Over In Dubio
Indrukwekkend en verhelderend boek dat gelezen zou moeten worden door iedereen die meent te weten wat wel en wat niet gezegd mag worden.
NRC Handelsblad
Absoluut het beste wat ik over het onderwerp vrijheid van meningsuiting heb gelezen.
Theodor Holman, De Groene Amsterdammer
Dit boek komt net op tijd. Een overtuigend antwoord op de vijanden van de vrije meningsuiting en de open samenleving.
Dirk Verhofstadt, Liberales
Over Boeiuh
Wijnberg blinkt uit in sociologische en filosofische duidingen van alledaagse fenomenen
De Volkskrant
Wijnberg schetst een niet onaangenaam vooruitzicht, zelf voor journalisten
Brabants Dagblad
Intrigerend essay over de mini-problemen van de huidige jeugd
NRC Handelsblad
Applaus voor Rob Wijnberg. Iedereen zou dit boek moeten lezen om te weten waarom jongeren zijn zoals ze zijn
Limburgs Dagblad
Door: Rob Wijnberg
Essay Zin 74 Waarom mensen zich geen Europeaan voelen
De Amerikaanse geschiedenis wordt gekenmerkt door gezamenlijke vijanden: de natives, de Engelsen, de communisten - en nu de 'axes of evil' in Iran en Noord-Korea. Dat geeft Amerikanen al honderden jaren een gevoel van saamhorigheid. Europa kent zulke vijanden niet: zij is juist opgericht om van de vijand een bondgenoot te maken. Dus moet er een andere manier gevonden worden om saamhorigheid te kweken, bijvoorbeeld door middel van gemeenschappelijke belangen. Maar hoe kan een Franse autofabrikant zich vereenzelvigen met de belangen van, zeg, een Poolse boer? Immanuel Kant waarschuwde al: een 'wereldregering' zal, door zijn enormiteit, als zielloos worden ervaren. Gelukkig helpt de PVV D66 een handje.
Beste Eurofielen, dit is waarom Europa niet lééft
Immanuel Kant waarschuwde al dat een ‘wereldregering’ als afstandelijk en zielloos zal worden ervaren
Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis. Vandaag: de identificatie met zoiets groots als Europa.
Moet Nederland de grenzen dichthouden voor economische gelukzoekers, omdat massa-immigratie enorme sociale spanningen veroorzaakt? Of moet Europa juist een zo groot mogelijke vrije markt van werknemers zijn, omdat we immigranten nodig hebben om onze vacatures te vervullen? Is het beter dat Turkije nooit lid kan worden van de EU, omdat de islamitische cultuur haaks staat op de onze? Of kan een Turks lidmaatschap juist de kloof tussen Europa en de islamitische wereld verkleinen? Moet de Nederlandse regering autonoom zijn in het bepalen van haar koers? Of is Europese eenwording noodzakelijk om grensoverschrijdende problemen aan te pakken?
De Europese verkiezingen mogen dan weliswaar niet echt leven bij de gemiddelde burger, het debat over Europa is er niet minder levendig om. Er valt wel degelijk iets te kiezen morgen: op belangrijke thema’s als immigratie, duurzaamheid en gezamenlijke normen en waarden verschillen de partijen fundamenteel van mening.
Maar juist omdat de standpunten zo uiteenlopen, en de onderliggende kwesties extreem complex zijn, is het moeilijk om als kiezer een eenduidige positie in het debat in te nemen. Kun je vóór Europa zijn, maar tegelijkertijd niet willen dat buitenlanders hier een baan komen zoeken? Kun je tégen Europa zijn, terwijl je wel voorstander bent van een gezamenlijke aanpak van het klimaatprobleem? De discussies geven daarover weinig houvast.
Daarom is het wellicht handig om de inhoudelijke verschillen even te laten voor wat ze zijn en te kijken naar de meer fundamentele filosofische vraag die aan het hele Europadebat ten grondslag ligt, namelijk: op welke schaal kan het politieke bestuur van een volk het beste worden georganiseerd? Is dat op lokaal, nationaal, continentaal of zelfs wereldlijk niveau?
