bezige bij nrc.next
Bestel het boek Dus ik ben. Bestel het boek Nietzsche en Kant lezen de krant. Bestel het boek In dubio Bestel het boek Boeiuh

Over In Dubio


Indrukwekkend en verhelderend boek dat gelezen zou moeten worden door iedereen die meent te weten wat wel en wat niet gezegd mag worden.

NRC Handelsblad

Absoluut het beste wat ik over het onderwerp vrijheid van meningsuiting heb gelezen.

Theodor Holman, De Groene Amsterdammer

Dit boek komt net op tijd. Een overtuigend antwoord op de vijanden van de vrije meningsuiting en de open samenleving.

Dirk Verhofstadt, Liberales


Over Boeiuh


Wijnberg blinkt uit in sociologische en filosofische duidingen van alledaagse fenomenen

De Volkskrant

Wijnberg schetst een niet onaangenaam vooruitzicht, zelf voor journalisten

Brabants Dagblad

Intrigerend essay over de mini-problemen van de huidige jeugd

NRC Handelsblad

Applaus voor Rob Wijnberg. Iedereen zou dit boek moeten lezen om te weten waarom jongeren zijn zoals ze zijn

Limburgs Dagblad

24 april 2009
Door: Rob Wijnberg

Essay Zin 68 Seksualisering, zelfbevrediging en de objectivering van jongens

Critici van de seksualisering waarschuwen er doorlopend voor: de pornificatie van onze samenleving zet aan tot seksuele excessen en leidt tot objectivering van meisjes - zij worden in videoclips en pornofilms doorlopend afgebeeld als lustobject waar de jongen zijn behoeften op mag botvieren.  Waar de meeste deskundigen echter nauwelijks oog voor hebben is de vraag: hoe wordt pornografie eigenlijk in werkelijkheid geconsumeerd.  Het antwoord?  Alleen.  Dat leert ons niet alleen dat het verband tussen porno en seksuele contacten dubieus is, maar ook dat het niet zozeer de meisjes zijn die tot 'object' worden gedegradeerd.

Porno leidt bovenal tot zelfbevrediging, hoor

Critici van de seksualisering zien niet hoe pornografie in de praktijk geconsumeerd wordt

Door Rob Wijnberg

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis. Vandaag: de relatie tussen beeldcultuur en seks.

Jongeren moeten op school „weerbaarder” gemaakt worden tegen de overdaad aan „seksueel getinte beelden in de media”. Dat schreef minister Plasterk (Onderwijs, PvdA) vorige week in een brief aan de Tweede Kamer naar aanleiding van twee onderzoeken naar de ‘seksualisering van de samenleving’ en de invloed daarvan op het zelfbeeld van jongeren. Uit die onderzoeken is gebleken dat het merendeel van de middelbare scholieren een normale seksuele ontwikkeling heeft, maar ook dat een kleine groep problemen ondervindt met groepsdruk en het stellen van grenzen.

Plasterk maakt zich vooral zorgen om de dubbele moraal die onder jongeren heerst: een jongen met meerdere sekspartners is ‘stoer’, terwijl een meisje al snel wordt uitgemaakt voor ‘hoer’. Dit „aloude stereotype”, dat vaak wordt bevestigd in de videoclips van populaire muziekzenders, moet worden doorbroken door in de les meer aandacht te hebben voor „mediawijsheid”, aldus de minister.

De discussie over de seksualisering en het effect daarvan op jongeren zet zich hiermee min of meer op dezelfde voet voort. Al eerder toonde minister Rouvoet (Jeugd en Gezin, ChristenUnie) zich bezorgd over de „losgeslagen seksmoraal onder de jeugd” en waren er diverse pleidooien voor meer seks- en medialessen op school. Ook zijn er talloze initiatieven geweest – van de SlowSex-beweging tot het EO-programma 40 dagen zonder seks – om seksualiteit te ontdoen van haar ‘consumptieve’ karakter en weer te verbinden met liefde en intimiteit.

