar de geschiedenis kijkt, ontdekt dat we steeds minder zijn gaan werken, terwijl we wel steeds rijker zijn geworden. Een hoopvol vooruitzicht dus?
Vier dagen werken? Waarom niet vier uur per dag?
Vrije tijd was altijd het voorrecht van de rijkste klasse. Dat kan anders, zegt filosoof Bertrand Russell
Door Rob Wijnberg
Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis. Vandaag: kunnen en willen we met z'n allen minder werken?
We willen te veel, werken te hard en genieten te weinig. Dat is, kort samengevat, de boodschap van een groeiende groep schrijvers én politici die, mede door de economische crisis, in verzet is gekomen tegen de excessen van het kapitalisme en de consumentistische levensstijl die daarmee gepaard gaat. Talloze boeken zijn er inmiddels verschenen, met als rode draad steeds dezelfde kritiek: de moderne samenleving heeft de mens onophoudelijk gestresst en permanent ontevreden gemaakt, met als gevolg dat we steeds vroeger overwerkt of depressief raken.
De auteurs tonen zich daarom allemaal voorstander van het principe less is more. Weg met de overvolle agenda’s, de drang om te presteren en de noodzaak van economische groei. Tijd voor bezinning, rust en tevredenheid. Dat ze daarmee een gevoelige snaar raken, blijkt wel uit de verkoopcijfers. Het boek The 4-Hour Workweek van Timothy Ferriss staat nu al twee jaar in de Amerikaanse bestsellerslijsten en ook Tom Hodgkinson’s pleidooi voor nietsdoen (How To Be Idle) vindt veel weerklank. Sommige boeken zijn zelfs tot heuse stromingen uitgegroeid, zoals slow food, slow sex en slow parenting.
In dit licht bekeken is het dus zo vreemd nog niet dat de PvdA onlangs, bij monde van fractievoorzitter Mariëtte Hamer, een lans brak voor de vierdaagse werkweek. De partij wil niet zo ver gaan om vier werkdagen als verplicht maximum in te stellen, maar werknemers moeten wel de mogelijkheid krijgen om minder te gaan werken dan nu gebruikelijk is. De gedachte hierachter is simpel: wanneer mensen minder gaan werken, schept dat werkgelegenheid voor hen die geen baan hebben. Zo kan de werkloosheid, die sterk oploopt door de crisis, worden bestreden, aldus de PvdA.
Hoewel het uiteindelijke doel van de vierdaagse werkweek niet strookt met het gedachtengoed van de consumptiecritici – namelijk de economische groei bevorderen – moet de gedachte hen op zich wel aanspreken. Veel handen maken licht werk: hoe meer het werk verdeeld is, des te meer vrije tijd er overblijft voor iedereen, terwijl de economie desondanks op peil blijft. Het zou zo een variatie op het slow-thema kunnen zijn: slow work.
Toevallig is het ook precies de gedachte die de Britse filosoof Bertrand Russell (1872-1970) propageert in zijn beroemde (en omstreden) essay In Praise of Idleness (1935) – ofwel: lofzang op het nietsdoen. In dat essay windt Russell er geen doekjes om. Hij stelt dat er in de wereld „veel kwaad is aangericht door het idee dat werken deugdzaam is” en dat daarom „de weg naar geluk en welvaart gelegen is in het georganiseerd laten verdwijnen van werk”.
Volgens de filosoof heeft de moderne technologie – hij spreekt over de jaren dertig – namelijk een dusdanige vooruitgang geboekt, dat het mogelijk is geworden om veel minder te werken, zonder dat het welvaartsniveau daaronder hoeft te lijden. Zodoende, zegt Russell, hoeft vrije tijd „niet alleen het voorrecht van de rijkste klasse te blijven”, maar kan zij „evenredig worden verdeeld over de hele gemeenschap”. Russell gaat daarin overigens nog wel iets verder dan de PvdA: hij pleit voor werkdagen van ten hoogste vier uur.
Nu lijkt Russells idee op het eerste gezicht absurd. Hoe kan de economie blijven draaien als iedereen plotseling zijn werkzame tijd met meer dan de helft terugbrengt? Feitelijk is dat onmogelijk: zou een vierurige werkdag van het ene op het andere moment worden ingevoerd, dan zou de economie zeker stagneren. Toch heeft Russell historisch gezien het gelijk veel meer aan zijn zijde dan je zou denken.
Het gemiddelde aantal uren dat een mens in het Westen per jaar besteedt aan arbeid, is sinds de dertiende eeuw – op een plotselinge piek vijf eeuwen later na – namelijk alleen maar afgenomen. In vergelijking met de negentiende eeuw, aan het begin de van Industriële Revolutie, scheelt het zelfs meer dan de helft: werkte men rond 1840 in Europa meer dan drieduizend uur per jaar, nu ligt het gemiddelde onder de 1.500 uur. In diezelfde periode is ons bruto nationaal product niettemin met drieduizend procent toegenomen, voornamelijk door technologische ontwikkelingen, betere werkomstandigheden en meer sociale voorzieningen, die de productiviteit per tijdseenheid drastisch deden toenemen.
