bezige bij nrc.next
Bestel het boek Dus ik ben. Bestel het boek Nietzsche en Kant lezen de krant. Bestel het boek In dubio Bestel het boek Boeiuh

Over In Dubio


Indrukwekkend en verhelderend boek dat gelezen zou moeten worden door iedereen die meent te weten wat wel en wat niet gezegd mag worden.

NRC Handelsblad

Absoluut het beste wat ik over het onderwerp vrijheid van meningsuiting heb gelezen.

Theodor Holman, De Groene Amsterdammer

Dit boek komt net op tijd. Een overtuigend antwoord op de vijanden van de vrije meningsuiting en de open samenleving.

Dirk Verhofstadt, Liberales


Over Boeiuh


Wijnberg blinkt uit in sociologische en filosofische duidingen van alledaagse fenomenen

De Volkskrant

Wijnberg schetst een niet onaangenaam vooruitzicht, zelf voor journalisten

Brabants Dagblad

Intrigerend essay over de mini-problemen van de huidige jeugd

NRC Handelsblad

Applaus voor Rob Wijnberg. Iedereen zou dit boek moeten lezen om te weten waarom jongeren zijn zoals ze zijn

Limburgs Dagblad

18 maart 2009
Door: Rob Wijnberg

Essay Zin 63 Transhumanisten en de baby op maat

Een oneindige jeugd? Een eeuwig leven? Het verlangen naar het perfecte lichaam is al zo oud als de mens. Door de komst van de biotechnologie is die wens dichterbij dan ooit. Je kunt tegenwoordig als een 'baby op maat' bestellen. Misschien dat ooit zelfs alle ziektes worden uitgebannen? Maar hoever kun je gaan met het ontwikkelen van de perfecte mens? Transhumanisten zeggen: nooit ver genoeg. Maar sommige filosofen, zoals Francis Fukyama, hebben grote bezwaren. Want: is een perfect mens nog wel een mens?

Hoe ver kun je gaan met een baby op maat?

Niet ver genoeg, zeggen transhumanisten. Maar de filosoof Francis Fukuyama voorziet grote problemen

Door Rob Wijnberg

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis. Vandaag: moeten we streven naar het ideale menstype?

In de Verenigde Staten ontstond vorige week grote ophef over een geboortekliniek in Los Angeles die toekomstige ouders aanbiedt een ‘baby op maat’ te bestellen. Zo kan, door middel van embryoselectie, de kleur ogen, de kleur haar en het geslacht van de baby worden bepaald. De techniek wordt ook gebruikt om genetische aanleg voor ziektes zoals kanker te ontdekken, in de hoop die ziektes uiteindelijk te voorkomen. Deze praktijk past in de trend dat de medische wetenschap zich in toenemende mate richt op het voorkomen van bepaalde (erfelijke) ziektes, maar critici spraken er niettemin schande van: het ontwerpen van ‘perfecte’ mensen „is het gevaarlijkste hellende vlak waarop we ons kunnen begeven”, stelde de Amerikaanse ethicus Art Caplan. Want, „creëren we daarmee niet een subgroep van genetisch perfecte mensen tegenover de rest van de bevolking?”

Hoewel embryoselectie zonder dwingende medische noodzaak in Nederland vooralsnog verboden is – en het kiezen van het geslacht of de haarkleur dus niet toegestaan – werpt deze kwestie toch een aantal relevante vragen op. De genetische verbetering van mensen, dieren en voedsel – beter bekend als biotechnologie – is op dit moment namelijk één van de snelst groeiende wetenschappelijke industrieën ter wereld. Wat betreft budget, aantal wetenschappers en ontdekkingen is het veld de natuurkunde zelfs al voorbijgestreefd. De kwestie is daarbij natuurlijk vooral: hoever kun je gaan met het sleutelen aan levende wezens voordat er een ethische grens wordt overschreden? Of bestaat die grens niet? De filosofische dilemma’s liggen ook in sfeer van de consequenties van biotechnologie: is bijvoorbeeld een ‘perfect’ mens nog wel een mens te noemen en welke gevolgen heeft dat dan voor onze manier van samenleven?

