bezige bij nrc.next
Bestel het boek Dus ik ben. Bestel het boek Nietzsche en Kant lezen de krant. Bestel het boek In dubio Bestel het boek Boeiuh

Over In Dubio


Indrukwekkend en verhelderend boek dat gelezen zou moeten worden door iedereen die meent te weten wat wel en wat niet gezegd mag worden.

NRC Handelsblad

Absoluut het beste wat ik over het onderwerp vrijheid van meningsuiting heb gelezen.

Theodor Holman, De Groene Amsterdammer

Dit boek komt net op tijd. Een overtuigend antwoord op de vijanden van de vrije meningsuiting en de open samenleving.

Dirk Verhofstadt, Liberales


Over Boeiuh


Wijnberg blinkt uit in sociologische en filosofische duidingen van alledaagse fenomenen

De Volkskrant

Wijnberg schetst een niet onaangenaam vooruitzicht, zelf voor journalisten

Brabants Dagblad

Intrigerend essay over de mini-problemen van de huidige jeugd

NRC Handelsblad

Applaus voor Rob Wijnberg. Iedereen zou dit boek moeten lezen om te weten waarom jongeren zijn zoals ze zijn

Limburgs Dagblad

09 april 2009
Door: Rob Wijnberg

Essay Zin 66 Het einde van de fantoomeconomie

Zijn wij, nu westerse economieen op het randje van de afgrond balanceren, getuige van het einde van het kapitalisme? Die vraag wordt met enige regelmaat opgeworpen in de pers. Wie kijkt naar de mega-reddingsplannen van alle overheden, zou haast denken van wel. Maar volgens de filosoof Naom Chomsky heeft het kapitalisme nooit echt bestaan. Ons systeem lijkt namelijk in de verste verte niet op de vrije markt economie die grondlegger Adam Smith voor ogen had. Wat nu ingestort is, is eerder een fantoomeconomie.

Het grote probleem is: de fantoomeconomie

Zien wij het einde van het kapitalisme naderen of is er iets anders aan de hand?

Door Rob Wijnberg

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis. Vandaag: welke gevolgen heeft de crisis voor het kapitalisme?

Nu een groot deel van de Amerikaanse auto-industrie op instorten staat, het vertrouwen tussen banken nog altijd niet is hersteld en regeringen van over de hele wereld opnieuw miljarden moeten pompen in een haperende economie, rijst de vraag: zijn wij hier getuige van het einde van het kapitalisme? Het VPRO-programma Tegenlicht vroeg onlangs aan deskundigen wat het beste economische systeem voor de toekomst zou zijn; de meeste zagen nog altijd het meeste heil in een licht aangepaste variant van het huidige Amerikaanse model.

Maar veel commentatoren zijn minder optimistisch, getuige de stroom aan boeken met titels als Beyond Capitalism en Life After Capitalism. Het linkse weekblad De Groene Amsterdammer ziet in de huidige crisis zelfs het einde van de politieke stroming die jarenlang de grootste pleitbezorger was van de vrije markt economie: ‘Het neoliberalisme is failliet’ kopte het blad vorige week op zijn voorpagina.

Bewijst de crisis inderdaad het failliet van het kapitalisme? Wie bekend is met de filosofie van de Amerikaanse denker Noam Chomsky (1928) zou die vraag waarschijnlijk hebben beantwoord met nee. Dat wil zeggen, het einde van het kapitalisme is niet in zicht, omdat het kapitalisme zoals dat door grondlegger Adam Smith (1723-1790) ooit bedoeld was, nooit werkelijk bestaan heeft, aldus Chomsky.

Volgens de filosoof is het systeem dat de critici nu failliet verklaren namelijk geen werkelijk kapitalisme, maar slechts een „geperverteerde” en „tirannieke” versie van de vrijemarkteconomie die Smith in zijn werk The Wealth of Nations (1776) beschrijft. Het belangrijkste doel van Smiths kapitalisme was immers het creëren van gelijkheid. Door middel van een vrije markt, waarin niet de staat maar privépersonen eigenaar waren van de productiemiddelen, kon de tot dan toe bestaande economische hiërarchie worden doorbroken, dacht Smith. „Volledige vrijheid zal leiden tot volledige gelijkheid”, tekende hij dan ook hoopvol op in zijn boek.

