Over In Dubio
Indrukwekkend en verhelderend boek dat gelezen zou moeten worden door iedereen die meent te weten wat wel en wat niet gezegd mag worden.
NRC Handelsblad
Absoluut het beste wat ik over het onderwerp vrijheid van meningsuiting heb gelezen.
Theodor Holman, De Groene Amsterdammer
Dit boek komt net op tijd. Een overtuigend antwoord op de vijanden van de vrije meningsuiting en de open samenleving.
Dirk Verhofstadt, Liberales
Over Boeiuh
Wijnberg blinkt uit in sociologische en filosofische duidingen van alledaagse fenomenen
De Volkskrant
Wijnberg schetst een niet onaangenaam vooruitzicht, zelf voor journalisten
Brabants Dagblad
Intrigerend essay over de mini-problemen van de huidige jeugd
NRC Handelsblad
Applaus voor Rob Wijnberg. Iedereen zou dit boek moeten lezen om te weten waarom jongeren zijn zoals ze zijn
Limburgs Dagblad
Door: Rob Wijnberg
Over de Partij voor de Dieren wordt vaak een beetje lacherig gedaan in de pers. Wilt u nou een verbod op vissenkommen, mevrouw Thieme? Mogen we nog wel vlees eten, mevrouw Thieme? Helaas komt daardoor niet zo goed uit de verf waar de partij nu precies filosofisch voor staat. Wie het gedachtegoed van de partij, beter bekend als het ecologisme, nader bestudeerd, ontdekt dat het een unieke ideologie in het huidige politieke spectrum betreft. De holistische benadering van problemen is haar grootste kracht. Maar ook haar zwakte.
Gradatieprobleem knaagt aan Partij voor de Dieren
De unieke kracht, maar ook de grootste zwakte van het ecologisme is de holistische en ‘planeetbrede’ visie
Door Rob Wijnberg
Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.
Vandaag: het gedachtegoed van Marianne Thieme (PvdD).
Dat de politiek een vuil spel kan zijn, was al langer bekend. Maar de hoon die de Partij voor de Dieren soms ten deel valt in de pers, is soms op het genante af. Journalisten, columnisten en politieke opponenten tonen zich vaak meer dan bereid de standpunten van de partij te ridiculiseren, maar coherente, onderbouwde argumenten worden er zelden tegenover gesteld.
Zo trok een zekere Willem Mulder, zelf nota bene een wetenschapper, in de Volkskrant de ‘feitenkennis’ van partijleider Marianne Thieme in twijfel met het argument dat ze lid is van de Zevendedagadventisten – in de logica ook wel een ‘non sequitur’ genoemd. Dat Thieme gelooft in de zondeval, hoeft immers nog niet te betekenen dat de door haar geciteerde onderzoeken onbetrouwbaar zijn. En in Pauw & Witteman werd onlangs door alle aanwezige gasten, inclusief gespreksleider Jeroen Pauw, smakelijk gelachen om Thiemes bewering dat de zeeën binnen veertig jaar leeg zullen zijn gevist als de visserij op het huidige peil blijft, maar het tegendeel werd nooit aannemelijk gemaakt. Veel verder dan een grap over pandaberen aan een vislijn kwam men niet.
De lacherige en af en toe zelfs ronduit bevooroordeelde houding van sommige journalisten is jammer, omdat Marianne Thieme daardoor weinig ruimte krijgt haar ideeën écht uiteen te zetten. De aandacht richt zich al gauw op de meeste ongewone voorstellen van de partij (en die zijn soms extreem), maar de filosofie erachter blijft grotendeels onbesproken. Dat is waarschijnlijk te wijten aan het feit dat het gedachtegoed van de Dierenpartij verreweg het meeste afwijkt van de mainstream in de politiek, hetgeen als vanzelf weerstand oproept. Volgens de Amerikaanse filosoof Noam Chomsky (1928) is dat zelfs een structureel fenomeen in de moderne media: de neiging om iemand die breekt met de ideologische consensus automatisch af te schilderen als ‘gek’ of ‘radicaal’.
Dat de Dierenpartij inderdaad sterk afwijkt van die consensus, blijkt wel uit haar onlangs gepresenteerde verkiezingsprogramma. Daarin pleit de partij, anders dan alle andere partijen, voor een „planeetbrede visie” op de politiek, die mensen ertoe moet bewegen „verder te kijken dan alleen de belangen van de eigen soort”. Daartoe doet zij enkele verstrekkende voorstellen, zoals een verbod op de intensieve veehouderij, een verbod op de visserij op meer dan de helft van alle zeeën en het opnemen van universele dierenrechten in de grondwet.
