Over In Dubio
Indrukwekkend en verhelderend boek dat gelezen zou moeten worden door iedereen die meent te weten wat wel en wat niet gezegd mag worden.
NRC Handelsblad
Absoluut het beste wat ik over het onderwerp vrijheid van meningsuiting heb gelezen.
Theodor Holman, De Groene Amsterdammer
Dit boek komt net op tijd. Een overtuigend antwoord op de vijanden van de vrije meningsuiting en de open samenleving.
Dirk Verhofstadt, Liberales
Over Boeiuh
Wijnberg blinkt uit in sociologische en filosofische duidingen van alledaagse fenomenen
De Volkskrant
Wijnberg schetst een niet onaangenaam vooruitzicht, zelf voor journalisten
Brabants Dagblad
Intrigerend essay over de mini-problemen van de huidige jeugd
NRC Handelsblad
Applaus voor Rob Wijnberg. Iedereen zou dit boek moeten lezen om te weten waarom jongeren zijn zoals ze zijn
Limburgs Dagblad
Door: Rob Wijnberg
Essay Zin 64 Wat is het doel van onderwijs?
Afgelopen maandag zond Tegenlicht een documentaire uit, waarin ik met drie onderwijsdeskundigen en een aantal van mijn oude docenten sprak over het onderwijs. De belangrijkste vraag was daarbij steeds: wat is eigenlijk het doel van onderwijs? De Amerikaanse filosoof Richard Rorty schreef ooit een overzichtelijk essay, waarin hij uiteenzet dat de antwoorden op die vraag meestal in twee categoerieen uiteenvallen: of de school moet kinderen socialiseren, of de school moet kinderen individualiseren. Wat het juiste antwoord is, hangt af van een filosofische aanname: moet onderwijs gefundeerd zijn op waarheid of op vrijheid?
Wat is eigenlijk het belangrijkste doel van onderwijs?
De waarheid overdragen, zeggen veel conservatieven. Maar progressieven geven vrijheid meer prioriteit
Door Rob Wijnberg
Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis. Vandaag: moet de school een kind socialiseren of juist niet?
Het onderwijs in Nederland is al ruim een jaar onafgebroken onderwerp van discussie en zware kritiek. Sinds het vernietigende rapport van de commissie-Dijsselbloem uit 2008 is bijna iedereen het erover eens dat de Tweede Fase en het Studiehuis hun failliet wel hebben bewezen. Door de nadruk op zelfstandig leren en competentiegericht onderwijs liepen leerlingen grote tekorten op in hun basiskennis van rekenen, taal en geschiedenis, luidde de nagenoeg unanieme conclusie.
Vorige week nog signaleerde de nieuwe hoogleraar watermanagement Ruud Schotting in zijn inaugurele rede dat zich „een rekenramp” heeft voltrokken op middelbare scholen: „Eerstejaarsstudenten missen de meest elementaire wiskundige kennis”, zei Schotting. Er gaat tegenwoordig dan ook bijna geen dag voorbij of een politieke partij lanceert een nieuw plan om het onderwijs weer op het juiste te spoor te brengen – variërend van meer salaris voor de leraren tot historische canons, nieuwe rekenmethoden en open source-schoolboeken.
De onderwijsdiscussie sleept zich nu al zo lang voort en kent inmiddels zo veel verschillende geluiden, dat het soms moeilijk is nog een rode draad te ontwaren. Het is daarom handig om enige filosofische helderheid te scheppen door de meest elementaire vraag te stellen die eigenlijk aan de hele kwestie ten grondslag ligt: wat is het belangrijkste doel van het onderwijs?
Op die vraag zijn natuurlijk duizend verschillende antwoorden te geven, maar de Amerikaanse filosoof Richard Rorty (1931-2007) stelt in zijn essay Education as Socialization and as Individualization (1989) niettemin dat het onderwijsdebat als geheel meestal in twee hoofdstromingen valt onder te verdelen. Ook in Nederland bepalen die twee stromingen het debat.
Aan de ene kant is er de conservatieve stroming, die stelt dat het primaire doel van onderwijs de socialisering van kinderen is. Zij zien de school voornamelijk als een ‘opvoeder’, die de leerlingen een vast pakket aan wetenschappelijke kennis en vaardigheden, sociale normen en waarden en een zekere burgerzin moet bijbrengen, zodat ze later als verantwoordelijke burgers aan de maatschappij kunnen deelnemen.