In feite is de meeste onenigheid over Europa op dit vraagstuk te herleiden. De anti-Europese partijen, zoals de SP en de PVV, denken kleinschaliger en in particuliere termen: zij komen op voor de ‘kleine zelfstandige’ en diens ‘nationale belangen’. De pro-Europese partijen, zoals GroenLinks en D66, denken grootschaliger en in universele termen: zij komen op voor de ‘mensheid’ en diens ‘algemene belangen’.
Wat precies de meest wenselijke, efficiënte en gerechtvaardigde staatsvorm is, daarover bestaat in de filosofie totaal geen consensus. De visies lopen uiteen van puur anarchisme tot een alles overkoepelende wereldregering.
Nu zijn deze twee uitersten geen van beide vertegenwoordigd in het Europese debat, maar een nadere beschouwing ervan kan wel helpen bij het begrijpen van twee specifieke problemen die spelen rondom de eenwording van Europa. Ten eerste: waarom is Europa zo bureaucratisch? En ten tweede: waarom is het voor burgers zo moeilijk zich te identificeren met Europa? De voor- en nadelen van anarchisme en een wereldregering geven daar een antwoord op.
Anarchisme is een politieke theorie die als uitgangspunt heeft dat de morele autoriteit uitsluitend bij het individu zelf ligt. In een zuivere anarchie bestaan dan ook geen wetten, en geen autoriteiten die eventuele wetten moeten handhaven – ieder mens in zijn eigen baas. Dit klinkt als een absurde politieke theorie om aan te hangen, maar het grote voordeel ervan is dat het een aloud filosofisch dilemma oplost, namelijk: hoe moet het afstaan van de autonomie van het individu aan een autoriteit boven hem worden gerechtvaardigd?
Anarchisten stellen simpelweg dat een dergelijke rechtvaardiging niet bestaat: niemand heeft het recht baas te zijn over een ander mens. Alle andere staatsvormen hebben wél met dit dilemma van autoriteit te maken – een probleem dat ook sterk terug te zien is in het Europadebat. Critici vragen zich dan af op grond waarvan het te billijken is dat Brussel de autoriteit van een nationale regering overstijgt – en zijn sceptisch over de argumenten die de tegenpartij daarvoor aandraagt.
Het meest gegeven antwoord op het autoriteitsvraagstuk is niettemin dat een samenleving zonder autoriteiten onherroepelijk vervalt in chaos. Binnen een sociale context zullen er namelijk onvermijdelijk belangenconflicten optreden – en zonder autoriteit die deze conflicten beheerst en beslecht, zal de samenleving uitmonden in het recht van de sterkste (zie bijvoorbeeld Irak na de val van Saddam Hussein).
Op grond hiervan concluderen veel filosofen dan ook dat een anarchie onhoudbaar (want zelfondermijnend) is: als niemand de macht heeft, zal een groep mensen hoe dan ook die macht grijpen en is er van anarchie geen sprake meer. Een politieke autoriteit instellen is dus niet alleen wenselijk, maar noodzakelijk.
Hiermee is een rechtvaardiging voor het afstaan van autonomie gevonden, maar werpt zich onmiddellijk een volgend filosofisch probleem op, namelijk: als de in te stellen staatsvorm niet alsnog wil vervallen in een tirannie, dan zal de autoriteit niet in dienst mogen staan van het particuliere belang van slechts een bepaalde groep mensen. Anders zou het resultaat immers niet anders zijn dan die van een zichzelf opheffende anarchie.
Met andere woorden, wil een autoriteit legitiem zijn, dan zal zij moeten opkomen voor het gemeenschappelijke belang van het volk dat zij bestuurt. De Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau (1712-1778), een van de grootste pleitbezorgers van een verenigd Europa, stelt om die reden dat een rechtvaardige staat begint bij het vaststellen van „de algemene wil van de bevolking”.
Dat klinkt logisch, maar daarmee heeft Rousseau ons wel voor een groot probleem gesteld. Want, wat is het ‘algemene belang’ precies? Bestaan er überhaupt zaken die voor iedereen evenzeer van belang zijn? Men zou kunnen denken aan zaken als wegen, ziekenhuizen en scholen: die lijken in ieders belang.
Dat is deels waar, maar toch geldt zelfs hiervoor dat de mate waarin aan deze zaken belang wordt gehecht per individu verschilt. Iemand die in een afgelegen provinciedorp woont, heeft minder belang bij een ringweg om Amsterdam dan iemand uit de Randstad. Iemand die nooit ziek is, heeft minder belang bij een ziekenhuis dan een gehandicapte. Een loodgieter heeft minder belang bij een universiteit dan een hoogleraar.