De filosofie hierachter, beter bekend als het ecologisme, verschilt volgens de filosoof Michael Freeden, auteur van het boek Ideologies and political theory (1996), dan ook op een aantal fundamentele punten van traditionele westerse ideologieën. Het belangrijkste onderscheidende kenmerk is de plaats die de mens erin krijgt toebedeeld. Het ecologisme is geen antropocentrische, maar biocentrische ideologie. Dat wil zeggen dat niet de mens centraal wordt gesteld, zoals in het liberalisme, socialisme en conservatisme, maar de natuurlijke orde waarvan hij onderdeel uitmaakt. Daarbij wordt een holistische benadering gehanteerd: de natuur wordt beschouwd als één groot samenhangend geheel, waarin de mens een positie heeft die niet wezenlijk verschilt van die van andere organismen.
Deze visie op de natuur als een ‘organisch geheel’ is geenszins nieuw. Sporen ervan zijn al terug te vinden bij de Oud-Griekse Stoïcijnen, de Nederlandse filosoof Baruch Spinoza (1632-1677) en in het boeddhisme en hindoeïsme. Toch heeft het idee nooit echt voet aan de grond gekregen in de westerse politieke filosofie. De Griek Aristoteles (384-322 v. Chr) ging al uit van een ‘natuurlijke rangorde’, waarin de mens ver boven de dieren- en plantenwereld verheven was en ook het Christendom propageerde, ondanks het feit dat alles in de natuur onderdeel was van Gods schepping, een wereldbeeld met de mens bovenaan de aardse pikorde.
Deze menselijke superioriteit werd nog verder bekrachtigd door de opkomst van de moderne wetenschap in de 16de en 17de eeuw. Denkers als René Descartes (1596-1650) en Isaac Newton (1643-1727) begonnen de natuur te omschrijven als een ‘machine’ bestaande uit losse bouwstenen, die door de mens kon worden beheerst en aangewend voor zijn eigen (economische) doeleinden. De mens werd voortaan helemaal niet meer als onderdeel van de natuur gezien, maar als de „meester en bezitter” ervan, zoals de Britse filosoof John Locke (1632-1704) het destijds omschreef. De mechanisering van het wereldbeeld maakte van de natuur als het ware een ‘werktuig’ en van de mens de ‘bestuurder’.
Dat veranderde pas weer door het werk van Albert Einstein (1879-1955). Niet voor niets voert de Partij voor de Dieren deze Duitse natuurwetenschapper op als een van de grote inspirators van haar gedachtegoed. Einstein toonde namelijk niet alleen sympathie voor het vegetarisme, maar zijn natuurwetenschappelijke inzichten deden ook het beeld van de natuur kantelen: de natuur werd niet langer opgevat als een ‘werktuig’, maar als een samenhangend netwerk van afhankelijkheidsrelaties, waarvan de menselijke soort een onderdeel was. Daarmee werd ook het morele primaat van het ‘natuurlijke’ sterk opgewaardeerd: hoe de natuur ‘werkt’, zou leidend moeten zijn voor het menselijke handelen.
Dat laatste is een integraal onderdeel geworden van het ecologisme. De mens zou zich moeten aanpassen aan de wensen van de natuur in plaats van andersom. Verstoring van het ‘natuurlijke evenwicht’, dat zich organiseert volgens Einsteiniaanse wetmatigheden, leidt volgens ecologisten namelijk tot onherstelbare schade aan het geheel. Deze holistische benadering maakt van het ecologisme een unieke ideologie in het hedendaagse politieke spectrum en vormt haar grote aantrekkingskracht. Maar het is ook haar grootste filosofische zwakte.
De vraag is namelijk hoever de Dierenpartij dit holisme kan doorvoeren. Dat de natuur niet uitsluitend behandeld mag worden als een ‘gebruiksvoorwerp’ in dienst van menselijke behoeftes, valt goed te verdedigen – maar hoe absoluut moet dat uitgangspunt worden begrepen? Mag een mens door medisch ingrijpen bacteriën doden om niet ziek te worden of moet hij het lichaam zijn ‘natuurlijke gang’ laten gaan? Mag een mens een mug doodslaan als hij geprikt wordt of is dat ‘dierenmishandeling’? Dat lijken flauwe vragen, maar ze tonen de grootste lacune in het denksysteem van de ecologist: door de gelijkschakeling van mens en natuur wordt onduidelijk op grond waarvan aan menselijke belangen überhaupt nog voorrang kan worden gegeven.