De tradities en ontwikkelingen die onze samenleving hebben gevormd tot wat ze nu is, moeten volgens conservatieven dan ook niet doorbroken worden, maar door de school juist aan de jongere generaties worden overgedragen. Ze pleiten daarom vaak voor een vast curriculum, bijvoorbeeld in de vorm van canons, en geven de voorkeur aan een systeem waar de leraar voor de klas staat en aan de leerling vertelt wat hij moet weten.
Aan de andere kant is er de progressieve stroming, die stelt dat het primaire doel van onderwijs de individualisering van kinderen is. Zij zien de school meer als een ‘begeleider’, die de leerlingen verschillende middelen aanreikt op zich te kunnen ontplooien tot de persoon die ze van nature het liefste zouden zijn.
Tradities en ontwikkelingen die onze samenleving hebben gevormd, zijn voor progressieven van minder belang: belangrijker is de ontwikkeling van een kritisch vermogen die leerlingen in staat stelt hun toekomst – en die van de maatschappij – zélf vorm te geven en misschien zelfs radicaal te veranderen. Ze pleiten daarom vaak voor een flexibel curriculum en de implementatie van nieuwe technologieën en geven de voorkeur aan een systeem waar de leraar als coach tussen de leerlingen staat.
Nu is de scheiding die Rorty hier hanteert natuurlijk te strikt; in de praktijk is er veel overlap tussen deze stromingen. Zo onderschrijven de meeste progressieven, in Nederland vooral te vinden bij GroenLinks, D66 en de PvdA, het belang van een aantal basisvakken en hechten zij ook waarde aan burgerzin. En de meeste conservatieven, in Nederland vooral vertegenwoordigd bij het CDA, de ChristenUnie en de SP, vinden nieuwe technologieën en een kritische houding ook belangrijk.
Toch verschillen ze op een fundamenteler filosofisch niveau wel degelijk van mening over waar het doel van onderwijs precies op gefundeerd moet zijn, zegt Rorty. Kort samengevat komt dat verschil van mening hier op neer: conservatieven baseren hun onderwijstheorie op waarheid, terwijl progressieven hun onderwijsvisie grondvesten op vrijheid.
Conservatieven, stelt Rorty, denken namelijk vanuit de traditie van Plato (427-347 v. Chr.) en Aristoteles (384-322 v. Chr.): zij nemen aan dat de waarheid een gegeven is dat door de mens kan worden achterhaald met behulp van zijn denkvermogen. Onderwijs moet er daarom primair op gericht zijn de mens te socialiseren aan de hand van die gegeven waarheid, door hem bepaalde ‘zekere’ kennis en ‘vaststaande’ sociale normen over te dragen. Dat verklaart waarom ze voorstander zijn van canons en opvoedkundige leraren: door wetenschappelijke en morele waarheden tot zich te nemen, ontwikkelt de mens zich volgens de conservatieven namelijk tot zijn ware zelf – een goed opgevoed individu dat zich aangepast gedraagt aan de samenleving als geheel.
Progressieven, zegt Rorty, denken daarentegen vanuit de traditie van Socrates (469-399 v. Chr.) en Friedrich Nietzsche (1844-1900): zij nemen aan dat de waarheid een sociale constructie is die door het denkvermogen van de mens is gecreëerd. Onderwijs moet er volgens hen dus juist op gericht zijn de mens te individualiseren, door hem te bevrijden van die constructie. Niet zozeer het aanleren van bepaalde wetenschappelijke en morele normen is dus van belang, maar eerder het ontwikkelen van het kritische en creatieve vermogen om nieuwe normen te scheppen. Daarom zijn ze voorstander van open source-schoolboeken en coachende docenten: via die weg komt de mens volgens de progressieven namelijk tot zijn ware zelf – een kritisch individu dat zijn rol in de samenleving zelf kan bepalen.
