bezige bij nrc.next
Bestel het boek Dus ik ben. Bestel het boek Nietzsche en Kant lezen de krant. Bestel het boek In dubio Bestel het boek Boeiuh

Over In Dubio


Indrukwekkend en verhelderend boek dat gelezen zou moeten worden door iedereen die meent te weten wat wel en wat niet gezegd mag worden.

NRC Handelsblad

Absoluut het beste wat ik over het onderwerp vrijheid van meningsuiting heb gelezen.

Theodor Holman, De Groene Amsterdammer

Dit boek komt net op tijd. Een overtuigend antwoord op de vijanden van de vrije meningsuiting en de open samenleving.

Dirk Verhofstadt, Liberales


Over Boeiuh


Wijnberg blinkt uit in sociologische en filosofische duidingen van alledaagse fenomenen

De Volkskrant

Wijnberg schetst een niet onaangenaam vooruitzicht, zelf voor journalisten

Brabants Dagblad

Intrigerend essay over de mini-problemen van de huidige jeugd

NRC Handelsblad

Applaus voor Rob Wijnberg. Iedereen zou dit boek moeten lezen om te weten waarom jongeren zijn zoals ze zijn

Limburgs Dagblad

11 maart 2009
Door: Rob Wijnberg

Essay Zin 62 De onderbuik - of: de waarde van zwaardere straffen

Niet zelden verbazen veel Nederlanders zich over de milde straffen die onze rechters aan misdadigers opleggen.  Taakstraffen zijn geen uitzondering - en onlangs eiste ook het OM slechts 2,5 jaar cel voor een gewelddadige verkrachting.  Zijn de straffen in Nederland te mild? Of is het juist goed dat onze systeem meer op resocialisatie is gericht dan op vergelding? De roep op zwaardere straffen wordt vaak verworpen als 'irrationeel' en 'uit de onderbuik'. Toch kunnen rechters het volk niet helemaal negeren, zegt de filosoof Ad Verbrugge. En: ook het volk kan nog iets opsteken van rechters.

Onze onderbuik is soms zo gek nog niet

Hoe de rechters in Nederland iets van het volk kunnen leren en het volk iets van de rechters

Door Rob Wijnberg

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis. Vandaag: straffen rechters in Nederland te mild?

Vorige week eiste het Openbaar Ministerie 2,5 jaar celstraf tegen een man die zijn ex-vriendin op zeer gewelddadige manier zou hebben verkracht. De eis wekte op diverse internetfora onmiddellijk enorme verontwaardiging. Nog geen drie jaar cel voor een brute verkrachting: is dat niet veel te weinig? Sommige mensen spraken zelfs van het „faillissement van vrouwe Justitia” toen zij het nieuws hoorden; anderen riepen direct om „castratie van deze zieke geest”.
Nu betekent een eis natuurlijk nog geen straf, dus het zou best kunnen dat de rechter tot een ander oordeel komt. Maar dit soort verontwaardiging past wel in een breder gedragen gevoel in Nederland dat de rechtspraak vaak erg mild is voor misdadigers. Rechters zijn bovendien slecht op de hoogte van de effectiviteit van de door hun opgelegde straffen, zo bleek uit een recent onderzoek van het Willem Pompe Instituut voor Strafrechtswetenschappen in Utrecht – en nemen daarom vaak automatisch of zelfs klakkeloos de adviezen van gedragsdeskundigen over.

Zijn de straffen in Nederland inderdaad vaak te laag, zoals veel mensen denken? Of getuigt een zekere terughoudendheid in de strafmaat juist van een beschaafde samenleving die meer gericht is op resocialisatie dan op vergelding? Het is in dit verband goed om te weten dat de wijze van bestraffen in onze samenleving niet op zichzelf staat, maar een product is van eeuwenlange maatschappelijke en filosofische ontwikkelingen. Primitieve samenlevingen kenden geen enkele organiserende structuur in de bestraffing van misdaden; vergelding vond op willekeurige wijze plaats naar goeddunken van de slachtoffers.