Het ecologisme heeft, met andere woorden, een gradatieprobleem. Gelden dierenrechten ook voor insecten? Zo nee, waarom dan niet? Mogen dieren elkaar wel roekeloos afslachten? Zo ja, waarom mensen – die immers ook onderdeel van de natuur zijn – dan niet? Daar heeft de ecologist geen goed filosofisch antwoord op. De commotie die ontstond over het voorstel van de Dierenpartij om vissenkommen te verbieden (maar grote aquaria niet) was dan ook geen toeval, maar een logisch gevolg van deze ideologische tekortkoming: hoe trekt de partij de grens? Waarom mag een balletje gooien met je hond in het park wel, maar mensen vermaken met circusdieren niet?
De filosoof Andrew Heywood maakt op dit punt overigens een handig onderscheid tussen ‘diep’ en ‘oppervlakkig’ ecologisme. Waar de diepe variant uitgaat van een radicaal holisme, de intrinsieke waarde van de natuur en gelijke rechten voor mens en dier, combineert de oppervlakkige versie een licht antropocentrisme met een instrumentele opvatting van de natuur, gericht op dierenwelzijn. Dat wil zeggen, in het oppervlakkige ecologisme staat de mens nog wel centraal en wordt alleen zijn ‘morele plicht’ jegens de natuur benadrukt, in plaats van het ‘morele recht’ van die natuur zelf. De positie van de Partij voor de Dieren is hierin niet geheel duidelijk: ze pleit bijvoorbeeld wel voor dierenrechten in de grondwet (wat diep ecologisch is), maar is daarentegen niet tegen het op duurzame wijze houden van productiedieren (wat een instrumentele opvatting is).
In het verlengde hiervan ligt ook de tweede grote tekortkoming van het ecologisme, namelijk: de economische rechtvaardigheid ervan. Feit blijft namelijk dat de enorme welvaart in het Westen is voortgekomen uit de massale aanwending van fossiele brandstoffen en andere natuurlijke hulpbronnen. Dat heeft een enorme kaalslag op het milieu opgeleverd, maar heeft ons ook zo rijk gemaakt. Overschakeling naar een duurzamere economie hoeft daardoor voor ons geen probleem te zijn, maar de vraag is hoe opkomende industrieën zoals China en Derde Wereldlanden zoals Nigeria een soortgelijke levenstandaard kunnen bereiken zonder eveneens een beroep te doen op diezelfde hulpbronnen.
Hier schiet de „planeetbrede visie” van de Dierenpartij dan ook tekort: zonder reëel alternatief economisch model voor onderontwikkelde landen, veroordeelt haar ambitie om de hele wereld de ‘verduurzamen’ deze landen als het ware tot een lager welvaartsniveau.
Kan een journalist dát dilemma eens voorleggen aan Marianne Thieme?
Verschenen in nrc.next op 28 april 2010.
Dit was mijn laatste essay voor de zomer. Eind augustus hervatten de essays weer - in de tussentijd leg ik de laatste hand aan mijn nieuwe boek. De columns op de opiniepagina en in het NRC Weekblad gaan overigens wel gewoon door.
Reacties
-
Rob,
Ik denk dat het wel kan. Sterker nog, er zijn analisten die denken dat China wel eens het voortouw kan gaan nemen in duurzame oplossingen omdat ze daar de democratische besluitvormingsprocessen die de boel vertragen missen....en daardoor meer duurzame, lange termijn oplossingen kunnen implementeren terwijl wij die langere termijnvisie onder druk van het korte gewin in verkiezingstijd en beeldvorming niet kunnen maken.
(zie je eigen volgende artikel?)
Groet,
Milandoor Milan van Opmeer
11/06/2010 om 20:08
(3 maanden geleden)
-
Hoe komt het eigenlijk dat de meeste mensen verschil maken tussen een mug en een hond ? Is dit cultureel bepaald ?
door Jaap Aap
06/05/2010 om 21:52
(4 maanden geleden)
-
weer een prima stuk Rob. Bedankt!
hoe holistisch denken zich moet verhouden met niet holistisch (serieel) denken, is een interessante vraag.door kees Razenberg
05/05/2010 om 10:27
(4 maanden geleden)
RSS feed van de reacties op deze pagina | RSS-feed voor alle reacties
Plaats uw reactie
Rob Wijnberg (Winschoten, 1982) studeerde filosofie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij was opinieredacteur van nrc.next, de krant waarvoor hij nog steeds columns en essays schrijft. Hij publiceerde eerder Boeiuh!, een strijdbaar pamflet ter verdediging van zijn generatie, en In dubio, een prikkelend betoog over de vrijheid van meningsuiting.
...
> Lees verder