En juist hierin schuilt het schaalprobleem van politiek bestuur: hoe groter en diverser de groep mensen is die moet worden bestuurd, des te moeilijk is het om vast te stellen wat in het ‘algemene belang’ van al die mensen is. Het aantal verschillende belangen – en dus de kans op belangenconflicten – is immers veel groter. Dit verklaart enerzijds waarom Europa zo bureaucratisch is: hoe groter de kans op belangenconflicten, des te meer regels en procedures er nodig zijn om die conflicten te beheersen. Anders wordt het, gelijk een anarchie, al snel een chaos.
Maar dit verklaart bovenal waarom het voor veel mensen moeilijk is om zich te vereenzelvigen met Europa. Identificatie is, volgens de identiteitstheorie van Immanuel Kant (1724-1804), namelijk de vereenzelviging van een persoon met een bepaalde doelstelling. Identificatie met een (politiek) collectief vindt dus plaats wanneer de individuele leden de doelstellingen van het collectief onderschrijven. Of, anders gezegd: wanneer de leden eenzelfde belang delen.
Daarom identificeert iedereen zich vóór alles met zichzelf: een mens valt samen met zijn belangen. En daarom identificeert een volledig land zich ook gemakkelijk met, zeg, het nationale voetbalelftal: de doelstelling – winnen van de tegenstander – is duidelijk en wordt door iedereen evenzeer onderschreven.
Maar wordt het collectief – en daarmee het aantal doelstellingen – groter en gevarieerder, dan wordt het des te moeilijker om ze allemaal te onderschrijven. Zulks is het geval met Europa: de belangen van meer dan 327 miljoen mensen moeten worden behartigd. Dat maakt identificatie lastig.
Hoe kan een Franse autofabrikant of Spaanse leraar zich vereenzelvigen met de belangen van een Poolse boer of Duitse bankdirecteur? Om identificatie tóch mogelijk te maken, zouden de doelstellingen zo algemeen moeten worden geformuleerd, dat ze voor zo veel mogelijk mensen opgaan, zoals: ‘het milieu beschermen’, ‘terrorisme bestrijden’ of ‘klimaatverandering tegengaan’.
Het probleem hiervan is echter: hoe algemener de doelstelling, des te groter de afstand tot het individu. De gevolgen voor de individuele burger zijn dan immers steeds vager: wat moet precies worden verstaan onder het milieu beschermen of terrorisme bestrijden? Het is om die reden praktisch onvermijdelijk, stelt Kant, dat een wereldregering door de meeste mensen als „ver weg, inefficiënt en zielloos” zal worden ervaren. Zijns inziens was het hoogst haalbare een politieke gemeenschap van „verschillende met elkaar samenwerkende staten”. Maar ja, zo ver waren we in Europa al.
In dit licht lijkt het kweken van het gevoel ‘Europeaan te zijn’ onbegonnen werk – onze belangen lopen daarvoor te zeer uiteen. Een uitweg voor pro-Europese partijen zou zijn om de kiezer ervan te overtuigen dat er een externe bedreiging is die heel Europa van buitenaf teistert, bijvoorbeeld de ‘islamitische wereld’. Niets kweekt immers meer saamhorigheid dan het hebben van een gezamenlijke vijand. Ironisch genoeg is het echter de meest anti-Europese partij die het vaakst op dat gevaar wijst, waarmee zij in feite onbedoeld de noodzaak van een verenigd Europa bevestigt.
Wat dat betreft mag D66 de PVV wel dankbaar zijn.
Verschenen in nrc.next op 3 juni 2009.
Auteur: Rob Wijnberg
Datum: 04 juni 2009
Reacties
Er heeft nog niemand gereageerd op deze pagina.
RSS feed van de reacties op deze pagina | RSS-feed voor alle reacties
Plaats uw reactie
Rob Wijnberg (Winschoten, 1982) studeerde filosofie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij was opinieredacteur van nrc.next, de krant waarvoor hij nog steeds columns en essays schrijft. Hij publiceerde eerder Boeiuh!, een strijdbaar pamflet ter verdediging van zijn generatie, en In dubio, een prikkelend betoog over de vrijheid van meningsuiting.
...
> Lees verder