In het Babylonische recht, ruim zeventien eeuwen voor Christus, zijn pas de eerste sporen van proportionaliteit terug te vinden: de straf moest wel in verhouding staan tot het vergrijp, vonden de Babyloniërs. Later werd vooral door het christendom het principe ‘oog om oog, tand om tand’ een wijdverspreide opvatting in het Westen – een principe dat tegenwoordig juist vaak wordt beschouwd als primitief en onbeschaafd, maar in die tijd dus gold als een hele vooruitgang.

Het idee van proportionaliteit kreeg nog eens zeventien eeuwen later opnieuw een grote impuls door de Britse filosoof Jeremy Bentham (1748-1832), die een utilitaristische opvatting van het strafrecht ontwikkelde. Een straf moest volgens Bentham altijd getoetst worden aan de vraag of het welzijn van de samenleving als geheel ermee gediend was. Of, anders gezegd: produceren sommige straffen, zoals de doodstraf, uiteindelijk niet meer kwaad dan goed? Met zijn nadruk op de maatschappelijke gevolgen van een straf legde Bentham de filosofische basis voor de rehabiliterende functie van het strafrecht die hier nu gemeengoed is. Straffen moesten niet alleen ‘vergeldend’, maar ook ‘productief’ en ‘nuttig’ zijn in relatie tot de dader en de maatschappij.

Zo kreeg bestraffing steeds meer een rationele in plaats van emotionele rechtvaardiging. Straffen werden steeds minder beschouwd als middel om emotionele genoegdoening aan slachtoffers te geven, of om potentiële misdadigers af te schrikken, maar eerder als middel om een rechtvaardige samenleving te creëren op grond van rationele, objectieve en meetbare criteria, zoals proportionaliteit en effectiviteit. Rechtvaardige straffen moesten als het ware ‘berekend’ en ‘beredeneerd’ kunnen worden – en niet gebaseerd zijn op impulsen of intuïties. Dit verklaart deels waarom veel mensen de strafmaat in Nederland vaak gevoelsmatig te laag vinden: de gevoelsmatige dimensie van rechtvaardigheid raakte sinds de Verlichting steeds meer op de achtergrond. Ze kwam te boek te staan als ‘onderbuik’ – een vorm van rechtvaardigheid die irrationeel en ongefundeerd en dus niet legitiem was.

Voor deze rationele benadering van bestraffing valt veel te zeggen. Uitgangspunt van onze rechtsstaat is immers dat ieder mens voor de wet gelijk is. Om dat in de praktijk te kunnen brengen, moeten er rationele en verifieerbare gronden zijn waarop rechters hun oordelen baseren. Zou iedere individuele rechter zijn rechtvaardigheidsgevoel laten spreken, dan zou dat onherroepelijk uitmonden in rechtsongelijkheid en willekeur – en vermoedelijk ook in hogere straffen. Het relatief milde strafsysteem dat wij in Nederland hebben, kan in die zin worden beschouwd als een gevolg van het feit dat emoties in onze rechtspraak sterk aan banden zijn gelegd. Misdadigers zijn zo beschermd tegen de ‘grillen’ van de rechter en het volk. En dat is maar goed ook, zou je denken, afgaande op de wilde reacties die je vaak op internet leest.
Toch is het probleem van een dergelijk strafsysteem dat de ‘gevoelde rechtvaardigheid’ soms helemáál terzijde dreigt te worden geschoven, met als gevolg dat de bevolking zich op den duur niet meer in de rechtspraak herkent. In zijn essay Misdaad en straf in een tijd van cultuurverlies (2004) wijst de Nederlandse filosoof Ad Verbrugge (1967) ook op dat gevaar. Het uitgangspunt van Verbrugges argument is ontleend aan de Duitse filosoof Georg Hegel (1770-1831), die stelde dat een mens alleen vrij (en dus verantwoordelijk) kan zijn, omdat hij leeft in een gemeenschap waarin die vrijheid als een recht van iedereen wordt erkend en gehandhaafd.