Conservatieven en progressieven geven wat het onderwijs betreft dus een omgekeerde prioriteit aan waarheid en vrijheid, zegt Rorty. Voor progressieven komt waarheid voort uit vrijheid: ‘waar’ is wat iemand gelooft wanneer hij door zijn opleiding bevrijd is van de heersende consensus en zelf tot een oordeel is gekomen. Voor conservatieven is het juist andersom: voor hen komt vrijheid voort uit waarheid, omdat de mens pas vrij kan zijn als hij zich de gemeenschappelijke waarden eigen heeft gemaakt en daardoor kan functioneren in de samenleving.
Wat de conservatieven dus omschrijven als het „civiliseren van de jeugd”, beschouwen de progressieven juist als het „vervreemden van kinderen van zichzelf”, zegt Rorty. En andersom geldt: wat progressieven zien als het „bevrijden van kinderen van de heersende machten”, zien de conservatieven juist als kinderen „overlaten aan hun lot”.
Bijna alle meningsverschillen over wat, waarom en hoe kinderen moeten leren, komen dus neer op een verschil in opvatting over de prioriteit van waarheid en vrijheid. De grote vraag is natuurlijk wie het gelijk het meest aan zijn zijde heeft. Rorty zelf lijkt in eerste instantie geen keuze te willen maken. In beide visies schuilt een kern van waarheid, zegt hij: socialisering en individualisering zijn beide taken van het onderwijs.
Daarmee blijft de vraag open welke taak de overhand heeft. Een belangrijke vraag, want beide visies vertonen mankementen: ligt de nadruk te veel op individualisering, dan loopt men het risico een onzekere en zelfs asociale generatie jongvolwassenen te kweken; is de socialisering te sterk, dan is de kans op indoctrinatie met de toevallig heersende normen weer te groot.
Dit probleem doet zich volgens Rorty echter alleen voor wanneer onderwijsdeskundigen het onderwijs beschouwen als een „continu proces van je 5de tot je 22ste”. Dan zien zij namelijk over het hoofd dat het onderwijs eigenlijk uiteen zou moeten vallen in twee fases: socialisering op de basis- en middelbare school en individualisering op de hogeschool en universiteit.
Dat is een tamelijk elitair uitgangspunt. Het betekent namelijk dat de vorming tot een kritisch individu eigenlijk alleen is weggelegd voor degenen die doorstromen naar het hogere onderwijs; lageropgeleiden zullen dan voornamelijk sociaal geconditioneerd worden. Maar aan de andere kant is een opsplitsing in fases ook weer niet helemaal onlogisch: je moet immers wel bepaalde normen en waarden aangeleerd hebben waarover je later kritisch kunt nadenken. Of zoals Rorty zegt: „Socialisering gaat noodzakelijkerwijs vooraf aan individualisering.”
De conclusie die kan worden getrokken is dan ook dat de onderwijsdiscussie een vrij pragmatische uitweg kent: het onderwijsproces onderverdelen. In de eerste vijftien jaar van het onderwijs is het de taak van de docent om de vrijheid van de leerlingen te beperken door ze normen voor te spiegelen die hun eigen generatie voor waar houdt. En het is dan aan eindexamendocent en hoogleraar om hen er weer van af te helpen.
Verschenen in nrc.next op 25 maart 2009.
Auteur: Rob Wijnberg
Datum: 26 maart 2009
Reacties
-
Je kunt ook kiezen voor socaiseren en voor het ontwikkelen van het kritische en creatieve vermogen vanaf de kleuterschool. Ik vind dat de school in zijn beleid en de leerkracht tijdens zijn zijn lessen ruimte moeten maken / geven aan beide ontwikkeling. Huseyin
door
25/01/2012 om 10:15
(11 dagen geleden)
-
Mooi artikel, maar ik mis de vraag of onderwijs eigenlijk wel thuis hoort in de publieke sector
door Meneer Jan
08/08/2010 om 16:46
(1 jaar geleden)
RSS feed van de reacties op deze pagina | RSS-feed voor alle reacties
Plaats uw reactie
Rob Wijnberg (Winschoten, 1982) studeerde filosofie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij was opinieredacteur van nrc.next, de krant waarvoor hij nog steeds columns en essays schrijft. Hij publiceerde eerder Boeiuh!, een strijdbaar pamflet ter verdediging van zijn generatie, en In dubio, een prikkelend betoog over de vrijheid van meningsuiting.
...
> Lees verder

