bezige bij nrc.next
Bestel het boek Dus ik ben. Bestel het boek Nietzsche en Kant lezen de krant. Bestel het boek In dubio Bestel het boek Boeiuh

Over In Dubio


Indrukwekkend en verhelderend boek dat gelezen zou moeten worden door iedereen die meent te weten wat wel en wat niet gezegd mag worden.

NRC Handelsblad

Absoluut het beste wat ik over het onderwerp vrijheid van meningsuiting heb gelezen.

Theodor Holman, De Groene Amsterdammer

Dit boek komt net op tijd. Een overtuigend antwoord op de vijanden van de vrije meningsuiting en de open samenleving.

Dirk Verhofstadt, Liberales


Over Boeiuh


Wijnberg blinkt uit in sociologische en filosofische duidingen van alledaagse fenomenen

De Volkskrant

Wijnberg schetst een niet onaangenaam vooruitzicht, zelf voor journalisten

Brabants Dagblad

Intrigerend essay over de mini-problemen van de huidige jeugd

NRC Handelsblad

Applaus voor Rob Wijnberg. Iedereen zou dit boek moeten lezen om te weten waarom jongeren zijn zoals ze zijn

Limburgs Dagblad

05 april 2009
Door: Rob Wijnberg

Essay Zin 65 De betekenis van excuses

Afgelopen maand vlogen de excuses ons om de oren: er was het mea culpa van bankdirecteur Floris Deckers en de Twitter-sorry van Tweede Kamerlid Arend Jan Boekestijn. Wat betekenen deze spijtbetuigingen eigenlijk? Vroeger stond het Griekse woord apologia juist voor het omgekeerde van excuus: het was juist een rechtvaardiging of verdediging van iemands daden. Nu, ruim tweeduizend jaar later, blijkt die betekenis nog niet verloren te zijn gegaan.

Excuus is ook een ander woord voor smoesje

In een tijd van geïndividualiseerde moraal betekent ‘sorry’ vaak niet meer dan ‘dat was niet de bedoeling’

Door Rob Wijnberg

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis. Vandaag: de betekenis en waarde van spijtbetuigingen.

De maand maart gaat ongetwijfeld de geschiedenisboeken in als de maand van de excuses. Allereerst was er het verrassende mea culpa van topbankier Floris Deckers voor zijn rol in het ontstaan van de economische crisis. Eurocommissaris Neelie Kroes volgde niet veel later in zijn voetsporen: „We zijn allemaal schuldig: de banken, de toezichthouders, de commissarissen. We hebben allemaal zitten slapen”, gaf Kroes toe. En ook de Amerikaanse president Barack Obama moest afgelopen maand door het stof. In een gesprek met talkshowhost Jay Leno vergeleek de president zijn eigen bowlingtalent met de „Special Olympics” – een grap die in het verkeerde keelgat schoot bij een aantal gehandicapte sporters.

Eveneens opvallend waren de excuses van VVD’er Arend Jan Boekestijn, die in een twittergesprek over het aantal slachtoffers van de Chinese dictator Mao opmerkte dat hij wel eens „een spleetoog over het hoofd zag”. Boekestijn zei zijn opmerking over de Chinezen „te betreuren”. In een andere categorie, maar eveneens opmerkelijk, waren de excuses van de Oostenrijker Josef Fritzl, die na maanden van stilzwijgen over de opsluiting en verkrachting van zijn dochter alsnog het boetekleed aantrok. Alleen de Amsterdamse burgemeester Job Cohen hoort niet in het rijtje thuis: voor de arrestatie van een Marokkaanse familie, die ten onrechte van terroristische plannen werd verdacht, bood hij niet zijn excuses aan, terwijl daar door de Nationale Ombudsman en diverse media wel op was aangedrongen.