De meeste kritieken, vooral uit feministische hoek, richten hun pijlen daarbij hoofdzakelijk op de vermeende effecten van de seksualisering op de verhouding tussen jongens en meisjes onderling: ze zou aanzetten tot seks op (te) vroege leeftijd en zelfs leiden tot excessen. Een eveneens veelgehoorde kritiek is dat de overdaad aan pornografische beelden leidt tot de objectivering van meisjes: zij worden, net als in pornofilms en videoclips, gezien als lustobjecten waar de jongens hun driften op mogen botvieren.

Nu is er al door verschillende critici op gewezen dat een waterdicht verband tussen de beeldcultuur en het gedrag van mensen niet te leggen is. Sommige onderzoekers suggereren zelfs dat de overdaad aan seks in de publieke ruimte juist een lager libido tot gevolg heeft, omdat mensen onbewust worden aangezet het seksuele verlangen – naar de ‘perfecte’ vrouwen in reclames bijvoorbeeld – te vervangen door een verlangen naar het product dat ermee wordt aangeprijsd. Consumeren wordt daarmee dus een substituut voor seks.

Maar stel dat er wél een positief verband bestaat tussen de beeldcultuur en de seksuele behoeften van mensen, dan nog blijft het de vraag of dat ook automatisch tot meer seksuele contacten leidt. Want, zegt de Amerikaanse mediafilosoof Greg Tuck, de vraag die in de meeste onderzoeken en discussies over seksualisering niet gesteld wordt, is: hoe wordt pornografisch materiaal doorgaans eigenlijk geconsumeerd? Het antwoord daarop is veelzeggend, namelijk: alleen.

In zijn essay The Mainstreaming of Masturbation: Autoeroticism and Consumer Capitalism (2005) constateert Tuck dan ook dat het enige verband dat met redelijke zekerheid kan worden gelegd tussen pornografie en gedrag, is dat het leidt tot meer zelfbevrediging. „In tegenstelling tot de gangbare veronderstelling van de antiporno-bewegingen dat ‘pornografie de theorie is en verkrachting de praktijk’, moet worden vastgesteld dat de praktijk die veruit het meest wordt aangemoedigd en opgewekt door pornografische materiaal masturbatie is”.

Grootschalige peilingen over het seksleven van mensen bevestigen dit: nagenoeg 100 procent van alle mannen en ruim 82 procent van alle vrouwen zegt wel eens te masturberen. Ter vergelijking: in de jaren veertig en vijftig was dit nog maar 90 respectievelijk 62 procent. Onderzoeken naar de ‘pornoficatie van de samenleving’ lijken dit gegeven echter volledig over het hoofd te zien, zegt Tuck: „Nagenoeg alle effectenonderzoeken gaan voorbij aan het fundamentele feit dat zelfbevrediging hetgeen is wat alle pornogebruikers verbindt.”

Dat de aandacht voor dit aspect van onze seksualiteit zo minimaal is, wijt Tuck aan het enorme taboe dat al eeuwen lang – en nog steeds – op masturbatie rust. Door de opkomst van het christendom kwam zelfbevrediging te boek te staan als een ‘immorele’ vorm van seks, omdat het geen reproductieve functie had. En tijdens de Verlichting, eind 18de eeuw, ontstond zelfs een ware „antimasturbatiehysterie”, zegt Tuck.

Zo was Verlichtingsdenker Immanuel Kant (1724-1804) van mening dat een mens „zijn persoonlijkheid verliest” en „zichzelf iedere vorm van zelfrespect ontzegt” als hij zijn eigen lichaam „slechts als middel gebruikt om een dierlijke behoefte te bevredigen”. Het gevoel van schaamte dat op deze manier geassocieerd raakte met masturbatie, is ook heden ten dage nog sterk aanwezig: vooral jongens beschouwen zelfbevrediging als een meelijwekkende bezigheid. Niet voor niets gebruiken zij het woord ‘rukker’ als synoniem voor ‘zielig figuur’.