Minder werken en meer welvaart hoeven elkaar dus niet per definitie uit te sluiten. Sterker nog, uit recent onderzoek van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) is gebleken dat van alle geïndustrialiseerde landen in Nederland gemiddeld het minste aantal uren wordt gewerkt , namelijk 1.306 uur per jaar. Tegelijkertijd behoren we wel tot de vijf rijkste landen van de Europese Unie.
Bovendien is in ons land lang niet iedereen die kán werken ook daadwerkelijk aan het werk. De netto arbeidsparticipatie, ofwel het percentage van de beroepsbevolking dat 12 uur per week of meer werkt, lag in 2008 volgens het CBS op 67,5 procent. Omgerekend zijn er dus bijna 3,6 miljoen mensen die niet werken.
Trek daar de circa 600.000 studenten en 850.000 arbeidsongeschikten vanaf (aangenomen dat zij terecht zijn afgekeurd), dan blijven er nog ruim twee miljoen niet-werkenden over die wel tot arbeid in staat zouden zijn. Dat komt neer op bijna 20 procent van de beroepsbevolking. Zouden die allemaal wel werken, dan zou de werkdag met zeker 25 procent kunnen worden bekort, zonder productiviteitsverlies. Bertrand Russell zou er verguld mee zijn geweest.
Toch gaan alle pleitbezorgers voor meer vrije tijd, inclusief Russell, voorbij aan één fundamentele vraag: willen mensen wel minder werken? De aanname is hier dat werk iets is wat mensen, als ze de gelegenheid zouden hebben, per definitie zouden vermijden. Russell staat daarin niet alleen. De westerse filosofie kent een lange geschiedenis van denkers die arbeid beschouwden als een intrinsiek verwerpelijke activiteit.
Zo stelde de Griek Aristoteles (384-322 v. Chr.) al enigszins retorisch: „Het doel van iedere bezigheid is vrije tijd.” En ook de Romeinse dichter Cicero (106-43 v. Chr.) vond dat „nietsdoen essentieel is voor geluk”. De Franse marxist Paul Lafargue (1842- 1911) ging zelfs nog verder: hij schreef het pamflet Het recht op luiheid (1883), bedoeld als serieuze antithese van het socialistische ‘recht op arbeid’.
De vraag is of deze kijk op werk tegenwoordig nog wel opgaat. Historisch gezien is het verzet van deze schrijvers begrijpelijk. De omstandigheden waarin de meeste arbeiders vroeger moesten werken, waren dramatisch – en het loon dat ze kregen meestal net genoeg om in leven te blijven. Dat gaat nu echter veel minder op. Het modale inkomen ligt in Nederland anno 2009 op bijna 32.000 euro, inclusief 8 procent vakantietoeslag.
Bovendien beschouwen veel mensen hun werk tegenwoordig als een belangrijk onderdeel van hun identiteit. Het geeft hen het gevoel dat ze een waardevolle bijdrage aan de samenleving leveren. Natuurlijk, de mate van voldoening is niet voor iedereen even hoog, maar de stelling van Russell dat niemand zijn werk beschouwt als ‘een nobele taak’ lijkt enigszins achterhaald.
Diezelfde denkfout begaat trouwens ook slow worker Timothy Ferriss, auteur van het eerdergenoemde The 4-Hour Workweek. Hij definieert ‘werk’ als niet meer dan een vervelend klusje dat in de weg staat van alles wat je wél zou willen doen, zoals diepzeeduiken op de Bahama’s of een vreemde taal leren in het buitenland.
Dat is een tamelijk beperkte opvatting van werk, net zoals zijn twee belangrijkste adviezen om van het werk af te komen behoorlijk ongeloofwaardig zijn: begin een bedrijfje dat uit zichzelf geld genereert (Ferriss heeft een postorderbedrijf op internet) en besteed de taken die overblijven (bestellingen aannemen, klanten te woord staan, agenda bijhouden) uit aan anderen. Ferriss heeft zelf verscheidene assistenten in India in dienst.
Niet alleen gaat Ferriss daarmee voorbij aan de vraag of mensen uit dit soort werk wel enige voldoening zouden halen, wat natuurlijk twijfelachtig is. Maar hij is ook blind voor het feit dat zijn vrije tijd bestaat bij de gratie van het harde werk van zijn Indiase werknemers. Wat dat betreft bewijst Ferriss onbedoeld hoe prangend actueel de kritiek van Bertrand Russell is: vrije tijd is nog altijd slechts een voorrecht van de rijkste klasse. Dat wil zeggen, van ons dus.
In een groot deel van de wereld zou men een moord doen voor een typisch Nederlandse werkweek.
Vanaf volgende week is Rob Wijnberg, tot genoegen van Bertrand Russell, met vakantie. Zijn wekelijkse essays zullen per 1 september worden hervat.
Verschenen in nrc.next op 10 juni 2009.
Auteur: Rob Wijnberg
Datum: 12 juni 2009
Reacties
Er heeft nog niemand gereageerd op deze pagina.
RSS feed van de reacties op deze pagina | RSS-feed voor alle reacties
Plaats uw reactie
Rob Wijnberg (Winschoten, 1982) studeerde filosofie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij was opinieredacteur van nrc.next, de krant waarvoor hij nog steeds columns en essays schrijft. Hij publiceerde eerder Boeiuh!, een strijdbaar pamflet ter verdediging van zijn generatie, en In dubio, een prikkelend betoog over de vrijheid van meningsuiting.
...
> Lees verder