Deze spijtbetuigingen baren vooral opzien, omdat publiekelijk excuses aanbieden in de westerse cultuur niet erg gebruikelijk is. Politici, bestuurders en andere prominenten uit het nieuws zeggen zelden ‘sorry’ voor de fouten die ze hebben begaan. Waarschijnlijk speelt de angst om juridisch aansprakelijk te worden gesteld, of om plotseling álle blaam in de schoenen geschoven te krijgen daarbij een rol. Dat geldt zeker voor fouten die onder een collectieve verantwoordelijkheid vallen, zoals de economische crisis. Het is moeilijk om de schuld daarvoor bij een individuele bankier te leggen – des te uitzonderlijker dus dat Deckers zijn excuses toch aanbood. Minister Bos (Financiën, PvdA) complimenteerde hem er dan ook onmiddellijk voor.

Niettemin waren de meeste reacties op de spijtbetuigingen veel wantrouwender van aard. Zo noemde prof. Willem van der Does van de Universiteit Leiden het mea culpa van Deckers, dat op de opiniepagina van NRC Handelsblad werd gepubliceerd, niets meer dan „een gratis advertentie voor Van Lanschot Bankiers”. Ook Thijs Jansen van de Stichting Beroepseer stelde er vraagtekens bij: hoeveel zijn excuses waard als er geen (materiële) genoegdoening op volgt, vroeg hij zich af. BN De Stem noemde de excuses van zowel Deckers als Kroes „gratuit”, omdat zij slechts een bijrol vervulden in de crisis. En dagblad De Pers noemde de spijtbetuiging van Tweede Kamerlid Boekestijn wel heel erg mager: „Iets betreuren is één van de zwakst mogelijke excuses”, aldus de krant.

Deze argwaan zou kunnen voortkomen uit het feit dat excuses een behoorlijk zeldzaam verschijnsel zijn: we geloven gewoon niet zo snel dat iemand oprecht spijt heeft. Maar de argwaan heeft waarschijnlijk ook te maken met de functie die excuses al van oudsher in de samenleving vervullen. Het Engelse woord apology stamt namelijk af van het Oudgriekse woord apologia, schrijft de Amerikaanse filosoof Nick Smith in zijn boek I Was Wrong – The Meanings of Apologies (2008). En dat woord had alles behalve de betekenis van het hedendaagse begrip ‘excuses’.

Integendeel: apologia was de Griekse juridische term voor ‘rechtvaardiging’ of ‘verweer’. Het werd gebruikt als men juist géén schuld wilde bekennen of spijt wilde betuigen. Het beroemde geschift Apologia van Plato (427-347 v. Chr.) was er dan ook op gericht zijn leermeester Socrates (469-399 v. Chr.) van allerlei beschuldigingen te zuiveren; het was een verdediging, geen excuusbrief. De moderne betekenis van apology is pas terug te vinden in de zestiende eeuwse verhalen van William Shakespeare, zegt Smith. Daar wordt voor het eerst gesproken over apologies als uitingen van spijt.

De historische betekenis van apology als een ‘rechtvaardiging’ is volgens Smith nog steeds terug te zien in hoe excuses worden aangeboden. De bedoeling is meestal niet om echt spijt te betuigen en verantwoordelijkheid te nemen voor bepaalde fouten, maar eerder om de eigen naam te zuiveren en de schuld te ontlopen. Of, simpeler gezegd: ‘sorry’ betekent doorgaans niet ‘dat had ik niet moeten doen’ of ‘dat neem ik terug’, maar eerder: ‘ik kon er niks aan doen’ of ‘ik bedoelde het niet zo’. Niet voor niets heeft het woord excuus in het Nederlands ook de betekenis van ‘smoesje’: met een spijtbetuiging hoopt men aan de blaam te ontkomen. Die praktijk vindt men van oudsher ook terug in de christelijke biecht: de bedoeling daarvan was om door God te worden vergeven, niet om verantwoordelijkheid voor de opgebiechte fouten te nemen.