Vooropgesteld moet worden dat het verlangen om het menselijke lichaam te perfectioneren al zo oud is als de mens zelf. In de vroegste beschavingen koesterde men al fantasieën over een eeuwige jeugd of zelfs onsterfelijkheid. Toch is de filosofische stroming die een biologische verbetering van de mens actief propageert relatief nieuw: het transhumanisme. De essentie van dit gedachtengoed wordt eigenlijk al verraden door de naam: transhumanisten stellen dat de mens zijn mens-zijn kan ‘overstijgen’ door zich met behulp van technologie te bevrijden van zijn biologische beperkingen, zoals veroudering, ziektes en sterfelijkheid.

Het doel van transhumanisten is dus als het ware om de evolutie met technische hulpmiddelen te ‘versnellen’ om zo een beter mens – en daarmee een betere samenleving – te creëren. Hierbij gaat het overigens niet alleen om medische verbeteringen. Sommige transhumanisten trachten ook problemen als geweld en geestelijk lijden op biologisch niveau te bestrijden.

Dit transhumanistische streven naar een ideaal menstype vindt zijn oorsprong in het vroege Verlichtingshumanisme van de Britse filosoof Francis Bacon (1561-1621), die als een van de eerste denkers ervoor pleitte om de ‘menselijke natuur’ via de wetenschap naar onze hand te zetten. De stroming kreeg echter pas veel later een enorme impuls door de ontwikkeling van de moderne biotechnologie, ruim dertig jaar geleden. Onderzoek naar de genetische modificatie van de mens werd daardoor steeds minder omstreden. De recente hervatting van de financiering van stamcelonderzoek op embryo’s door president Obama is daar een voorbeeld van.

Toch is het transhumanisme nog altijd alles behalve mainstream in de filosofie. De Amerikaanse filosoof Francis Fukuyama (1952), auteur van Our Posthuman Future: Consequences of the Biotechnology Revolution (2002), noemt het transhumanistische gedachtengoed zelfs „het gevaarlijkste idee ter wereld”. Zijn kritiek op het streven naar perfectie van de mens is drieledig en vormt een goede samenvatting van de grootste bezwaren die de meeste hedendaagse critici hebben tegen biotechnologie. Veel van die bezwaren zijn helaas gekaapt door religieuze groeperingen die de argumenten in onnodig religieuze termen hebben gegoten, zoals dat de mens ‘niet voor God mag spelen’; het is daarom sowieso verhelderend de formuleringen van Fukuyama hier als uitgangspunt te nemen.

Het belangrijkste bezwaar van Fukuyama is dat transhumanisten onder de noemer van ‘vooruitgang’ de „natuurlijke essentie” van de mens teniet proberen te doen. Ze willen „het beperkte, sterfelijke en natuurlijke wezen” dat wij nu mens noemen achter zich laten en „vervangen door iets beters”. Maar het probleem is, zegt Fukuyama: onze ‘goede’ eigenschappen zijn onlosmakelijk verbonden met onze ‘slechte’ eigenschappen. „Als we niet gewelddadig en agressief zouden zijn, zouden we ons ook niet kunnen verdedigen; als we elkaar niet zouden uitsluiten, zouden we ook niet loyaal kunnen zijn; en als we nooit jaloers waren, voelden we ook geen liefde voor elkaar”, aldus Fukuyama. Kort samengevat luidt dit argument dus: een perfect mens is geen mens. Transhumanisten koesteren volgens Fukuyama dan ook de valse pretentie te weten „wat het is dat een mens goed maakt” en verliezen daarbij uit het oog dat onze tekortkomingen daar juist „een wezenlijk onderdeel van vormen”.