Daarvan is in de praktijk echter helemaal niets terechtgekomen, constateert Chomsky. De productiemiddelen kwamen weliswaar in handen van privépersonen, maar het kapitaal dat ermee werd gegenereerd, werd vaak niet opnieuw geïnvesteerd in de economie, zoals Smith voor ogen had. De winsten hoopten zich op – waardoor grootschalige corporaties ontstonden – en belandden uiteindelijk voornamelijk in de zakken van grootaandeelhouders. Tegelijkertijd veranderde ook het wettelijke systeem ingrijpend: bedrijven kregen rechten alsof het personen waren, maar konden vanwege hun omvang nooit hoofdelijk verantwoordelijk worden gehouden voor hun daden.

Bovendien konden bedrijven niet gedwongen worden om te investeren en te innoveren – het was immers een ‘vrije markt’. Daardoor moesten de meeste innovaties door overheden worden gefinancierd: computers, het internet, duurzame energiebronnen en de meeste nieuwe medicijnen zijn geen van alle producten van het bedrijfsleven zelf, maar het gevolg van overheidsprojecten. Het systeem dat wij kapitalisme noemen, noemt Chomsky dan ook liever „staatscorporatisme” – een systeem waarin grote bedrijven de winst opstrijken van innovaties geïnitieerd door de overheid en vervolgens in de vorm van megasalarissen en bonussen onderverdelen onder hun topmanagers en grootaandeelhouders.

Die verrijking van de elite wordt ondertussen verdedigd door te verwijzen naar de vrije markt: de salarissen en bonussen zouden ‘marktconform’ zijn, zegt men dan. Volgens Chomsky heeft dit slinkse misbruik van Adam Smiths ideeën tot desastreuze resultaten geleid: in Amerika bezit de rijkste 1 procent van de bevolking nu evenveel kapitaal als de armste 90 procent – en hetzelfde geldt bovendien voor de wereld als geheel.

Nu zullen critici zeggen: deze scheefgroei in welvaart is wel degelijk te wijten aan het kapitalisme van Smith. De grote veronderstelling achter zijn filosofie was immers: ‘Private vices yield public benefits’. Oftewel: persoonlijke zonden produceren gemeenschappelijke voordelen. Als iedereen zijn eigenbelang zou nastreven, door zelf zoveel mogelijk geld te willen verdienen, zou dat uiteindelijk de samenleving als geheel ten goede komen. Smiths vrijemarkteconomie is dus in zijn diepste fundament gebaseerd op egoïsme en dat wreekt zich nu.

Maar ook dat verwijt doet het systeem van Smith tekort, zegt de Amerikaanse filosoof David Korten (1937), die het boek Agenda For A New Economy (2009) schreef. Smith was namelijk alles behalve naïef: hij wist ook wel dat een volledig vrije markt met zelfverrijking als leidraad verkeerd zou aflopen. Daarom, zegt Korten, stelde Smith talloze regels op waarmee de vrije markt in toom moest worden gehouden.

De drie belangrijkste regels zijn in onze economie echter volledig uit het oog verloren, zegt Korten. Ten eerste stelde Smith dat kopers en verkopers nooit zo groot mochten worden dat ze invloed konden uitoefenen op de prijzen van producten. Maar het huidige kapitalisme wordt juist gedomineerd door grote ondernemingen die onderling aan kartelvorming en prijsafspraken doen, daarbij vaak gesteund door regelgeving van de overheid. Ten tweede benadrukte Smith het belang van volledige transparantie en informatie in de vrije markt, iets wat haaks staat op de hedendaagse praktijk van bankgeheimen, misleidende reclames en ondoorzichtige jaarverslagen.