Of een spijtbetuiging oprecht en authentiek is, kan volgens Smith dan ook moeilijk worden bepaald; de werkelijke intentie houdt zich immers op in de geest. Niettemin onderscheidt Smith wel zes criteria aan de hand waarvan een goede spijtbetuiging zou kunnen worden beoordeeld. Volgens Smith bevat een authentiek excuus in ieder geval een feitelijke opsomming van de fouten die zijn begaan; accepteert de schuldige volledige verantwoordelijkheid voor die fouten; onderschrijft hij een gedeelde moraal waarmee zijn daden als ‘foutief’ kunnen worden bestempeld; erkent hij niet alleen zichzelf maar ook de slachtoffers als autonome individuen; uit hij zijn spijt voor het leed dat hen is aangedaan en, last but not least, belooft hij verbetering in de toekomst.

De meeste excuses, zegt Smith, voldoen niet aan deze criteria. Vaak betreuren mensen de onbedoelde gevolgen van hun daden, en ontkennen ze dus volledig verantwoordelijk te zijn. Ook vergeet men doorgaans de belofte te doen om het leven te beteren; het blijft meestal bij spijt over wat al is gebeurd. Maar het criterium dat vooral heden ten dage het vaakst achterwege blijft, is de onderkenning van een gedeelde moraal op grond waarvan iemands daden als ‘foutief’ kunnen worden bestempeld.

Zo keerde minister Piet Hein Donner (Sociale Zaken, CDA) zich onlangs, na een avond onderhandelen over het crisisakkoord, publiekelijk tegen extra investeringen, waarmee hij coalitiepartner PvdA op de kast joeg. Hij verexcuseerde zich later voor de camera met de woorden: „Als dat kwetsend was, dan spijt me het oprecht.” Het woordje ‘als’ verraadt het gebrek aan gedeelde moraal: Donner vond het, anders dan de PvdA, zélf niet kwetsend, impliceerde hij ermee. En ook Boekestijn leek er een andere moraal op na te houden dan de Chinezen die hij met zijn kwalificatie ‘spleetoog’ had beledigd, toen hij zei: „Ik had niet de bedoeling iemand te kwetsen.” Dat suggereert dat het niet aan zijn taalgebruik, maar aan de moraal van de ander ligt dat er van kwetsing sprake was.

Dit gebrek aan gedeelde moraal is volgens Smith een van de hoofdoorzaken dat wij in het Westen grote moeite hebben met het aanbieden van onze excuses. Door de individualisering, secularisering – en in Nederland: ontzuiling – heeft ieder mens een persoonlijk idee over ‘goed’ en ‘fout’ gekregen. Of iets beledigend of anderszins nadelig is voor iemand anders, is daarmee veel meer een kwestie van interpretatie geworden. En de neiging is nu eenmaal sterk om de eigen interpretatie voor de juiste aan te zien; waarom dan spijt betuigen voor iets wat ‘goed bedoeld’ was?
Het beste voorbeeld hiervan is natuurlijk de kwestie rondom burgemeester Cohen: hij vond niet dat de politie in Amsterdam, met alle aanwijzingen die ze had, foutief gehandeld had en zag dus geen reden om zijn excuses aan te bieden – ook al zagen de slachtoffers dat anders.

In landen waar een collectivistische in plaats van individualistische moraal dominanter is, zoals in Azië en het Midden-Oosten, zijn excuses dan ook meer gemeengoed, constateert Smith. Uit onderzoek blijkt dat met name Japanners sneller (oprecht) sorry zeggen dan wij. Dat is iets waar wij een voorbeeld aan kunnen nemen. Want, zo stelt Smith, van excuses kan een enorme kracht uitgaan: „Spijtbetuigingen hebben het vermogen om gebroken relaties te lijmen en zelfs oorlogen af te wenden.”

Misschien is, in tijden van economische malaise, elkaar excuses aanbieden dan ook zo gek nog niet. De financiële crisis bestaat immers grotendeels bij gratie van een gebrek aan onderling vertrouwen tussen banken, consumenten en politici. En wat is een betere manier om dat vertrouwen te herwinnen dan met de woorden ‘het spijt me’? Als ze gemeend zijn, tenminste.

Verschenen in nrc.next op 1 april 2009.



Auteur: Rob Wijnberg
Datum: 05 april 2009


Reacties

Er heeft nog niemand gereageerd op deze pagina.

RSS feed van de reacties op deze pagina | RSS-feed voor alle reacties

Plaats uw reactie