Hiermee kunnen we, via een omweg, een vraagteken stellen bij die andere veelgehoorde kritiek op de seksualisering: de vermeende objectiverende werking ervan. De meeste critici gaan er namelijk blind vanuit dat alleen meisjes ‘slachtoffer’ van die objectivering zijn: zij worden immers in het meeste pornografisch materiaal gereduceerd tot lustobject. Maar, zegt Tuck, die objectivering geldt op een andere manier evenzeer – of misschien zelfs wel meer – voor jongens: ook zij worden door pornografie gereduceerd tot ‘hun lichaam’ en aangezet om aan directe behoeftebevrediging te doen. Gecombineerd met het grote taboe op masturbatie, zou dat kunnen verklaren waarom onder jongens de opvatting heerst dat het hebben van veel seksuele contacten ‘stoer’ is: toegeven dat je zélf je behoeften bevredigt is not done.

Deze constatering wordt nog begrijpelijker wanneer we nader hebben gespecificeerd wat er met ‘objectiveren’ wordt bedoeld. De Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum (1947) hanteert daarvoor de meest heldere definitie. Zij verstaat onder objectiveren kortweg „het ontkennen van iemands autonomie”. Die ontkenning kent meerdere uitingsvormen, zegt Nussbaum, waaronder het „irrelevant maken van persoonlijke gevoelens” en het behandelen van iemand als een „extern bepaald in plaats van zelfbepalend individu”.

Nussbaums definitie van objectiveren laat zien dat het, ironisch genoeg, meestal juist de jongens zijn die in onze maatschappij worden geobjectiveerd: als jongens seks willen, wordt dat immers als een natuurlijk gegeven gezien in plaats van een autonome beslissing. ‘Zo zijn jongens nu eenmaal’ wordt dan vaak gezegd – niet in de laatste plaats door de meisjes zelf, zo blijkt uit het onderzoek.
Meisjes worden daarentegen wél beschouwd als autonome individuen: het is immers aan hen om aan te geven om ze wel of geen seks willen hebben.De dubbele moraal jegens meisjes is hier dus het logische gevolg van: als een meisje geen grenzen stelt aan de behoeften die de jongen etaleert – en dus niet handelt als een autonoom individu – wordt haar dat onmiddellijk verweten. De jongen treft verder geen blaam: hij wordt ‘extern’ bepaald door zijn driften.

Scholen zouden er dus verstandig aan doen om, in hun poging om jongeren weerbaarder te maken tegen de seksualisering, hun lessen niet zozeer te richten op de objectivering van meisjes tot seksspeeltjes, zoals dat in pornografie het geval is, maar vooral ook aandacht te besteden aan de manier waarop jongens door die beeldcultuur gereduceerd worden tot hun seksuele driften.
Het bespreekbaar maken van masturbatie zou daar volgens Greg Tuck ook een positieve bijdrage aan kunnen leveren: het zou ons namelijk in staat stellen „zelfbevrediging te zien als een normaal onderdeel van een rijk seksleven in plaats van een activiteit die slechts afleidt van daadwerkelijke geslachtsgemeenschap”. Of anders gezegd, het zou jongens kunnen aanmoedigen om hun behoeftebevrediging niet alleen op meisjes af te wentelen en hun ‘mannelijkheid’ niet uitsluitend te definiëren in termen van hoeveel bedpartners ze hebben gehad.

Aan minister Plasterk rest dan nog de vraag of hij mans genoeg is dit aloude taboe zelf ook te doorbreken.

Verschenen in nrc.next op 22 april 2009.



Auteur: Rob Wijnberg
Datum: 24 april 2009


Reacties

Er heeft nog niemand gereageerd op deze pagina.

RSS feed van de reacties op deze pagina | RSS-feed voor alle reacties

Plaats uw reactie