De bestraffing van misdaden geeft volgens Hegel dan ook uiting aan de waarde die de gemeenschap aan deze vrijheid toekent. In die zin zijn zwaardere straffen niet per definitie irrationeel: ze betekenen ook dat de gemeenschap bepaalde rechten, zoals lichamelijke integriteit, hoog in het vaandel draagt. Of zoals Verbrugge zegt: „[Met een straf] wordt het slachtoffer te kennen gegeven hoezeer een misdaad algemeen wordt afgekeurd en geen bestaansrecht heeft.”

Het is volgens Verbrugge dan ook te simpel om de groeiende roep om zwaardere straffen af te doen als een „irrationele opwelling van primitieve wraakinstincten, die daarmee inhumaan is”. Integendeel, zegt hij, een verzwaring van straffen kan ook gezien worden „als een herbevestiging van de gemeenschappelijke wil tot recht”. Of, simpeler geformuleerd: de roep om zwaardere straffen toont juist aan hoezeer er aan de beschaving en de rechtsstaat wordt gehecht. Dat betekent natuurlijk niet dat de mening van de gewone burger automatisch leidraad moet worden in de strafbepaling, maar wel dat de rechter de communis opinio ook niet uit het oog mag verliezen. Hij spreekt namelijk, zegt Verbrugge, niet alleen recht namens het slachtoffer, maar namens iedereen.

De ironie is dat Verbrugge tegelijkertijd de verruwing van de samenleving juist grotendeels wijt aan een gebrek aan gemeenschappelijke moraal. De vrijheid van het individu is immers de afgelopen decennia „verabsoluteerd”: de burger is verantwoordelijk voor zichzelf en niemand anders. Dit „cultuurverlies”, zoals Verbrugge het noemt, heeft ertoe geleid dat mensen zich steeds directer en agressiever zijn gaan gedragen, gewend als we zijn aan de directe bevrediging van onze individuele behoeften. De bovengenoemde verkrachting is daar een goed voorbeeld van: uit de telefoongegevens van de verdachte zou namelijk zijn gebleken dat hij het slachtoffer vlak voor de daad een sms had gestuurd waarin hij kenbaar maakte anale seks te willen hebben „op zijn manier”. Oftewel, toen hij het niet ‘kreeg’, ging hij het maar ‘halen’.

In dat licht bekeken is het dus maar de vraag of de roep om zwaardere straffen voor misdaden als deze echt een ‘herbevestiging van onze gemeenschappelijk wil tot recht’ zou betekenen, in plaats van een bevestiging van onze wraakzucht gebaseerd op afschuw. Onze gemeenschappelijke moraal is immers zo sterk nog niet. Volgens Verbrugge is een „herbezinning op onze samenleving” dan ook noodzakelijk: we moeten weer een sterker idee krijgen van waar wij als gemeenschap voor staan.

Nu is dat natuurlijk gemakkelijker gezegd dan gedaan; een gemeenschappelijke moraal is niet zomaar te koop in de winkel. Maar misschien ligt daar dan een taak voor onze rechters: zij zouden niet alleen de communis opinio moeten volgen, maar ook wat vaker moeten vormen. Meer serieuze journalistieke aandacht voor de gang van zaken in een rechtbank, zoals in de rubriek ‘De uitspraak’ in deze krant, zou daarbij zeker kunnen helpen. En af en toe een strenge straf kan dan een goed voorbeeld zijn.

Verschenen in nrc.next op 11 maart 2009.



Auteur: Rob Wijnberg
Datum: 11 maart 2009


Reacties

Er heeft nog niemand gereageerd op deze pagina.

RSS feed van de reacties op deze pagina | RSS-feed voor alle reacties

Plaats uw reactie