Hiermee zijn we direct bij Fukuyama’s tweede bezwaar aangekomen, namelijk dat risico’s van technologisch ingrijpen in de menselijke natuur onmogelijk zijn te voorzien. Het is namelijk niet te voorspellen wat we precies veranderen als we sleutelen aan onze genetische opbouw. Dat mensen ziek worden bijvoorbeeld, heeft misschien wel een belangrijke functie, zoals: dat het waarschuwt tegen gevaarlijke gewoontes of dat het andere kwalen voorkomt. Evengoed geldt voor onze sterfelijkheid dat het niet alleen beangstigend is, maar het leven ook zin geeft. De gevolgen van genetische modificatie van deze „zeer complexe samenstelling van onderling afhankelijke eigenschappen” zijn volgens Fukuyama dus nooit op waarde te schatten. Misschien heeft het uitbannen van alle ziektes wel dramatische consequenties, zoals overbevolking en oorlog.

Het derde bezwaar van Fukuyama is dan ook van politieke aard: het creëren van een ‘superieur’ ras zou de gelijkwaardigheid van mensen op het spel kunnen zetten. De filosoof vreest namelijk dat de genetisch verbeterde mens zichzelf meer rechten zal toebedelen dan zijn ‘inferieure’ soortgenoten. Het heeft immers eeuwen geduurd voordat de opvatting gemeengoed werd dat alle mensen, ongeacht ras, geslacht en intelligentie, dezelfde rechten hadden; bijna de hele geschiedenis lang werden zwarten, vrouwen en armen als minderwaardig beschouwd. Fukuyama ziet in biotechnologie het gevaar van de terugkeer daarvan: wie niet voldoet aan de eisen van het transhumanistische ideaal zal misschien worden onderdrukt of zelfs vermoord, zoals ook de nazi’s alle mensen van niet-arische afkomst ter dood veroordeelden uit naam van een ‘betere’ mensheid.

Het schrikbeeld dat Fukuyama hier schetst, is volgens de transhumanist Ronald Bailey (1953) echter vele malen beangstigender dan dat ze reëel is. Bailey veegt in een repliek dan ook de vloer aan met Fukuyama’s argumenten. Volgens Bailey is er namelijk juist niets menselijkers dan het streven naar bevrijding van onze biologische beperkingen: vroeger moesten mensen lopen, nu hebben we de auto en het vliegtuig; vroeger moesten mensen jagen, nu hebben we de landbouw en de veeteelt; vroeger konden we elkaar alleen van dichtbij verstaan, nu hebben we de telefoon en de televisie; vroeger moesten mensen alles onthouden, nu hebben we boeken, foto’s en video’s; vroeger gingen mensen dood aan ziektes, nu hebben we medicijnen.

Genetische modificatie is volgens Bailey dan ook niet gericht op het tenietdoen van de ‘menselijke natuur’, zoals Fukuyama stelt, maar juist een product ervan – een gevolg van ons natuurlijke streven naar technologische ontwikkeling. Het argument dat transhumanisten de gelijkwaardigheid van mensen op het spel zetten, beschouwt Bailey ook als volstrekte nonsens. Eerder het omgekeerde is waar, zegt hij: biotechnologie kan de gelijkwaardigheid van mensen juist bevorderen, omdat dan méér mensen over de capaciteiten, gezondheid en intelligentie kunnen beschikken die nu slechts voorbehouden zijn aan hen die er toevallig mee worden geboren.

De argumenten van zowel Bailey als Fukuyama bezitten overtuigingskracht. Er zijn zeker risico’s verbonden aan genetische modificatie die we moeilijk allemaal kunnen overzien. Maar tegelijkertijd is een irreële angst voor nieuwe technologieën al even menseigen als het streven ernaar, constateert Bailey terecht.
De discussie over de ethische grenzen van biotechnologie zal dus waarschijnlijk nog lang voortduren. Wij, gewone stervelingen, die niet ‘op maat’ zijn geboren, kunnen slechts hopen dat we lang genoeg leven om erachter te komen wie nu werkelijk gelijk heeft.

Verschenen in nrc.next op 18 maart 2009.



Auteur: Rob Wijnberg
Datum: 18 maart 2009


Reacties

Er heeft nog niemand gereageerd op deze pagina.

RSS feed van de reacties op deze pagina | RSS-feed voor alle reacties

Plaats uw reactie