Tot slot veronderstelde Smith dat winsten zouden worden geïnvesteerd in het aanwenden van nieuwe productiemiddelen om aan de behoeften van alle mensen te kunnen voldoen. Ook daar komt weinig van terecht, zegt Korten: geld wordt nu vooral aangewend om meer geld te verdienen, „zonder dat daar enige waardevolle productie tegenover staat”.

Dat laatste is volgens Korten het grote probleem waar wij nu mee kampen. Niet de productieve economie als zodanig, maar een „fantoomeconomie” is ingestort, zegt hij. Met die fantoomeconomie bedoelt Korten de financiële instellingen op Wall Street: banken en verzekeringmaatschappijen verdienden miljarden dollars door het verkopen van financiële producten, het toepassen van boekhoudkundige trucs en het simpelweg uitlenen van geld dat in werkelijkheid niet bestond – zonder zélf iets te produceren. De waarde van deze producten en leningen werden uitsluitend bepaald door speculaties (op bijvoorbeeld huizenprijzen) en vertegenwoordigden dus geen werkelijke waarde.

Anders gezegd, op Wall Street werd „geld verdiend met geld” door een „fictieve claim te leggen op de reële productie van anderen”, aldus Korten. Deze fictieve economie, die wij ‘financiële sector’ noemen, heeft weinig te maken met het kapitalisme dat Smith voor ogen had: de filosoof waarschuwde zelfs expliciet voor het gevaar van de loskoppeling tussen het eigendom van de productiemiddelen en het kapitaal dat ermee gegenereerd wordt. Wie namelijk geld kan verdienen zonder daadwerkelijk eigenaar te zijn van de productiemiddelen, zal „de werkelijke productie van goederen al snel verwaarlozen”, aldus Smith.

Aan de economische crisis die de wereld nu treft, ligt volgens Korten dan ook één fundamentele misinterpretatie van Smiths kapitalisme ten grondslag, namelijk „de gedachte dat geld hetzelfde is als welvaart”. We hebben de afgelopen twintig jaar de beurzen zien stijgen en ons kapitaal zien groeien, waardoor we ten onrechte dachten dat we ook echt rijker werden. Of, zoals Korten zegt: „We veronderstelden dat onze economische productiviteit kon worden afgemeten aan de totale hoeveelheid geld in plaats van aan de werkelijke bijdrage aan ons welzijn op de lange termijn.” Nu dat geld in de financiële sector fictief blijkt te zijn – ze bestond eigenlijk alleen maar op de balansen van banken – is een groot deel van onze veronderstelde ‘welvaart’ verdampt.

De grote ironie die Korten ontwaart, is dat overheden dit probleem nu proberen te verhelpen door het probleem alleen maar groter te maken: ze investeren namelijk miljarden ‘fictieve’ – dat wil zeggen: uit het niets gecreëerde – dollars om de financiële sector overeind te houden, zodat de rest van de economie niet eveneens ten onder gaat. Dat is goed bedoeld, en misschien zelfs noodzakelijk, maar die miljarden bestaan ondertussen wel uit geleend geld. Daardoor wordt de ‘fantoomeconomie’ dus in feite alleen maar groter gemaakt.
Het probleem wordt dan ook niet opgelost, maar slechts vooruitgeschoven, zegt Korten. Want uiteindelijk zullen die kapitaalinjecties met een werkelijke productie van waardevolle spullen en diensten moeten worden terugverdiend. Dat betekent: de gewone winkeliers en arbeiders, die samen de reële economie vormen, zullen uiteindelijk de rekening moeten gaan betalen.
Het is, kortom, precies zoals de Amerikaanse politicus Ralph Nader ooit antwoordde op de vraag waarom het kapitalisme tot nu toe iedere crisis weer te boven is gekomen:

„Omdat het socialisme haar altijd komt redden.”

Verschenen in nrc.next op 8 april 2009.



Auteur: Rob Wijnberg
Datum: 09 april 2009


Reacties

  • Prachtig geschreven Rob!

    door Filo
    18/10/2011 om 22:12
    (4 maanden geleden)

RSS feed van de reacties op deze pagina | RSS-feed voor alle reacties

Plaats uw reactie